UitspraakStrafrecht

Rechtbank Midden-Nederland26 oktober 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:7495 · Zaaknummer 16.000042.26

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in de nacht van 31 december 2025 op 1 januari 2026 schuldig gemaakt aan brandstichting, bedreiging van meerdere personen, waaronder een aantal politieagenten, en mishandeling van een politiehond. De advocaat heeft verzocht om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank is van oordeel, mede op basis van het advies van het PBC, dat de feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 288 dagen, met aftrek van het voorarrest. Ook legt de rechtbank aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op, vanwege de bij de verdachte geconstateerde stoornissen, de hoge kans op herhaling en al eerder tbs met voorwaarden aan de verdachte is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.000042.26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1991] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [adres] in [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 oktober 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. N. Schapendonk;

  • de advocaat van de verdachte: mr. M.G.P. Glas (hierna: de advocaat);

  • [A] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, verschenen namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] ;

  • M.F. de Vries, psychiater, werkzaam bij het Pieter Baan Centrum in Almere;

  • M.C.F. Hoes, psycholoog, werkzaam bij het Pieter Baan Centrum in Almere.

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, dat hij, samengevat:

feit 1: op 31 december 2025 in Utrecht twee bestelwagens in brand heeft gestoken, met gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander;

feit 2: omstreeks 31 december 2025 in Utrecht twee personen met een mes heeft bedreigd;

feit 3: omstreeks 31 december 2025 in Utrecht zeven politieagenten met messen en in bewoordingen heeft bedreigd met de dood;

feit 4: op 1 januari 2026 in Utrecht een politiehond meermalen met een mes heeft gestoken;

feit 5: omstreeks 31 december 2025 vier leden van de Dienst Speciale Interventies met messen heeft bedreigd met de dood.

De volledige tekst van de gewijzigde beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de vijf aan hem tenlastegelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de strafverzwarende omstandigheid bij feit 1, te weten dat er bij de brand levensgevaar was te duchten. Het standpunt van de verdediging wordt – voor zover nodig – bij het oordeel van de rechtbank besproken. Voor wat betreft de overige feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

feit 1 – brandstichting

De verdachte bekent dat hij op 31 december 2025 in Utrecht twee bestelwagens met benzine heeft overgoten en in brand heeft gestoken. De advocaat vraagt, met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid, ook niet om vrijspraak van dit feit. De rechtbank hoeft in die situatie niet de inhoud van de bewijsmiddelen in dit vonnis op te nemen. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:1

  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 37;

  • het proces-verbaal van aanvullend verhoor, houdende de verklaring van [slachtoffer 1] , pagina 39;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van verbalisant [verbalisant] , pagina 103;

  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 12 oktober 2026.

De rechtbank is van oordeel dat er levensgevaar voor een ander te duchten was en licht dat als volgt toe.

De advocaat heeft vraagtekens gesteld bij de deskundigheid van de verbalisant die het forensisch onderzoek naar de brand heeft gedaan. Dat gaat om verbalisant [verbalisant] . [verbalisant] is werkzaam als operationeel expert forensisch brandonderzoek bij de forensische opsporing politie Midden-Nederland. Hij schrijft dat hij in die hoedanigheid verantwoordelijk is voor alle brand gerelateerde forensische opsporingsonderzoeken. De rechtbank heeft gelet daarop geen reden om te twijfelen aan zijn expertise. Dat het proces-verbaal mede is ondertekend voor gezien en akkoord door [B] , operationeel expert explosies & explosieven, maakt dat niet anders.

[verbalisant] schrijft dat uit de beschreven situatie en het aangetroffen brandbeeld er bij deze brand zowel gemeen gevaar voor goederen als levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Die conclusie baseert hij op de vaststelling dat beide voertuigen zeer dicht op het pand stonden geparkeerd en beide als brandstof dienden welke zonder repressie nog veel verder uit konden breiden. Op de afbeeldingen in het dossier is ook te zien dat de twee bestelbussen dicht naast het pand stonden, dat de verdachte een forse hoeveelheid benzine heeft gebruikt en de vlammen zeer snel hoog oplaaiden. Onder die omstandigheden was naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat de brand kon overslaan naar het pand. Het pand huisvest op de begane grond bedrijven, maar op de eerste verdieping bevindt zich een woning. Op het moment van de brandstichting (in de avond van oudjaarsnacht) was de bewoner ook daadwerkelijk aanwezig. Omdat het alarm van de voorste bestelbus afging, werd deze persoon tijdig gewaarschuwd en heeft hij de hulpdiensten kunnen inschakelen. Vanwege het snelle optreden van de brandweer is de brand beperkt gebleven tot de beide bestelbussen.

De rechtbank vindt op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, waarbij zowel gemeen gevaar voor goederen als levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

feit 2 – bedreiging twee personen

De verdachte bekent dat hij op 31 december 2025 in Utrecht [slachtoffer 2] met een mes heeft bedreigd. De advocaat vraagt niet om vrijspraak van dit feit. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen in het vonnis op te nemen. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

  • het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] , pagina 106;

  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 12 oktober 2026.

De rechtbank vindt niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 3] . Uit de zich in het dossier bevindende stukken volgt immers dat [slachtoffer 3] niet meer bij de voordeur stond op het moment dat de verdachte [slachtoffer 2] met het mes bedreigde, zodat de rechtbank de verdachte partieel vrij zal spreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

feit 3 – bedreiging 7 politieagenten

De verdachte bekent dat hij omstreeks 31 december 2025 in Utrecht de in de beschuldiging genoemde zeven politieagenten heeft bedreigd met twee messen. De advocaat vraagt niet om vrijspraak van dit feit. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet in het vonnis op te nemen. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van verbalisant [politieagent 1] , pagina 127;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van verbalisant [politieagent 2] , pagina 120;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van verbalisant [politieagent 3] , pagina 139;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van verbalisant [politieagent 4] , pagina 124;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van verbalisant [politieagent 5] , pagina 133;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van verbalisant [politieagent 6] , pagina 142

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van verbalisant [politieagent 7] , pagina 149;

  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 12 oktober 2026.

feit 4 – steken politiehond

De verdachte bekent dat hij op 1 januari 2026 in Utrecht een politiehond meerdere keren met een mes in de kop heeft gestoken. De advocaat vraagt niet om vrijspraak van dit feit. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van DSI- [nummer] , pagina 167;

  • het proces-verbaal aangifte, met als bijlage een rapportage van de dierenarts, pagina 211;

  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 12 oktober 2026.

feit 5 – bedreiging vier leden DSI

De verdachte bekent dat hij omstreeks 31 december 2025 in Utrecht vier politieambtenaren (lid van de Dienst Speciale Interventies) met twee messen heeft bedreigd en dat hij met die twee messen in de hand op hen is afgerend. De advocaat vraag niet om vrijspraak van dit feit. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet in het vonnis op te nemen. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van DSI- [nummer] , pagina 161;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van DSI- [nummer] , pagina 167;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van DSI- [nummer] , pagina 176;

  • het proces-verbaal van bevindingen, houdende de verklaring van DSI- [nummer] , pagina 180;

  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 12 oktober 2026.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1 op 31 december 2025 te Utrecht opzettelijk brand heeft gesticht

door benzine over meerdere bestelwagens te gieten en dit vervolgens in aanraking te brengen met open vuur ten gevolge waarvan meerdere bestelwagens (te weten merk MAN, type TGE met kenteken [kenteken] en [kenteken] ), zijn verbrand

terwijl daarvan

gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de zich in voornoemde bestelwagens bevindende goederen en voor het in de nabijheid van voornoemde bestelwagens gelegen pand, te duchten was,

en

levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner van het naastgelegen pand, te duchten was;

feit 2 op 31 december 2025 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend een mes ter hand te nemen en dat mes aan voornoemde [slachtoffer 2] te tonen;

feit 3 omstreeks 31 december 2025 te Utrecht

- [politieagent 1] , inspecteur bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 2] , aspirant bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 3] , inspecteur bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 4] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 5] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 6] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 7] , inspecteur bij de Eenheid Midden-Nederland

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend messen ter hand te nemen en vervolgens voornoemde verbalisanten te benaderen en vervolgens die messen aan voornoemde verbalisanten te tonen en vervolgens met die messen zwaaiende en slijpende bewegingen te maken in de richting van en naar het lichaam van voornoemde verbalisanten en hierbij dreigend de woorden toe te voegen: “als jullie naar me toe komen, maak ik jullie af”;

feit 4 op 1 januari 2026 te Utrecht zonder redelijk doel bij een dier, te weten een hond, pijn en letsel heeft veroorzaakt en de gezondheid en het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door met een mes, meermalen, voornoemde hond in zijn kop te steken;

feit 5 omstreeks 31 december 2025 te Utrecht

- een politieambtenaar DSI- [nummer] (lid van de Dienst Speciale Interventies) en

- een politieambtenaar DSI- [nummer] (lid van de Dienst Speciale Interventies) en

- een politieambtenaar DSI- [nummer] (lid van de Dienst Speciale Interventies) en

- een politieambtenaar DSI- [nummer] (lid van de Dienst Speciale Interventies)

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend messen ter hand te nemen en vervolgens voornoemde verbalisanten tot op korte afstand te benaderen en vervolgens die messen aan voornoemde verbalisanten te tonen en met die messen zwaaiende bewegingen te maken en vervolgens op voornoemde verbalisanten af te rennen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 4: zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren;

feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

4.2

Strafbaarheid feiten en verdachte

4.2.1

Beroep op schulduitsluitingsgrond

De advocaat voert aan dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De advocaat stelt dat het plan van de verdachte om zich van het leven te laten beroven door “suicide by cop” is ontstaan onder invloed van zijn psychische stoornis en dat zijn handelingen in het teken stonden van dat plan. Ook de achterdocht richting slachtoffer [slachtoffer 1] was ingegeven door die psychische stoornis. De advocaat wijst erop dat de verdachte in het verleden volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard en dat uit het testpsychologisch onderzoek blijkt dat over de jaren sprake is van achteruitgang in het cognitief functioneren van de verdachte.

4.2.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de feiten sterk verminderd aan de verdachte kunnen worden toegerekend, maar dat geen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

4.2.3

Oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

In het strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk wordt gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Daarop is een uitzondering: wie een feit begaat dat hem of haar vanwege een psychische stoornis (in het geheel) niet kan worden toegerekend, is niet strafbaar (artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht). Van volledige ontoerekeningsvatbaarheid is sprake als aan drie vereisten is voldaan:

  1. de verdachte heeft een psychische stoornis (of psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap) op het moment van het gepleegde feit;

  2. er is sprake van een direct verband tussen het bewezen verklaarde feit en die stoornis; en

  3. de stoornis is zodanig dat deze in de weg staat aan toerekening van het strafbare feit aan de verdachte.

De rechter kan beslissen dat het feit niet aan een verdachte kan worden toegerekend als –kortgezegd – de verdachte als gevolg van zo’n stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was óf niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.

Het is aan de rechtbank zelf om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde feit sprake was van een stoornis. Om een oordeel te kunnen geven over deze vragen, is echter de expertise van gedragsdeskundigen ingeroepen. Zij adviseren de rechtbank over de persoonlijkheid van de verdachte en over de eventuele aanwezigheid van een stoornis.

Het advies van de gedragsdeskundigen

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro-Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC) van 9 juli 2026, opgemaakt door M.F. de Vries, psychiater, en M.C.F. Hoes, GZ-psycholoog. Zij adviseren om de feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Bij de verdachte is diagnostisch sprake van schizofrenie met multipele episoden, momenteel gedeeltelijk in remissie. De verdachte heeft in 2014/2015 een eerste langdurende psychotische episode met ernstige en floride psychotische symptomen in de vorm van paranoïde wanen (de overtuiging achtervolgd en belaagd te worden), betrekkingswanen (de overtuiging dat alledaagse zaken betrekking op je hebben) en hallucinaties (het horen van stemmen die er niet zijn) gehad. Uit de voorgeschiedenis blijkt dat nog meermaals sprake is geweest van duidelijk geobjectiveerde psychoses met dezelfde symptomen (paranoïde wanen, het horen van stemmen en agitatie). Bij de verdachte is sprake van een voor de diagnose kenmerkende ‘knik in de levenslijn’, waarbij de verdachte na het ontstaan van de ziekte, rond zijn 21e jaar, niet meer terugkomt op het oude niveau van functioneren. Uit het testpsychologisch onderzoek blijkt dat over de jaren sprake is van een mate van achteruitgang in het cognitief functioneren en dan met name voor wat betreft het werkgeheugen en de verwerkingssnelheid, eveneens passend bij de diagnose.

Omdat schizofrenie een chronische aandoening betreft kan gesteld worden dat deze aanwezig was ten tijde van de feiten. Ondanks antipsychotische medicatie is bij de verdachte ook tijdens het onderzoek in het PBC nog sprake van een paranoïde denken en een verhoogde achterdocht. De verdachte heeft de overtuiging dat mensen uit zijn buurt negatief over hem spraken en dat hij in de gaten werd gehouden.

De gedragsdeskundigen menen dat verdachtes paranoïde psychotische klachten en dan met name zijn gestoorde realiteitstoetsing, zijn gevoel van onveiligheid en zijn diepe gevoel van eenzaamheid, aanzienlijk hebben doorgewerkt in de feiten. Dat werd versterkt door zijn beperkte emotieregulatie-, impulscontrole en agressieregulatie, en de met de psychose samenhangende oordeels- en kritiekstoornissen (waarbij het hem niet lukt te komen tot een meer adequate oplossingsstrategie voor zijn problemen). De gedragsdeskundigen menen dat al deze forensisch relevante factoren aanzienlijk hebben doorgewerkt, in die mate dat zij het handelen van de verdachte in zeer sterke mate bepaald hebben. Tegelijkertijd hebben de gedragsdeskundigen ook stilgestaan bij de momenten in de directe aanloop tot en ten tijde van de feiten, die meer planmatig en doordacht aandoen, waardoor zij menen dat de verdachte het zicht op zijn handelen ook niet volledig ontnomen was. De gedragsdeskundigen maken de weging dat het handelen van de verdachte in sterke mate bepaald werd door de bij hem vastgestelde psychotische problematiek, maar niet onontkoombaar en allesoverheersend. Zij adviseren hem de feiten in een sterk verminderde mate toe te rekenen.

Op de zitting is uitgebreid stilgestaan bij dit advies en de psychiater en de psycholoog hebben nadere vragen hierover beantwoord. De gedragsdeskundigen hebben toegelicht dat de psychische stoornis van de verdachte aanzienlijk heeft doorgewerkt in de feiten. Vanuit de met de psychose samenhangende oordeels- en kritiekstoornissen lukte het de verdachte niet om een meer adequate oplossing te vinden, zoals het gesprek aangaan met een behandelaar. Het plan van de verdachte om uit het leven te stappen door “suicide by cop” lijkt ook te zijn ingegeven vanuit zijn persoonlijkheidstrekken en negatieve ervaringen met ‘uniformen’. Hoewel de verdachte sterk gestuurd werd vanuit zijn stoornis (het paranoïde denken, de verhoogde achterdocht en een lijdensdruk door isolatie en eenzaamheid) kon de verdachte nog wel keuzes maken, en had hij ook een begrip van de wederrechtelijk van zijn handelen. De deskundigen hebben toegelicht dat zij doordachte momenten voorafgaand en tijdens de tenlastegelegde feiten hebben meegewogen. De deskundigen hebben op de zitting ook het verschil met de eerder in 2016 geadviseerde volledige ontoerekeningsvatbaarheid toegelicht, waarbij sprake was van actieve paranoïde wanen richting een specifieke (en volstrekt willekeurige man) die resulteerde in het aanvallen van die man met een mes.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de rapportage van de deskundigen en de door hen op de zitting gegeven toelichting vast dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie met multipele episoden. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van de feiten.

Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om vast te stellen dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten de wederrechtelijkheid van zijn handelen in het geheel niet kon begrijpen of dat hij in het geheel niet in overeenstemming met dat besef kon handelen. Uit de rapportage volgt dat de verdachte nog enig inzicht en controle had over zijn gedragingen. Zijn begrip van de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen was in die zin niet dusdanig verstoord, dat hij dat niet kon begrijpen.

Op de zitting heeft de verdachte desgevraagd ook verklaard dat de brandstichting een vergeldingsactie was. Hij wilde wraak nemen op de eigenaar van de bedrijfsbussen omdat die persoon hem een paar dagen eerder uit een café had gezet. Later op de avond heeft hij een mes getoond aan een man op een feest, zodat zij de politie zouden bellen. Hij wilde dat de politie hem als bedreiging zou zien zodat zij hem uiteindelijk zouden doodschieten. Ook daaruit maakt de rechtbank op dat de verdachte een begrip had van de wederrechtelijkheid van zijn handelen (dus wat wel en niet mag).

De rechtbank ziet in de doordachte momenten in aanloop naar en tijdens de feiten ook enige mate van keuzevrijheid bij de verdachte. In de brandstichting ziet de rechtbank zonder meer dat een verhoogde achterdocht en een gestoorde realiteitstoetsing de verdachte mede tot deze actie hebben aangezet. De verdachte is vanwege een kleine aanleiding (het zonder fysiek contact de deur wijzen van een café) overgegaan tot een buitensporige actie. Anderzijds werd het handelen van de verdachte ook ingegeven door de wens om wraak te nemen en – vervolgens – zelf uit het leven te stappen. Daarmee is de brandstichting niet alleen instrumenteel ingezet, maar was deze ook gericht op een ander met een specifieke reden. Daarin onderscheidt de huidige zaak zich van de zaak uit 2016 toen de verdachte een willekeurige man in een winkelstraat aanviel vanwege achtervolgingswanen. Met de eigenaar van de bedrijfsbussen, [slachtoffer 1] , heeft de verdachte wel een voorgeschiedenis. Daarmee is het handelen (de brandstichting) niet alleen tot stand gekomen door verhoogde achterdocht en een verstoorde realiteitszin, maar ook door de wil tot wraak.

In wat na de brandstichting volgt, ziet de rechtbank een soortgelijk patroon. De politie wordt deels gekozen vanwege negatieve ervaringen met de politie (en andere autoriteitsdragers) in zijn verleden, maar deels is die keuze opnieuw instrumenteel: de verdachte wilde groots en strijdvaardig aan zijn einde komen, en heeft mede daarom een gewapende tegenstander uitgekozen. Ook in dat opzoeken heeft de verdachte keuzes gemaakt. Het bedreigen van aangever [slachtoffer 2] was zo’n keuze. Op die manier verzekerde de verdachte zich ervan dat de politie ter plaatse zou komen. Net als voor de actie richting [slachtoffer 1] geldt ook voor de bedreigingen van de politieambtenaren dat de verdachte weliswaar verhoogd achterdochtig was en dat zijn realiteitstoetsing was aangetast, maar ook dat de verdachte een plan had en in de uitvoering daarvan keuzes heeft gemaakt die niet alleen vanuit zijn stoornis verklaard kunnen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte enigszins in staat was om in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van zijn handelingen te handelen, dus om zichzelf daarvan te weerhouden.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten enige mate van begrip van de wederrechtelijkheid van zijn handelen had én ook in enige mate in staat was om zijn handelen te sturen. Gelet hierop kan van volledige ontoerekeningsvatbaarheid geen sprake zijn. De rechtbank zal het advies van de deskundigen volgen om de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

4.2.4.

Conclusie

De feiten kunnen in sterk verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte strafbaar is. Daarnaast is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of de verdachte uitsluiten.

5 Straf en maatregel

5.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd:

  • tbs met dwangverpleging;

  • een contactverbod met aangever [slachtoffer 1] en diens partner [C] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 3 jaar, met het dadelijk uitvoerbaar verklaren van dit contactverbod.

5.2

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat het van belang is dat de verdachte op korte termijn behandeld gaat worden voor zijn problematiek. De advocaat verzoekt de rechtbank om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat verzoekt de rechtbank om niet de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Er is geen reden om aan te nemen dat de verdachte contact met aangever [slachtoffer 1] opneemt of zal gaan opnemen.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf en maatregelen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden daarbij mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich in de laatste uren van 2025 en de eerste uren van het nieuwe jaar, schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft daarbij eerst twee bedrijfsbussen in de brand gestoken omdat hij een aantal dagen daarvoor de kroeg was uitgezet door aangever. Ter vergelding is de verdachte overgegaan tot het in brand steken van de bussen van het bedrijf van de aangever. Deze bussen stonden op dat moment vlak naast het pand waar de aangever zijn bedrijf heeft. Op de bovenste verdieping die in gebruik was als woonruimte, was op dat moment iemand aanwezig. Doordat deze persoon snel de brandweer heeft gebeld toen hij de brand ontdekte, kon worden voorkomen dat de brand zou overslaan naar het pand, met alle gevolgen van dien.

Vervolgens is de verdachte naar de skipiste Nieuwegein gelopen, omdat hij daar op de Tafelberg wilde worden doodgeschoten door de politie. Daar aangekomen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een man, die samen met vrienden en familie oud en nieuw aan het vieren was. Dit slachtoffer is daardoor op een nare wijze met de verdachte geconfronteerd en maakte zich zorgen om de veiligheid van zijn familie. De verdachte heeft dit gedaan met het doel dat het slachtoffer de politie zou bellen zodat die ter plaatse zou komen.

Voor de ter plaatse gekomen agenten heeft zich vervolgens een ruim twee uur durende, bedreigende en intense situatie met de verdachte voorgedaan. Op de bodycambeelden van een van de verbalisanten is te zien dat de verdachte zich verschanst achter een rij bomen met twee grote messen in zijn hand. Eén van de messen bindt hij met een touw aan zijn pols vast. Te horen is dat op de verdachte wordt ingepraat, wat geen enkel effect op hem heeft. De verbalisanten ter plaatse beschrijven in hun processen-verbaal ook hoeveel indruk de situatie op hen maakte, hoe onvoorspelbaar de verdachte op hen overkwam en hoe zij constant het gevoel hadden dat de verdachte tot een aanval kon overgaan. Die nacht is ook de hulp ingeroepen van de Dienst Speciale Interventies om de verdachte te overmeesteren. Uit wat door de agenten van de DSI is opgeschreven blijkt dat deze situatie en het onvoorspelbare gedrag van de verdachte ook voor hen angstwekkend was. Het loslaten van een hond van de DSI op de verdachte maakte geen indruk op hem, de verdachte heeft de hond meerdere malen met een mes gestoken, waarna de verdachte wist weg te rollen uit het zicht van de politie. Toen hij eenmaal met behulp van een politiehelikopter was gezien en de leden van de DSI hem wilde aanhouden, is de verdachte met messen in de hand op hen afgerend, waardoor zij zich genoodzaakt voelde om de verdachte, die hen tot op korte afstand was genaderd, neer te schieten.

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij die nacht geen ander doel had dan om door de politie te worden doodgeschoten en “strijdvaardig” ten onder te gaan. De verdachte heeft geen blijk gegeven van begrip voor de angst en stress die dit voor de agenten heeft meegebracht. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij agenten en politieambtenaren van de DSI op deze intense wijze heeft bedreigd.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit een uittreksel van het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in het verleden meermalen voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat de feiten zo ernstig en gevaarlijk zijn dat oplegging van geen andere straf gerechtvaardigd is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank er rekening mee dat de bewezen verklaarde feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank ziet geen redenen om een gevangenisstraf op te leggen voor de duur zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal aan de verdachte namelijk ook de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging opleggen. Deze maatregel brengt naar zijn aard een langdurige vrijheidsbeneming mee. De rechtbank vindt het van belang, voor zowel de samenleving als voor de verdachte zelf, dat zo snel mogelijk wordt gestart met behandeling van zijn problematiek, en de rechtbank is ermee bekend dat deze behandeling niet meteen zal kunnen aanvangen als gevolg van wachttijden. Gelet op dit alles zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan de tijd die de verdachte tot het moment van het doen van uitspraak, op 26 oktober 2026, in voorarrest heeft doorgebracht. Dat is in totaal 288 dagen.

Tbs-maatregel met dwangverpleging

De rechtbank heeft kennisgenomen van de hiervoor al besproken Pro-Justitia rapportage van het PBC van 9 juli 2026. Hieruit blijkt dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie met multipele psychotische episodes. Uit de rapportage blijkt verder dat sprake is van een hoog recidiverisico. De eenzaamheid en pathologische achterdocht van de verdachte lijken een belangrijke risicofactor te zijn (omdat hij weinig te verliezen heeft). Daarnaast zijn er weinig beschermende factoren. De deskundigen komen, als met een gestructureerd risico-taxatie instrument (HCR-20-v3) naar de kans op recidive op geweld gekeken wordt, tot een hoog risico op gewelddadig recidive. Hoewel bij de verdachte sprake is van een mate van ziekte-inzicht en ziekte-besef, is gebleken dat hij grote moeite heeft een vertrouwens- en behandelrelatie aan te gaan met behandelaren. Vanuit zijn achterdocht en een lijdensdruk vanuit zijn eenzaamheid, komt de verdachte tot zeer gevaarlijk gedrag. Daarbij is ook relevant dat de verdachte ook in zeer gestructureerde en beveiligde settingen als een FPC (Forensisch Psychiatrisch Centrum) en PPC (Penitentiair Psychiatrisch Centrum), gekomen is tot geweldplegingen naar anderen.

De deskundigen zijn van mening dat behandeling in het kader van een tbs-maatregel noodzakelijk is ter beperking van het recidive-gevaar. Als gevolg van de eerdere onsuccesvol verlopen tbs met voorwaarden maatregel, verdachtes moeite een behandelrelatie aan te gaan en de eerdere ernstige incidenten, bestaat er bij de deskundigen onvoldoende vertrouwen in het slagen van een behandeltraject in tbs met voorwaarden kader. De deskundigen adviseren dan ook om aan de verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen.

De rechtbank volgt het advies van de deskundigen en legt aan de verdachte tbs met dwangverpleging op. Er is voldaan aan alle wettelijke vereisten om tot oplegging van deze maatregel te komen. Voor de bewezenverklaarde feiten kan op grond van artikel 37a, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een tbs-maatregel worden opgelegd. Bij de verdachte bestond ten tijde van het feit een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, zoals blijkt uit het rapport van de deskundigen. De verdachte vormt een groot gevaar voor de algemene veiligheid van personen. Een ander kader om de maatschappij afdoende te beschermen tegen de gedragingen van de verdachte als gevolg van zijn stoornis ontbreekt. De algemene veiligheid van personen en goederen, vereist dan ook de maatregel van terbeschikkingstelling.

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de verdachte, die in verband met de maatschappelijke veiligheid noodzakelijk is, alleen kan plaatsvinden in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging. Minder vergaande mogelijkheden, zoals een tbs-maatregel met voorwaarden, om het herhalingsgevaar te verminderen zijn niet mogelijk gelet op de volgende omstandigheden. Aan de verdachte is eerder de tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd. De verdachte heeft zich toen niet aan de voorwaarden gehouden, waardoor die maatregel is omgezet naar tbs met dwang. De verdachte heeft maar beperkt ziekte-inzicht. Daarom acht de rechtbank de kans klein dat de verdachte zich (ditmaal wel) aan voorwaarden kan houden. Daarbij speelt zijn achterdocht naar anderen en de noodzaak van het opbouwen van een langdurige behandelrelatie een grote rol. Tot slot kan alleen een langdurige en intensieve behandeling in een zeer gestructureerde en beveiligde setting de maatschappij voldoende veiligheid bieden. Niet alleen is het recidive risico op zeer gevaarlijk gedrag -zonder behandeling- bij terugkeer in de maatschappij hoog, maar ook heeft de verdachte nog tijdens zijn huidige detentie gepoogd om het dienstwapen van zijn begeleider vanuit de penitentiaire inrichting te bemachtigen. Dit alles toont voor de rechtbank aan dat een tbs-maatregel met voorwaarden niet langer tot de reële mogelijkheden behoort. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging passend en noodzakelijk is.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr stelt de rechtbank vast dat de onder 1, 2, 3 en 5 bewezen geachte feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De verdachte heeft een persoon en politieagenten bedreigd door (grote) messen te tonen, daarmee te zwaaien, en (uiteindelijk) met die messen op politieagenten af te rennen. Daarnaast heeft de verdachte brandgesticht waarbij levensgevaar te duchten was. Deze feiten veroorzaken gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Dit maakt dat de totale duur van de tbs niet gemaximeerd is en dus niet is beperkt tot de duur van vier jaar.

Maatregel 38v Sr

De rechtbank ziet geen aanleiding voor oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met aangever [slachtoffer 1] en zijn echtgenote. Op grond van de wet kan deze maatregel worden opgelegd ter voorkoming van herhaling van strafbare feiten of belastend gedrag jegens personen. Niet gebleken is dat de verdachte gedurende de tijd in voorarrest direct of indirect geprobeerd heeft om contact met [slachtoffer 1] op te nemen. Op de zitting heeft de verdachte verklaard hier ook geen behoefte aan te hebben. Daarbij komt dat de verdachte voor lange tijd vast blijft zitten, zodat hij niet alleen in contact sterk beperkt wordt maar de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis mocht hij dat toch (vanuit de PI en/of tbs kliniek) doen eveneens niet mogelijk is. Onder deze omstandigheden is de oplegging van de 38v-maatregel naar het oordeel van de rechtbank niet nodig.

6 In beslag genomen voorwerpen

6.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat het onder de verdachte inbeslaggenomen messen worden onttrokken aan het verkeer.

6.2

Standpunt van de verdediging

De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de in beslag genomen messen onttrekken aan het verkeer, nu met betrekking tot deze voorwerpen de onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

7 Vordering benadeelde partij

7.1

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 12,109,49 aan materiële schade voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. € 149,32 voor het huren van een vervangende werkbus;

  2. € 7.478,60 voor vervanging van de beschadigde bestrating naast het pand;

  3. € 4.481,57 aan verlies aan arbeidsvermogen.

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding, nu de benadeelde partij de door hem gestelde schade niet dan wel onvoldoende met stukken heeft onderbouwd.

7.3

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering tot schadevergoeding.

7.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij vergoeding vordert van schadeposten, als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde, die hij niet in persoon heeft geleden, maar dat het gaat om schade die de besloten vennootschap [bedrijf] (een niet natuurlijk persoon) heeft geleden. Nu de schade niet rechtstreeks door [slachtoffer 1] in persoon is geleden en ook niet blijkt dat [bedrijf] B.V. hem heeft gemachtigd om namens haar in deze procedure schade te vorderen, heeft dat tot gevolg dat de rechtbank [slachtoffer 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan, voor zover van belang, de schadevergoedingsmaatregel aan een verdachte worden opgelegd indien en voor zover de verdachte tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde feit Van [bedrijf] B.V. materiële schade heeft geleden (bestaande uit de huur voor een vervangende werkbus en een verlies aan inkomsten wegens het moeten annuleren van opdrachten in de eerste week van januari) en dat de verdachte hiervoor aansprakelijk is. De rechtbank ziet daarom aanleiding om op grond van artikel 36f Sv aan de verdachte de verplichting op te leggen om ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf] B.V. een bedrag aan de Staat te betalen (de ‘schadevergoedingsmaatregel’). De Staat zal dat bedrag vervolgens aan het slachtoffer uitkeren.

De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 3.149,32 billijk is. Deze vergoeding bestaat uit € 139,32 voor de huur van een vervangende bus en € 3.000,- aan gederfde inkomsten. De rechtbank begroot de schade als gevolg van verlies aan inkomsten lager omdat, zo bleek uit de toelichting van [A] op zitting, in de offertes die bij de vordering zijn gevoegd ook materiaalkosten zijn opgenomen. Over de schadepost voor de vervangende bestrating bestaan vooralsnog teveel onduidelijkheden om daar een bedrag voor toe te kennen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal aan de verdachte daarom de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor in totaal € 3.149,32.

Wettelijke rente

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026 (einde van de periode van inkomstenverlies) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 31 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf, maatregel en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- 36 b, 36c, 36f, 37a, 37b, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en

- 2.1 en 8.12 van de Wet dieren.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 288 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

terbeschikkingstelling met dwangverpleging

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

beslag (feit 2,3,4,5)

- onttrekt de volgende voorwerpen aan het verkeer:

  • 1 STK Mes (PL0900-2026000391-G3644148);

  • 1 STK Mes (PL0900-2026000391-G3644146);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

  • verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

schadevergoedingsmaatregel

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] B.V. aan de Staat

€ 3.149,32 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 31 dagen gijzeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Coenen, voorzitter en mr. J.P. Verboom en mr. M.J. Terstegge, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.

Mr. Terstegge is niet in staat

dit vonnis mede te ondertekenen

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 december 2025 te Utrecht opzettelijk brand heeft gesticht, door (een jerrycan en/of gieter) benzine, althans een brandbare stof over een of meerdere, bestelwagen(s) te gieten en/of dit vervolgens in aanraking te brengen met open vuur ten gevolge waarvan meerdere bestelwagens (te weten merk MAN, type TGE met kenteken [kenteken] en/of [kenteken] ), geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan

gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voor voornoemde bestelwagen(s) en/of de/het zich in voornoemde bestelwagen(s) bevindend(e) goed(eren) en/of voor het in de nabijheid van voornoemde bestelwagen(s) gelegen pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was,

en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de

bewoner van het naastgelegen pand, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 31 december 2025 te Utrecht [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

opzettelijk dreigend een mes, althans een scherp of puntig voorwerp ter hand te nemen

en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (tot op zeer korte afstand) te

benaderen en/of (vervolgens) dat mes aan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te tonen

en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te houden;

3.

hij op of omstreeks 31 december 2025 te Utrecht

- [politieagent 1] , inspecteur bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 2] , aspirant bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 3] , inspecteur bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 4] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 5] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 6] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland en/of

- [politieagent 7] , inspecteur bij de Eenheid Midden-Nederland

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend een of meer mes(sen), althans een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), ter hand te nemen en/of (vervolgens) voornoemde verbalisanten (tot op zeer korte afstand) te benaderen en/of (vervolgens) dat mes aan voornoemde verbalisanten te tonen en/of (vervolgens) met dat mes zwaaiende en/of slijpende en/of stekende bewegingen te maken in de richting van en/of naar het lichaam van voornoemde verbalisanten en/of (hierbij) dreigend de woorden toe te voegen: “als jullie naar me toe komen, maak ik jullie af”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 1 januari 2026 te Utrecht zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond, pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meermalen, voornoemde hond in zijn kop, althans zijn lichaam, te steken en/of te snijden;

5.

hij op of omstreeks 31 december 2025 te Utrecht

- een politieambtenaar DSI- [nummer] (lid van de Dienst Speciale Interventies) en/of

- een politieambtenaar DSI- [nummer] (lid van de Dienst Speciale Interventies) en/of

- een politieambtenaar DSI- [nummer] (lid van de Dienst Speciale Interventies) en/of

- een politieambtenaar DSI- [nummer] (lid van de Dienst Speciale Interventies)

heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door opzettelijk dreigend een of meer mes(sen), althans een of meer scherp(e) en/of of puntig(e) voorwerp(en), ter hand te nemen en/of (vervolgens) voornoemde verbalisanten (tot op zeer korte afstand) te benaderen en/of (vervolgens) dat mes aan voornoemde verbalisanten te tonen en/of met dat mes zwaaiende bewegingen te maken en/of (vervolgens) op voornoemde verbalisanten af te rennen;