UitspraakStrafrecht

Rechtbank Gelderland15 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8003 · Zaaknummer 05/235280-24

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor cocaïnehandel en het voorbereiden van het verkopen, vervoeren, afleveren en verstrekken van cocaïne. Procesafspraken. De rechtbank oordeelt dat het voorstel in de procesafspraken passend is en in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Hier neemt de rechtbank uitdrukkelijk in mee dat het voorstel niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling van de strafzaak oplevert, maar ook een effectieve afdoening van de zaak.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/235280-24

Datum uitspraak : 15 oktober 2026

Tegenspraak

verkort vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

raadsman: mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2020 tot en met 8 maart 2021, te Apeldoorn, in elk geval in Nederland en/of België en/ofDuitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit,bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereidenen/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,verstrekken en/of vervoeren en/of

van cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid vande Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede teplegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoegelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen vandat feit heeft getracht te verschaffen en/of- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte wist of ernstige reden had om tevermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door (telkens):- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken cocaïne te koop aan te bieden en/of tevragen en/of- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken inlichtingen te geven en/of vragen testellen aan contactpersonen over de beschikbaarheid en/of de prijs (verkoop- en/ofinkoopprijs) en/of de hoeveelheid en/of kwaliteit en/of de levering (inclusieflevertermijn en/of wijze van aflevering) van de aan kopen/te verkopen hoeveelheidcocaïne en/of daarover overleg te voeren en/of waarbij (over en weer)foto’s/afbeeldingen van cocaïne worden gestuurd en/of gevraagd en/of- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken overleg te voeren over (de huidige en/oftoekomstige) aan te houden voorraden en af te spreken reserveringen (al dan nietop bestelling) van hoeveelheden cocaine en/of over (de mogelijkheid van) aan testuren chauffeurs en/of- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken informatie te verstrekken over de doorverdachte in België en/of Duitsland aan te kopen en vervolgens aan te biedencocaïne en/of reeds aangekochte cocaïne en/of- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken afspraken te maken over de leverdata en/ofbetalingswijze van de door verdachte aan te kopen en/of te verkopen cocaïne en/of- in een (encrypted SkyEEC) chatgesprek aan te bieden om de contactpersoon incontact te brengen met een contactpersoon van verdachte in België en/of- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken te overleggen over de mogelijkheid van eentoekomstige samenwerking met betrekking tot de verkoop van cocaïne en/of- een cryptotelefoon voorhanden te hebben;

2.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2020tot en met 8 maart 2021, te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Procesafspraken

Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de mogelijkheid onderzocht tot het maken van procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank heeft een ondertekende “overeenkomst procesafspraken OM en verdachte inzake onderzoek Drakon” ontvangen. In deze overeenkomst zijn door het Openbaar Ministerie, verdachte en zijn raadsman gemaakte procesafspraken opgenomen, waaronder een gemeenschappelijk afdoeningsvoorstel. Partijen beogen daarmee de strafzaak tot een einde te laten komen.

In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

De verdediging

De verdediging zal geen onderzoekswensen indienen of (inhoudelijke) verweren voeren.

  • Verdachte hoeft geen bekennende verklaring af te leggen, maar mag dit uiteraard wel. Hij zal de feiten in elk geval niet ontkennen en er zullen geen verweren worden gevoerd.

  • Verdachte doet met de afspraken – na adequate bijstand te hebben ontvangen – vrijwillig afstand van verdedigingsrechten en is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan. De verdachte zal tijdens de inhoudelijke zitting aanwezig te zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken.

  • Verdachte geeft aan betalingsbereid te zijn, in staat te zijn tot betaling en geen draagkrachtverweer te zullen voeren voor wat betreft zijn financiële verplichtingen voortvloeiende uit de strafzaak.

  • De verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging zal leiden tot een veroordeling van één of meerdere strafbare feiten zoals omschreven in de tenlastelegging.

  • De verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij thans onvoorziene omstandigheden dan wel een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die thans niet wordt voorzien.

  • Verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken.

  • De verdachte en de raadsman zullen in het kader van de inhoudelijke behandeling het bovenstaande herhalen.

Openbaar Ministerie

(…)

Het OM zal ter zitting rekwireren tot:

  • Bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten (…).

  • Een strafoplegging als hieronder weergegeven: Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden en een geldboete ter waarde van € 68.000,- subsidiair 284 dagen vervangende hechtenis.

Overige bepalingen

- De verdachte heeft met deze afspraken – na adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen – vrijwillig afstand gedaan van verdedigingsrechten en is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan.

(…)

  • Door de verdediging en het OM wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdediging en het OM gemaakte afspraken.

  • De verdediging of het OM kan enkel hoger beroep instellen, indien de rechtbank bij de strafoplegging meer dan substantieel afwijkt van de gemaakte procesafspraken, te weten met meer dan 3 maanden gevangenisstraf (naar boven of beneden) en/of bij een geldboete van minder dan € 60.000 of hoger dan € 68.000.

  • Het OM heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen. Dit als gevolg van de overeengekomen geldboete. (…)

Overwegingen van de rechtbank over de procesafspraken

De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.

De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van de procesafspraken tijdens de terechtzitting van 1 oktober 2026 aan verdachte voorgehouden en met hem besproken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens de terechtzitting desgevraagd heeft bevestigd dat hij zich kan vinden in voornoemde procesafspraken die onder meer inhouden dat geen nadere onderzoekswensen worden ingediend, dat geen verweer wordt gevoerd, dat verdachte kan instemmen met een bewezenverklaring overeenkomstig de overgelegde tenlasteleggingen en dat geen hoger beroep wordt ingesteld als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform het afdoeningsvoorstel.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, die gedurende het proces van het maken van procesafspraken en tijdens de terechtzitting is bijgestaan door zijn raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van 1 oktober 2026 van vergewist dat verdachte nog steeds achter de gemaakte afspraken staat. Daarnaast heeft de rechtbank getoetst of de procesafspraken, gelet op wat is bepaald in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, stand kunnen houden. De rechtbank zal alleen de ten laste gelegde periode met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde aanpassen naar datum van eerste verkoop en datum van laatste verkoop, te weten naar: 3 november 2020 tot en met 4 maart 2021.

Alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel. De rechtbank zal daarom beslissen zoals hieronder weergegeven.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2020

tot en met 8 maart 2021, te Apeldoorn, in elk geval in Nederland en/of België en/of

Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit,

bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden

en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren en/of

van cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van

de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te

plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van

dat feit heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte wist of ernstige reden had om te

vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door (telkens):

- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken cocaïne te koop aan te bieden en/of te

vragen en/of

- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken inlichtingen te geven en/of vragen te

stellen aan contactpersonen over de beschikbaarheid en/of de prijs (verkoop- en/of

inkoopprijs) en/of de hoeveelheid en/of kwaliteit en/of de levering (inclusief

levertermijn en/of wijze van aflevering) van de aan kopen/te verkopen hoeveelheid

cocaïne en/of daarover overleg te voeren en/of waarbij (over en weer)

foto’s/afbeeldingen van cocaïne worden gestuurd en/of gevraagd en/of

- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken overleg te voeren over (de huidige en/of

toekomstige) aan te houden voorraden en af te spreken reserveringen (al dan niet

op bestelling) van hoeveelheden cocaïne en/of over (de mogelijkheid van) aan te

sturen chauffeurs en/of

- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken informatie te verstrekken over de door

verdachte in België en/of Duitsland aan te kopen en vervolgens aan te bieden

cocaïne en/of reeds aangekochte cocaïne en/of

- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken afspraken te maken over de leverdata en/of

betalingswijze van de door verdachte aan te kopen en/of te verkopen cocaïne en/of

- in een (encrypted SkyEEC) chatgesprek aan te bieden om de contactpersoon in

contact te brengen met een contactpersoon van verdachte in België en/of

- in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken te overleggen over de mogelijkheid van een

toekomstige samenwerking met betrekking tot de verkoop van cocaïne en/of

- een cryptotelefoon voorhanden te hebben;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2020

3 november 2020 tot en met 8 maart 2021 4 maart 2021, te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (een) materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

en

een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10, voorbereiden of bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft conform het afdoeningsvoorstel gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden en een geldboete van € 68.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 284 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de procesafspraken over te nemen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende ruim vier maanden schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne. Daarnaast heeft hij het verkopen, vervoeren, afleveren en verstrekken van cocaïne voorbereid door onder andere in (encrypted SkyEEC) chatgesprekken cocaïne te koop aan te bieden, inlichtingen te geven of te vragen, overleg te voeren over voorraden, reserveringen te doen van hoeveelheden cocaïne en het maken van afspraken over leverdata en betalingen.

Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, waaronder cocaïne, zeer verslavend zijn. Het gebruik van deze middelen heeft een verwoestend effect op de gezondheid van gebruikers. De handel in harddrugs is zeer lucratief. De productie en verkoop ervan gaat (daarom) vaak samen met andere vormen van zware georganiseerde criminaliteit, waaronder wapenhandel, wapenbezit en bijvoorbeeld ernstige vormen van geweld. Drugshandel is een maatschappij-ontwrichtend feit. Verdachte lijkt zich destijds niet bekommerd te hebben om de gevolgen van zijn handelen en dacht kennelijk alleen aan zijn eigen geldelijk gewin.

De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking met politie en justitie is geweest voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank houdt verder rekening met de positieve ontwikkeling in het leven van verdachte. Verdachte lijkt te hebben gebroken met de drugswereld en heeft een vrouw en vier kinderen. Verdachte heeft zich ontwikkeld door het volgen van opleidingen en heeft werk. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn voor berechting, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM met ruim zeven maanden is overschreden.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Geregeld worden voor dit soort feiten straffen geëist en opgelegd die hoger zijn dan de in de procesafspraken overeengekomen strafeis van de officier van justitie. Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank niettemin acht slaan op de procesafspraken, de grondslagen daarvan en het daaruit voortvloeiende afdoeningsvoorstel. Hierbij overweegt de rechtbank uitdrukkelijk dat het voorstel niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling dient, maar ook een effectieve afdoening van de zaak. Nu de rechtbank in lijn met de overeenkomst procesafspraken oordeelt, vloeit daaruit immers in beginsel voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. Partijen hebben in de overeenkomst opgenomen – en ter zitting herhaald - dat zij zich zullen neerleggen bij een vonnis als de strafoplegging overeenkomt met de daarover gemaakte afspraken. De op te leggen straf kan daarmee onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. De overeenkomst procesafspraken doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de door de officier van justitie neergelegde eis: een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden en een geldboete van € 68.000,00, zoals vastgelegd in de overeenkomst procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie, de raadsman en verdachte onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting en dus in de gegeven omstandigheden een passende straf is. Zij zal die straf dan ook aan verdachte opleggen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij de bij de geldboete behorende aantal dagen vervangende hechtenis overeenkomstig de LOVS-oriëntatiepunten vaststelt op 278 dagen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:

- 23, 24 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) maanden;

 legt op een geldboete van € 68.000,00 (achtenzestigduizend), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 278 dagen hechtenis.

Dit verkort vonnis is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. C.J.M van Oijen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 oktober 2026.