Inhoudsindicatie
BNT HZK aanvraag
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2817
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat verweerder volgens belanghebbende niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 11 februari 2026 om de regeling voor huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget (hierna: HZK-regeling) toe te passen.
Verweerder heeft op 24 juni 2026 een verweerschrift en de daarbij behorende stukken ingediend.
Bij brief van 29 juni 2026 heeft belanghebbende gereageerd op het verweerschrift.
Verweerder heeft vervolgens bij brief van 14 juli 2026 een nader standpunt aan de rechtbank gezonden.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan
de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder meer) in artikel 6:12 van de Awb.
3. Belanghebbende heeft de aanvraag op 11 februari 2026 ingediend. Verweerder heeft de ontvangst van de aanvraag op 7 april 2026 bevestigd. Belanghebbende heeft verweerder op 16 april 2026 in gebreke gesteld. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 16 april 2026 ontvangen. Belanghebbende heeft op 26 mei 2026, meer dan twee weken nadat belanghebbende verweerder in gebreke heeft gesteld, beroep ingesteld wegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek.
4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de ingebrekestelling niet rechtsgeldig is omdat deze ziet op 50 afzonderlijke zaken en daarom niet voldoende concreet en hanteerbaar is. Tevens geeft verweerder aan dat de beslistermijn afloopt op 10 februari 2027. Hierbij geeft verweerder aan dat dit uit de ontvangstbevestiging van 31 maart 2026 betreffende de HZK-regeling volgt, gelet op de redelijke termijn van twaalf maanden.
5. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 24 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5392) overwogen dat artikel 4:17 Awb niet meebrengt dat voor iedere afzonderlijke procedure een afzonderlijke ingebrekestelling moet worden verzonden. Beslissend is of uit het ingediende geschrift voldoende duidelijk blijkt op welke afzonderlijke procedures de ingebrekestelling betrekking heeft. De ingebrekestelling van 16 april 2026 is voorzien van een lijst met cliënten. De ingebrekestelling kan dus aan de naam van een individuele cliënt gekoppeld worden, zodat voldoende duidelijk is op welke cliënt de ingebrekestelling ziet. Voorts blijkt uit de ingebrekestelling duidelijk om welke aanvraag het gaat, dat verweerder nog niet beslist heeft en verzoekt belanghebbende verweerder om binnen twee weken te beslissen. Daarmee voldoet de brief aan de voorwaarden voor een ingebrekestelling.
6. Ten aanzien van de beslistermijn overweegt de rechtbank het volgende. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen verweerder op deze aanvraag moet beslissen (Kamerstukken II 2025/26, 36 779, nr. 7, p. 8). Uit de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb volgt dat in dat geval binnen een redelijke termijn moet worden beslist, en dat die redelijke termijn in elk geval is verstreken wanneer binnen acht weken geen beslissing is genomen. Verweerder had dus uiterlijk op 8 april 2026 moeten beslissen. De mededeling van verweerder ingevolge artikel 4:14, derde lid, van de Awb dat de behandeling van de aanvraag naar verwachting twaalf maanden zou vergen, doet hier niet aan af. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft aangevoerd dat deze termijn noodzakelijk is om de heringerichte processen zorgvuldig te doorlopen, de grote hoeveelheid individuele beoordelingen van zelfmelders naar behoren uit te voeren en rechtsgelijkheid met de overige regelingen binnen de Wht te waarborgen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit hetgeen verweerder heeft aangevoerd – zowel afzonderlijk als in onderling verband beschouwd – volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze omstandigheden een langere dan de standaard beslistermijn rechtvaardigen. Dat het zorgvuldig doorlopen van de heringerichte processen waar verweerder naar verwijst leidt tot een – zeer lange – behandelingsduur van de aanvragen volgt nergens uit. Dat het aantal zelfmelders sinds de inwerkingtreding van de Wht – dat wil zeggen over een periode van bijna vier jaar –is gestegen van circa 6.000 naar circa 10.000 zelfmelders, acht de rechtbank zowel absoluut als relatief niet een zeer grote toename die de noodzaak van een lange(re) beslistermijn rechtvaardigt. Voor het risico van rechtsongelijkheid met de overige regelingen binnen de Wht, wat verweerder hiermee ook moge bedoelen, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen enkel aanknopingspunt. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat ook in dit geval verweerder uiterlijk binnen acht weken een beslissing had moeten nemen op belanghebbendes aanvraag. Verweerder heeft dus niet binnen een redelijke termijn een beslissing genomen.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van belanghebbende (kennelijk) gegrond.
8. Omdat, voor zover bij de rechtbank bekend, verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank bepaald voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overgeschreden, met een maximum van € 15.000.
9. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar artikel 8:55c van de Awb, zelf de bestuurlijke dwangsom vast. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.
10. De rechtbank stelt vast dat verweerder na de ingebrekestelling niet binnen twee weken nadien een besluit heeft genomen op de aanvraag en dat inmiddels meer dan 42 dagen zijn verstreken. Ook de termijn van artikel 4:18, eerste lid, van de Awb is inmiddels verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder inmiddels het maximale bedrag van € 1.442 heeft verbeurd.
11. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht toegekend voor een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 0,5 voor het lichte gewicht van deze zaak, omdat het geschil beperkt is tot formele aspecten van het niet tijdig beslissen en de dwangsom).
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaard, moet verweerder aan belanghebbende het betaalde griffierecht ten bedrage van € 54 vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
-
bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een bestuurlijke dwangsom moet betalen van € 1.442;
-
draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het verzoek de HZK-regeling toe te passen;
-
bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van
€ 467;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van
Z.G. Ramsaroep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.