UitspraakBestuursrecht › Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag26 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31523 · Zaaknummer NL26.62116

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep – bewaring – ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.62116

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 22 oktober 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst.1 Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 september 20262 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 september 2026.

4. Eiser voert aan dat niet langer sprake is van zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn. Verweerder heeft op 22 juni 2026 een lp-aanvraag verzonden aan de Algerijnse autoriteiten en sindsdien zes keer schriftelijk en telefonisch gerappelleerd, zonder enige reactie. Niet valt daarom te verwachten dat de Algerijnse autoriteiten bij verdere rappels reageren. Ook spant verweerder zich onvoldoende in om tot een uitzetting van eiser te komen. Het laatste vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden op 22 september 2026 en daarna is hiertoe niets meer ondernomen door verweerder.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld is er in het algemeen zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn naar Algerije.3 Ook heeft de rechtbank eerder al vastgesteld dat dat voor eiser persoonlijk niet anders is. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waardoor zicht op uitzetting naar Algerije nu wel zou ontbreken. De enkele omstandigheid dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag is geen reden om in het specifieke geval van eiser aan te nemen dat zicht op uitzetting ontbreekt. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting door periodiek te rappelleren over de lp-aanvraag en door regelmatig vertrekgesprekken te houden met eiser. Daarbij geldt dat de Algerijnse autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat zij in het geval van eiser geen lp zullen afgeven.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 oktober 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.