Inhoudsindicatie
Kort geding. Huurachterstand bedrijfsruimte. Ontruiming. Verstek.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12374198 \ VV EXPL 26-70
Vonnis in kort geding van 16 oktober 2026
in de zaak van
HEINEKEN NEDERLAND B.V.,
te Leiden,
eisende partij,
hierna te noemen: Heineken,
gemachtigde: mr. H.J. Heynen,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2] B.V.,
te [plaats] ,
niet verschenen,3. [gedaagde 3],
te [plaats] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] .
De zaak in het kort
Gedaagden huren een bedrijfsruimte (café) met afhankelijke bovenwoning van Heineken en hebben een huurachterstand laten ontstaan. Heineken wil dat gedaagden het gehele pand ontruimen en dat zij de huurachterstand en openstaande drankleveranties betalen. Tegen gedaagden wordt verstek verleend. Zij hebben geen verweer gevoerd tegen de vorderingen. De vorderingen worden toegewezen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in kort geding van 11 september 2026 met producties,
-
de mondelinge behandeling van 2 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2 Het geschil
Heineken vordert samengevat - ontruiming van de bedrijfsruimte aan [adres] , veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de huurachterstand en openstaande drankleveranties en de huurprijs tot de ontruiming, vermeerderd met rente en kosten.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2026. Ter zitting was namens Heineken [persoon] aanwezig, bijgestaan door mr. H.J. Heynen.
[gedaagden] is ondanks dat zij behoorlijk is gedagvaard volgens de bij wet bepaalde termijnen en formaliteiten niet ter zitting verschenen en heeft ook niet om uitstel verzocht. Tegen [gedaagden] wordt verstek verleend.
3 De beoordeling
Spoedeisend belang
Voldoende is gebleken dat Heineken een spoedeisend belang heeft bij haar gevorderde voorziening tot ontruiming van [gedaagden] . Er is sprake van een huurachterstand die maar blijft oplopen en er is geen zicht op betalingen nu het café sinds half april 2026 niet meer wordt geëxploiteerd.
Toetsingskader
In dit kort geding is het de vraag of op basis van de nu aanwezige feiten in een eventuele bodemprocedure met hoge mate van waarschijnlijkheid zal worden geoordeeld dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagden] en ontruiming van het pand zullen worden toegewezen en vooruitlopend hierop de vordering tot ontruiming in dit kort geding kan worden toegewezen.
Ontruiming
Nu [gedaagden] niet is verschenen en de stellingen van Heineken niet zijn weersproken, moet er van uit worden gegaan dat er ten tijde van dagvaarding sprake was van een huurachterstand van zeven maanden. De kantonrechter is van oordeel dat deze tekortkoming van [gedaagden] zodanig ernstig is dat het zeer aannemelijk is dat dit een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de bedrijfsruimte en afhankelijke bovenwoning rechtvaardigt in een eventuele bodemprocedure. De vordering tot ontruiming in dit kort geding komt de kantonrechter verder niet onrechtmatig of ongegrond voor, temeer nu Heineken onweersproken heeft gesteld dat het café niet langer wordt uitgebaat en de bovenwoning niet wordt bewoond. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure de vordering tot ontruiming van de bedrijfsruimte en afhankelijke bovenwoning toewijzen. Daarbij acht de kantonrechter een ontruimingstermijn van acht dagen na datum van dit vonnis een redelijke termijn.
Huurbetalingen en drankleveranties
Heineken wil daarnaast dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van € 43.022,91 berekend tot en met augustus 2026, de openstaande drankleveranties van € 2.186,32, de huur vanaf september 2026 tot de dag van daadwerkelijke ontruiming en de contractuele rente van 1% per maand over de (achterstallige) bedragen vanaf de vervaldata van de facturen. Ook deze vorderingen worden toegewezen zoals gevorderd, omdat zij niet zijn weersproken en gedaagden zich hoofdelijk hebben verbonden tot nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst.
Buitengerechtelijke incassokosten
Heineken vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. In dit geval is dat een bedrag van € 1.227,09. Heineken vordert ook wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten, maar die is niet van toepassing op de buitengerechtelijke incassokosten.1 De kantonrechter wijst daarom de wettelijke rente over deze kosten toe vanaf de dag van dagvaarding.2
Proceskosten
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Heineken worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
156,74 | |
|
- griffierecht |
€ |
1.504,00 | |
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 | |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.381,74 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordelingen worden (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagden] om binnen acht na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte met afhankelijke bovenwoning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Heineken zijn, en de sleutels af te geven aan Heineken, met dien verstande dat de bruikleenapparatuur in goede staat in het gehuurde dient te worden achtergelaten,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan Heineken:
-
€ 43.022,91 aan achterstallige huur tot en met september 2026, te vermeerderen met contractuele rente van 1% per maand over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot de dag van voldoening, telkens afgerond naar boven op een hele maand,
-
€ 2.186,32 aan openstaande drankleveranties tot en met september 2026, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand over het achterstallige bedrag, telkens te rekenen vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot de dag van voldoening,
-
€ 5.733,43 per maand vanaf september 2026 tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand over de achterstallige bedragen indien tijdige betaling uitblijft (zijnde betaling vóór of op de eerste dag van de maand),
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Heineken te betalen een bedrag van € 1.277,09 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.381,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026. | ||