UitspraakBestuursrecht › Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag19 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30800 · Zaaknummer NL25.49705

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing visum kort verblijf. Beroep ongegrond. Geen schending hoorplicht. Mondelinge uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.49705

V-nummer: [V nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1999, van Marokkaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. A. El Yahiaoui),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. E. Atabinen).

Procesverloop

Eiser heeft een aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf ingediend.

Met het besluit van 28 april 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De zaak gaat over de aanvraag om een visum voor kort verblijf voor familiebezoek aan de tante van eiser. De aanvraag is afgewezen en het bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard. Eiser is niet gehoord op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb1.

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank is voorlopig akkoord gegaan met dit verzoek. De rechtbank beslist nu dat eiser definitief van het griffierecht wordt vrijgesteld.

3. De enige beroepsgrond is dat eiser ten onrechte niet is gehoord. Het uitgangspunt van de wet is dat er wordt gehoord in bezwaar. Van het horen kan alleen worden afgezien op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

4. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval heeft kunnen afzien van horen. Het primaire besluit bevatte drie tegenwerpingen, waaronder dat het doel en de omstandigheden van het verblijf, en het voornemen om het Schengengebied voor het verstrijken van het visum te verlaten, niet aannemelijk zijn gemaakt. De bezwaren van eiser hiertegen zijn heel algemeen en niet onderbouwd. Eiser heeft de vragenlijst in bezwaar niet teruggestuurd en geen nieuwe informatie in bezwaar overgelegd. De stelling dat eiser mantelzorger is voor zijn moeder, is niet onderbouwd. De minister heeft dus kunnen afzien van horen.

5. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026 door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.