Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/383325 / JU RK 26-1571
Datum uitspraak: 16 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 oktober 2026 mee in de beoordeling.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
Bij beschikking van 18 juli 2017 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is verlengd en heeft geduurd tot 18 juli 2021. Bij beschikking van 5 augustus 2021 is [de minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling steeds is verlengd en nog voortduurt tot 5 augustus 2027.
3 Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4 De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Bij [de minderjarige] is er sprake van een licht verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblematiek. Hij heeft grote moeite met het herkennen en reguleren van spanning en emoties, accepteert begrenzing mar beperkt en laat veel zelfbepalend gedrag zien. Wanneer de spanning oploopt kan zijn gedrag ernstig escaleren. Daarnaast zijn er zorgen over de schoolgang van [de minderjarige] . [de minderjarige] volgt momenteel één uur les per week. Daardoor ontbreekt het hem aan dagstructuur en loopt hij belangrijke ontwikkelkansen mis.
Op 14 oktober 2026 escaleerde de thuissituatie. De politie informeerde de GI dat [de minderjarige] zich met messen op het dak bevond. De politie moest ter plaatse komen en [de minderjarige] heeft vier uur in de cel gezeten. Uiteindelijk is hij toch weer naar huis gegaan omdat er geen crisisplek beschikbaar was. Op 15 oktober 2026 escaleerde de situatie opnieuw. [de minderjarige] sloot zijn moeder buiten, bedreigde omwonenden en later op de avond werd er gemeld dat [de minderjarige] op de dakkapel van de eerste verdieping zat. Met de politie samen heeft de GI besloten dat [de minderjarige] niet meer terug kon naar huis. Hij is naar [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] gebracht. De GI acht het noodzakelijk dat [de minderjarige] daar voorlopig verblijft. Ambulante hulpverlening heeft onvoldoende veiligheidsrisico’s kunnen verminderen en [de minderjarige] heeft structuur, veiligheid, voorspelbaarheid, professionele begeleiding, begrenzing en toezicht nodig.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.1
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . De thuissituatie biedt op dit moment onvoldoende veiligheid voor [de minderjarige] en zijn moeder. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 oktober 2026 tot 13 november 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de GI en de moeder op voor de zitting van mr. F.W. van Dongen op [datum] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026, in aanwezigheid van L.I. Fernandes Paredes als griffier. | ||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.