Inhoudsindicatie
Wahv. R315B – ‘stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’. Ongegrond beroep. Dat betrokkene niet de bestuurder was, is pas bij de kantonrechter aangevoerd en niet aannemelijk geworden. Daarnaast is betrokkene de kentekenhouder en was hij dus hoe dan ook beboet.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 273846208
zaaknummer: 12139229 BU VERZ 26-575
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 24 september 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [plaats],
gemachtigde: [gemachtigde] B.V..
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: R315B – ‘stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’, verricht op 15 mei 2025, om 18:56 uur, op [adres] in Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 24 september 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was mr. S.J. Roelofs aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie.
Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en legt hierna uit waarom dat het geval is.
Standpunten
3. Betrokkene stelt dat hij ten onrechte als bestuurder van het voertuig is aangemerkt. Het is onduidelijk hoe de verbalisant vastgesteld zou hebben dat betrokkene de bestuurder was. Betrokkene verwijst hierbij naar jurisprudentie.1 Er wordt verzocht om proceskostenvergoeding.
4. De vertegenwoordiger stelt dat betrokkene de kentekenhouder is. In een van de arresten waarnaar hij verwijst, heeft het hof bepaald dat als de bestuurder niet wordt beboet, de boete opgelegd wordt aan de kentekenhouder. Betrokkene was daarom volgens de vertegenwoordiger hoe dan ook beboet.
Overwegingen
5. De beroepsgrond dat betrokkene niet de bestuurder was, is niet in een eerder stadium naar voren gebracht. Bij de staandehouding heeft betrokkene ervoor gekozen om geen verklaring af te leggen. Als hij daadwerkelijk niet de bestuurder was, had het voor de hand gelegen dat hij dit bij de staandehouding of in administratief beroep al had aangevoerd, zoals in de door betrokkene aangehaalde arresten wel het geval was. Hier komt bij dat betrokkene ook de kentekenhouder was en dus hoe dan ook een boete had gekregen. De kantonrechter ziet geen reden om aan te nemen dat betrokkene niet de bestuurder was.
6. De overtreding op zich wordt niet betwist en wordt daarom vastgesteld. De kantonrechter ziet geen reden voor aanpassing van de boete en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om proceskostenvergoeding wijst hij af.
Conclusie
De kantonrechter:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Waarvan proces-verbaal,
D.W. Veenstra, griffier mr. H.J. Bastin, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.