UitspraakBestuursrecht › Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag26 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31499 · Zaaknummer NL26.62987

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring – ongegrond – art 59 Vw.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.62987

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Kanters),

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw1 opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Met instemming van partijen is een zitting achterwege gebleven en is volstaan met schriftelijke behandeling. Eiser heeft bij aanvullend beroepschrift van 21 oktober 2026 de gronden van het beroep kenbaar gemaakt. Verweerder heeft op dezelfde dag schriftelijk verweer gevoerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 22 oktober 2026 gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.2 Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring achterwege blijft of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.3 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.4 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.5

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

- a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.

- b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen heeft waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

-c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.

-h) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.

-p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden.

-r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

-s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat alle gronden feitelijk juist zijn en dat daarom een risico op onttrekking kan worden aangenomen.6 Deze gronden zijn samen voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.7 Ook heeft verweerder in de maatregel de gronden gemotiveerd aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval.8

Ambtshalve toets

5. Eiser heeft geen beroepsgronden ingediend en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is geweest.

Conclusie

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 oktober 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hiddouch, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.