UitspraakCiviel recht › Personen- en familierecht

Rechtbank Noord-Holland21 oktober 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:14455 · Zaaknummer C/15/383512

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/383512 / JU RK 26-1604

Datum uitspraak: 21 oktober 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,

hierna te noemen de Raad,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] , thans gedetineerd te PI [PI] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • het mondelinge verzoek van de Raad op 21 oktober 2026;

  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2026.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] woont bij zijn moeder. Vader is thans gedetineerd.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4 De beoordeling

4.1.

De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.

Eind augustus heeft een incident plaatsgevonden waardoor de vader nu in detentie verblijft als verdachte van poging moord/doodslag op de moeder. De moeder is sindsdien ernstig getraumatiseerd. De moeder is uitgeput en overbelast en kan de zorg en opvoeding van [de minderjarige] niet meer aan. Het lukt haar niet om grenzen aan [de minderjarige] te stellen. Daarnaast heeft de moeder grote spanning, omdat ze angstig is voor de zoon van de vader (halfbroer van [de minderjarige] ). Zij denkt dat hij zeer loyaal is naar zijn vader en dat hij ook in staat zou zijn haar iets aan te doen, mogelijk in opdracht van zijn vader. De Raad is er bezorgd over dat [de minderjarige] deze angst meekrijgt. [de minderjarige] ziet zijn moeder veel huilen en weet niet wat hij moet geloven, omdat zijn vader een ander verhaal aan hem vertelt dan zijn moeder. Er is een intake voor ambulante spoedhulp geweest, maar omdat de vader elke vorm van contact met hulpverlening weigert en er zijnerzijds dus geen toestemming is, kan deze hulp niet starten. De moeder heeft aangegeven dat er geen netwerk is waar zij gebruik van kan maken. Kennissen zijn volgens haar angstig en willen zich niet mengen in de situatie.Het is van belang dat [de minderjarige] nu ergens op een stabiele en veilige plek kan verblijven en de moeder tot rust kan komen. Er is een crisispleeggezin voor hem gevonden waar hij direct terecht kan.

4.2.

De kinderrechter is gelet hierop van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.1 Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.

4.3.

Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.2

4.4.

De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.

4.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.6.

De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 21 oktober 2026 tot 21 januari 2027;

5.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 21 oktober 2026 tot 18 november 2026;

5.3.

verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;

5.5.

bepaalt dat de griffier de Raad, de GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] tijdig moet oproepen voor de zitting.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026 door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier, en op schrift gesteld en ondertekend door mr. G.D. de Jong op 22 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.3