UitspraakStrafrecht

Rechtbank Limburg10 juli 2026

ECLI:NL:RBLIM:2026:6770 · Zaaknummer 03/314770-23

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onderzoek Yvoir. Bewezenverklaring van het medeplegen van cocaïnehandel. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/314770-23

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1995,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.H.L. Antonides, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Deze zaak is gelijktijdig (maar niet gevoegd) behandeld met de strafzaken tegen de volgende medeverdachten:

  • [medeverdachte 1] , met parketnummer 03/322392-23 (hierna: [medeverdachte 1] );

  • [medeverdachte 2] , met parketnummer 03/322372-23 (hierna: [medeverdachte 2] );

  • [medeverdachte 3] , met parketnummer 03/314758-23 (hierna: [medeverdachte 3] ).

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 1 mei 2021 tot en met 28 november 2023 samen met anderen opzettelijk cocaïne heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat er enkel sprake is van medeplegen voor de periode van één of twee weken dat hij de dealtelefoon in zijn beheer had en dat hij gedurende bepaalde periodes geen strafbare handelingen heeft verricht.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Inleiding

In 2022 en 2023 ontvangt het Team Criminele Inlichtingen van de Eenheid Limburg diverse meldingen over een drugsorganisatie in Venray die zich bezighoudt met de verkoop van hard- en softdrugs. In de meldingen worden meerdere namen van vermoedelijke leden van de organisatie genoemd en er wordt gesproken van een dealtelefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] waar men drugs kan bestellen die vervolgens door koeriers wordt bezorgd. Naar aanleiding van deze informatie wordt een onderzoek ingesteld en op basis van de onderzoeksresultaten worden onder meer [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als verdachten aangemerkt voor de handel in cocaïne in en rondom Venray.

De rechtbank zal hieronder de bewijsmiddelen weergeven op grond waarvan zij het feit bewezen acht en zal daarna ingaan op de verweren van de verdediging.

3.3.2

Bewijsmiddelen 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte dit feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).

- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026;2

- de processen-verbaal van pseudokoop;3

- de processen-verbaal van de indicatieve testen;4

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen;5

- de NFiDENT-rapporten;6

- de processen-verbaal van bevindingen van onderzoek aan de iPhone 12 Pro Max in gebruik bij de verdachte.7

Bewijsoverweging

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende de gehele tenlastegelegde periode cocaïne heeft gedeald, ‘met pieken en dalen’. Dit ging over grote en kleine hoeveelheden. Soms deed hij de inkoop en verkoop van kiloblokken voor een commissie van € 250,- per blok. Soms verkocht hij gebruikershoeveelheden aan eindklanten. In augustus 2023 heeft hij twee weken ‘de’ dealtelefoon uit het onderzoek Yvoir beheerd. Daarna heeft hij ook met zijn eigen telefoon koeriers aangestuurd. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring goed past in de onderzoeksresultaten. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat de inkoop plaatsvond ten behoeve van de organisatie waarvan de verdachte en zijn medeverdachten volgens het onderzoek Yvoir deel uitmaakten. Voor de bewezenverklaring als zodanig is dat niet van belang, maar de rechtbank baseert haar bewezenverklaring uitdrukkelijk op het scenario dat de verdachte zelf schetst. Op basis daarvan is het medeplegen slechts bewezen voor de laatste vier maanden van de tenlastegelegde periode. De rechtbank zal dit oordeel niet tot uitdrukking brengen door de bewezenverklaring te splitsen in twee periodes, maar wel meewegen bij de straftoemeting.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de periode van 1 mei 2021 tot en met 28 november 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de proceshouding van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Zij heeft verzocht om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 137 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de 228 dagen voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd zich te kunnen voorstellen dat de rechtbank een langer voorwaardelijk strafdeel of een langere proeftijd passend acht, dan wel een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest in combinatie met een onvoorwaardelijke straf in de vorm van een taakstraf van 240 uren.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim tweeëneenhalf jaar schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. De verdachte beheerde twee weken een dealtelefoon van een professioneel opererende organisatie die via een gezamenlijk dealnummer cocaïne verkocht in de gemeente Venray en omliggende dorpen. Ook stuurde hij daarna gedurende enkele maanden via zijn eigen telefoon koeriers aan door hen de locaties van de afnemers, tijdstippen en instructies door te geven. Daarnaast hield hij zich soms bezig met de inkoop van kilo’s cocaïne. Hij fungeerde daarbij naar eigen zeggen als tussenpersoon, ontving daarvoor commissie en had de blokken cocaïne bovendien een enkele keer zelf in handen. De verdachte heeft daarmee ook een faciliterende rol gehad en zo de handel in cocaïne mede mogelijk gemaakt. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte structureel onderdeel was van de organisatie die het onderzoek Yvoir op het oog had, maar de verdachte heeft wel heel lang op allerlei manieren bijverdiend aan cocaïnehandel.

De handel in cocaïne vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en gaat bovendien vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit en maatschappelijke overlast. Het op de markt brengen van harddrugs vormt daarnaast een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Door zich op deze manier gedurende lange tijd met de handel daarin bezig te houden heeft de verdachte de instandhouding van het drugscircuit bevorderd. Hij heeft zich daarbij kennelijk uitsluitend laten leiden door financieel gewin en heeft geen oog gehad voor de gevolgen van zijn handelen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie in zijn eis de enige passende strafmodaliteit heeft gekozen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft daarbij tevens acht geslagen op het strafblad van de verdachte en het reclasseringsadvies van 22 mei 2026.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn proceshouding ter terechtzitting. De verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft verklaard voor zijn gezin te kiezen. Hij onderscheidt zich daarmee van de andere drie hoofdverdachten. De rechtbank heeft er daardoor ook meer vertrouwen in dat de verdachte niet zal recidiveren. De rechtbank wil deze situatie bestendigen en zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Enerzijds wordt de verdachte hierdoor geconfronteerd met de ernst van zijn handelen en anderzijds heeft het voorwaardelijk deel van de straf als doel de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijke strafbare feiten te plegen.

De rechtbank stelt voorts vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is op 28 november 2023 in verzekering gesteld, dus de redelijke termijn is overschreden met 7,5 maand. Gelet op de beperkte duur van die overschrijding in combinatie met de omvang van de zaak zal de rechtbank deze overschrijding in licht strafmatigende zin meewegen bij het bepalen van de op te leggen straf.

Alles overwegende zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.C. van den Munckhof en mr. L.M.N.F. Roelofs, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juli 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 mei 2021 tot en

met 28 november 2023 in de gemeente Venray, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;