UitspraakCiviel recht

Rechtbank Den Haag14 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30510 · Zaaknummer C/09/701434

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontbinding overeenkomst. Toewijzing. Eiseres mocht uit mededelingen van gedaagde afleiden dat zij tekort zou schieten in de nakoming van de overeenkomst. Ongedaanmakingsverplichtingen. Gedaagde moet de door eiseres betaalde aanbetaling terugbetalen. Schadevergoeding. Beroep van eiseres op exoneratiebeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Procesrecht. Faillissement gedaagde nadat vonnis is bepaald. Afwijking van artikel 7.2 LPR op grond van artikel 20 Rv. Geen verwijzing naar de rol voor het stellen van een nieuwe advocaat.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/701434 / HA ZA 26-262

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V. te [plaats 1] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaten: mr. J.I. Esveldt en mr. R. de Jong

tegen

[gedaagde] B.V. te [plaats 2] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: geen (voorheen mr. P. Wezelenburg).

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 2 maart 2026, met producties 1 tot en met 11;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 17 juni 2026, met productie 1;

- de akte aanvullende producties 12 tot en met 21, tevens houdende akte vermeerdering van eis van [eiseres] , ingekomen op 10 augustus 2026;

- de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen, overgelegd tijdens de op 21 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling van de zaak;

- de akte uitlating van [gedaagde] van 9 september 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2026. Partijen zijn verschenen, vergezeld door hun advocaten. De advocaten hebben de standpunten van partijen nader toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken. Tijdens de zitting is bepaald dat [gedaagde] nog een akte mocht nemen om te reageren op de akte aanvullende producties tevens wijziging van eis van [eiseres] . Op 9 september 2026 is de zaak naar de rol van 14 oktober 2026 verwezen voor het wijzen van vonnis.

1.3.

Bij brief van 15 september 2026 heeft [eiseres] – met instemming van [gedaagde] – de rechtbank bericht dat [gedaagde] , na verlening van voorlopige surseance van betaling op 10 september 2026, op 11 september 2026 in staat van faillissement is verklaard. Omdat alle stukken tot het wijzen van dit (eind)vonnis daarvóór al waren overgelegd en de zaak al voor vonnis stond, heeft dit faillissement geen gevolgen voor het verloop van deze procedure.

1.4.

Op de rol van 14 oktober 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] zich aan de zaak onttrokken. Volgens artikel 7.2 LPR1 wordt de zaak in geval van onttrekking verwezen naar een roldatum van twee weken later voor het stellen van een nieuwe advocaat. Toepassing van artikel 7.2 LPR leidt in dit geval echter tot onredelijke vertraging van de procedure, omdat de zaak op het moment van onttrekking al voor vonnis stond en partijen (dus) toch geen proceshandelingen meer mogen verrichten. De rechtbank ziet hierin aanleiding om op grond van artikel 20 Rv af te wijken van artikel 7.2 LPR; zij zal vandaag gewoon vonnis wijzen, zoals tijdens de mondelinge behandeling van 21 augustus 2026 al was besproken en na de akte uitlating van [gedaagde] van 9 september 2026 ook op de rol was bepaald.

2 De feiten

Op grond van de processtukken en wat tijdens de zitting is besproken, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1.

[eiseres] exploiteert een chrysantenkwekerij.

2.2.

[gedaagde] houdt zich onder meer bezig met de handel in en advisering over tuinbouw lichtarmaturen en aanverwante artikelen. Enig bestuurder van [gedaagde] is [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

2.3.

[eiseres] en [gedaagde] doen al jarenlang zaken met elkaar.

2.4.

Op 26 september 2025 hebben [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten over de verkoop en levering van armaturen en aanverwante artikelen door [gedaagde] voor een nieuwe kas van [eiseres] (hierna: de nieuwbouw). De totale koopsom bedroeg € 1.103.421,86 exclusief btw, te betalen in termijnen. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

"Facturatie:

40% bij opdracht;

30% uiterlijk 10 weken vóór levering;

(…)

Wij gaan de armaturen vanaf week 9 2026 uitleveren o.b.v. 220 stuks per week. dit zijn 8 a 9 deelleveringen in totaal.”

2.5.

In een e-mail van 26 september 2025, die is verzonden aan [gedaagde] vóór het sluiten van de overeenkomst, heeft [naam 2] , medewerker van [gedaagde] (hierna: [naam 2] ), geschreven:

“220/week vanaf week 9 gaat lukken, heb ik bevestigd gekregen. Dit is ook in de offerte opgenomen."

2.6.

In de algemene voorwaarden van [gedaagde] (hierna: de algemene voorwaarden) staat onder meer vermeld:

Artikel 5: Levertijd / uitvoeringsperiode

5.1

De levertijd en/of uitvoeringsperiode worden door [gedaagde] bij benadering vastgesteld en zijn nimmer als fatale termijnen te beschouwen.

(…)

5.8

Als er sprake is van een vertraging in de levering van een Toeleverancier, worden de levertijd en/of uitvoeringsperiode verlengd met de daardoor ontstane vertraging en indien de werkzaamheden vervolgens niet in de planning van [gedaagde] kunnen worden ingepast, zullen de werkzaamheden worden uitgevoerd zodra zijn planning dit toelaat.

(…)

5.10

Overschrijding van de levertijd en/of uitvoeringsperiode geeft Opdrachtgever in geen geval recht op schadevergoeding of ontbinding.

(…)

Aansprakelijkheid

13.1

[gedaagde] is nimmer verplicht tot vergoeding van direct of indirect geleden schade, voortvloeiende uit of ontstaan door gebreken van de door [gedaagde] , Opdrachtgever en/of derden geleverde goederen of diensten/werkzaamheden of door het niet, niet tijdig of niet juist functioneren van de door [gedaagde] , Opdrachtgever en/of derden te leveren of geleverde goederen en/of diensten, behoudens ingeval van opzet of grove schuld van [gedaagde] .

(…)

13.4

Niet voor vergoeding in aanmerking komt:

a. gevolgschade, door welke oorzaak ook ontstaan. Onder gevolgschade wordt onder meer verstaan vertraging in de levertijd van goederen en diensten, stagnatieschade, productieverlies, gederfde winst, transportkosten en/of reis- en verblijfkosten. Opdrachtgever kan zich indien mogelijk tegen deze schade verzekeren;

b. (…)”

2.7.

Op 1 oktober 2025 heeft [eiseres] – in lijn met het overeengekomen betaalschema – de eerste termijn van € 441.368,72 exclusief btw aan [gedaagde] voldaan.

2.8.

Volgens (de tekst van) de overeenkomst zou de tweede termijn “uiterlijk 10 weken vóór levering” aan [eiseres] worden gefactureerd. Toen [eiseres] de factuur voor de tweede termijn eind januari 2026 nog niet had ontvangen, heeft zij [naam 2] hierover gesproken. Daarna is [eiseres] op 4 februari 2026 naar het kantoor van [gedaagde] gegaan voor een bespreking, waarvan zij een verslag heeft gemaakt. In dat verslag, dat zij op 6 februari 2026 om 6:39 uur per e-mail aan [gedaagde] heeft toegestuurd, staat onder meer:

“[naam 3] en [naam 4] , wij, zijn woensdag middag 4 februari 2026 om 15:45 bij jou [naam 1] , daar aanwezig, langs geweest om na te vragen wat er met de levering van de bestelde lampen aan de hand is maar ook waarom de 2e factuur nog niet ontvangen is. Bij eerder navraag bij [naam 2] kwam er geen bevredigend antwoord wat ons veel onrust gaf.

Tijdens ons gesprek is door jou gemeld dat een essentieel onderdeel niet leverbaar is. Je gaf aan dat de lampen nooit op tijd en zeer waarschijnlijk helemaal niet geleverd gaan worden. Je gaf aan dat het op dit moment niet goed gaat met het bedrijf [gedaagde] .

Je vertelde dat de 3 kanaal Lampen die vorig jaar bij [bedrijfsnaam] geïnstalleerd zijn een uitval gaven van 4 a 5%. Je gaf aan dat de uitval veroorzaakt werd dooreen onderdeel wat nav deze uitval uit productie is genomen door jullie leverancier.

Het essentiële onderdeel ontbreekt nu voor de assemblage van onze 4 kanaals lampen. Je vertelde dat de productie van onze lampen daardoor niet heeft plaats gevonden. Je gaf aan dat op dit moment geen uitzicht op een oplossing. Ook vertelde je dat de afdeling R&D van [gedaagde] deze week nog bezig

was met de laatste opties tot een oplossing. Je gaf aan dat je aanstaande maandag met ons in contact had willen treden om mede te delen dat het niet mogelijk was om de lampen te leveren.

Tevens gaf je aan dat de 1e termijn van € 534.056,15 (inclusief BTW) niet terugbetaald kan worden omdat dit nodig was ter financiering van de onderdelen die inmiddels wel aanwezig zijn.”

2.9.

In een e-mail van 6 februari 2026 heeft [naam 2] , in antwoord op een e-mail van [eiseres] aan [gedaagde] over de planning, onder meer geschreven dat [gedaagde] “de armaturen bridge en repeaters niet op tijd [kan] leveren”. In deze e-mail heeft [naam 2] verder geschreven dat [eiseres] hem kan benaderen voor vragen over (door hem gemaakte lichtberekeningen voor) een tijdelijke oplossing op basis van de armaturen die [eiseres] zelf al had. Voor inhoudelijke vragen over de levering van de nieuwe armaturen verwees [naam 2] [eiseres] naar [naam 1] .

2.10.

[eiseres] heeft diezelfde dag (op 6 februari 2026) telefonisch contact gehad met [naam 2] . [eiseres] heeft hierover per e-mail het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“Goedemorgen [naam 2] ,

Zojuist hebben we telefonisch contact gehad, hierbij heb ik de vraag gesteld welke fysieke oplossing [gedaagde] wel kan leveren als alternatief en/of tijdelijke oplossing. Hierbij geef jij aan dat [gedaagde] geen enkele fysieke (al dan niet tijdelijk) kan leveren. Wat [gedaagde] uitsluitend wel kan en wil doen is het uitrekenen van belichtingsmodellen, waarbij bestaande lampen van [eiseres] uit een andere kas van [eiseres] worden gehaald en worden opgehangen in de nieuwbouw Zuid A. Of bij ons op locatie meedenken met onze fysieke voorzieningen, verder zijn er vanuit [gedaagde] geen mogelijkheden momenteel, geef jij aan.

Ik zal dit verder oppakken met [naam 1] .”

2.11.

Vervolgens is [eiseres] , nog steeds op 6 februari 2026, naar het kantoor van [gedaagde] gereden voor een bespreking met [naam 1] . Van deze bespreking heeft [naam 1] een gespreksverslag gemaakt (niet overgelegd) dat hij aan [eiseres] heeft gestuurd. [gedaagde] heeft in reactie op dat verslag op 11 februari 2026 een eigen verslag aan [gedaagde] gemaild; in het verslag van [eiseres] staat het volgende:

“Reactie op gesprekverslag vanuit CJ vd Dool; inhoudelijk enkele nuance verschillen, bij [bedrijfsnaam] zijn 2 kanaal lampen en niet de 3 kanaal lampen.

Inhoudelijk is er gesproken over mogelijke technische oplossingen als mogelijke alternatieve oplossing voor het huidige probleem en welke onderdelen een probleem zijn. Kiep heeft de mogelijkheid om tijdelijk eigen lampen te verplaatsen en daardoor enkele maanden tijd winnen. Er zit vertraging op de lens en de pakking. Er is een probleem met de software in de drivers, dit ligt bij de R&D afdeling van het productiebedrijf in China, het is in het verleden ook al eens opgelost en daardoor niet onmogelijk om dit probleem ook op te lossen. Besproken om de bestelde lampen simpeler te maken door bijvoorbeeld de gehete draadloze

besturing inclusief dimmen en kanaal sturingen achterwege te laten en alleen aan en uit te schakelen d.m.v. magneetschakelaars. Dit is niet mogelijk omdat de software intern in de drivers nodig is om de lampen te laten branden. Ook is er nog een probleem met een onderdeel van een moederboard vanwege keuring en/of toelating.

Besproken dat als deze 3 vertragingen in de tijd oplosbaar zijn, waarom er dan geen oplossing mogelijk is. Hieruit is aangegeven dat het probleem financieel is. Om deze componenten te kunnen laten komen moet eerst betaald worden en deze financiële middelen zijn er niet.

De reeds bestelde en in NL aanwezige componenten/voorraden voor de lampen zitten in een zusteronderneming. Het is volgens [naam 1] daardoor niet mogelijk deze fysiek over te nemen.

Er is geen hoop om dit vlot te trekken vanuit [gedaagde] . Omdat de continuïteit van ons bedrijf [eiseres] onder druk komt vanwege de aanbetaling zijn we genoodzaakt juridische stappen te ondernemen. Deze brief hebben we gemaild en uitgeprint achtergelaten. We hopen dat er een mogelijke manier is om dit niet te hoeven doorzetten.

Opmerkingen bij de brief door [naam 1] , de problemen waren niet bekend bij het sluiten van de overeenkomst, dit is pas later bekend geworden. De 3 dagen gestelde termijn is te snel om stappen te kunnen nemen.”

2.12.

Na deze bespreking, nog steeds op 6 februari 2026, heeft [eiseres] een brief van haar advocaat aan [naam 1] overhandigd. Daarin staat dat:

  • [eiseres] uit mededelingen van [naam 1] en [naam 2] afleidt dat de armaturen niet meer geleverd kunnen worden door [gedaagde] en dat [gedaagde] ook geen alternatieve oplossingen heeft om alsnog aan haar verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen, waardoor [eiseres] gerechtigd is de overeenkomst te ontbinden;

  • [eiseres] [gedaagde] in de gelegenheid stelt om haar verplichtingen op grond van de overeenkomst binnen drie dagen (alsnog) na te komen en “daarvoor afdoende zekerheid te stellen op een voor [eiseres] conveniërende wijze”;

  • als [gedaagde] hieraan niet (tijdig) voldoet, de overeenkomst wordt ontbonden, [gedaagde] aansprakelijk wordt gehouden voor alle schade van [eiseres] en [gedaagde] ook het betaalde voorschot, vermeerderd met rente, onverwijld moet terugstorten.

In deze brief staat verder, voor zover relevant:

“[ [eiseres] ] staat open voor een oplossing, maar die oplossing dient dan wel binnen drie dagen na heden (schriftelijk) duidelijk te worden. En er zal voldoende zekerheid moeten worden geboden. Zekerheid kan bestaan uit het stellen van een bankgarantie of de levering van voorraad of machines ter waarde van de Aanbetaling, welke waarde wordt vastgesteld door [ [eiseres] ].”

2.13.

Bij brief van 11 februari 2026 heeft (de advocaat van) [eiseres] , onder verwijzing naar de ingebrekestelling van 6 februari 2026, bevestigd dat de overeenkomst is ontbonden, althans dat deze – voor zover nog vereist – alsnog wordt ontbonden.

2.14.

[eiseres] heeft inmiddels vervangende armaturen gekocht bij Mechatronix. Na ontbinding van de overeenkomst heeft [eiseres] armaturen verplaatst van “Tuin Noord” naar de nieuwbouw (“Zuid A”).

2.15.

[eiseres] heeft, met verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir (derden-) beslag gelegd op de bankrekening van [gedaagde] .

2.16.

Op 2 maart 2026 heeft [eiseres] [gedaagde] gedagvaard.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat en na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. verklaart voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden;

  2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 441.368,72 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2026, dan wel 11 februari 2026, dan wel de datum van de dagvaarding;

subsidiair:

3. de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] ontbindt;

4. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 441.368,72 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na de datum van dit vonnis;

zowel primair als subsidiair:

5. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de door [eiseres] geleden schade van € 516.982,25 “+ PM”, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

6. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 3.981,84 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

7. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente;

8. [gedaagde] veroordeelt in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiseres] – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde]

is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst. Ook is sprake van verzuim. Dit betekent dat [eiseres] gerechtigd was de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, althans inmiddels gerechtigd is die overeenkomst te laten ontbinden door de rechter in deze procedure, en dat [eiseres] aanspraak kan maken op terugbetaling van het door haar betaalde voorschot en op schadevergoeding.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vorderingen 1, 2, 3 en 4

4.1.

[eiseres] vordert onder meer – en kort gezegd – een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden (of subsidiair: ontbinding van de overeenkomst) en betaling van € 441.368,72 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Ter onderbouwing van deze vorderingen heeft [eiseres] , kort gezegd, gesteld dat:

  • [gedaagde] op grond van de overeenkomst verplicht was tot levering van 220 armaturen per week binnen/volgens de planning zoals opgenomen in de overeenkomst, dus vanaf week 9 van 2026 (de week van maandag 23 februari 2026);

  • [gedaagde] niet aan deze verplichting heeft voldaan en daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst;

  • [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren, (primair) omdat uit mededelingen namens [gedaagde] volgde dat zij deze verplichting niet (tijdig) zou nakomen, dan wel (subsidiair) door het ongebruikt laten verstrijken van de in de brief van 6 februari 2026 gestelde termijn van drie dagen;

Volgens [eiseres] was en is zij op grond van het voorgaande bevoegd de overeenkomst te ontbinden, als gevolg waarvan zij aanspraak kan maken op terugbetaling van de aanbetaling die zij op 1 oktober 2025 heeft gedaan.

4.3.

[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] was geen sprake van een tekortkoming aan haar zijde, noch op de datum van de ingebrekestelling (6 februari 2026) noch op de datum van de ontbindingsbrief (11 februari 2026). De termijn van de eerste deellevering (week 9 van 2026) was namelijk nog niet verstreken. Bovendien kan deze termijn niet worden aangemerkt als een fatale termijn. Dit volgt volgens [gedaagde] expliciet uit (artikel 5.1 en 5.8 van) de algemene voorwaarden. Daarnaast wordt de planning noch in de overeenkomst noch in de e-mail van 26 september 2025 “als uiterlijke termijn (…) bestempeld”.

Voor zover [eiseres] uit de mededeling van [gedaagde] begreep dat de eerste deellevering niet op/in de week van 23 februari 2026 zou plaatsvinden, kan dit niet worden aangemerkt als een mededeling dat [gedaagde] te kort zou schieten in de nakoming van de overeenkomst. Op grond van artikel 5.8 van de algemene voorwaarden wordt de levertijd in geval van vertraging van een leverancier namelijk verlengd met de daardoor ontstane vertraging. Daarbij komt dat de in de ingebrekestelling gestelde termijn van drie dagen in dit geval niet kan worden aangemerkt als een redelijke termijn. Een en ander maakt dat [gedaagde] door de ingebrekestelling niet in verzuim is geraakt. Voor zover dit al het geval zou zijn, geldt dat [eiseres] ook dan niet gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden; het recht op ontbinding in geval van overschrijding van de levertijd is namelijk uitgesloten in artikel 5.10 van de algemene voorwaarden, aldus [gedaagde] .

4.4.

De kern van het geschil tussen partijen is of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en – in het verlengde daarvan – of sprake is van voldoende grond voor ontbinding van de overeenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Zij licht dit oordeel hierna toe.

Inhoud van de overeenkomst

4.5.

Om te kunnen beoordelen of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] , moet de rechtbank eerst vaststellen wat partijen zijn overeengekomen over de leveringstermijn. Daarbij komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en op wat zij in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de ‘Haviltex-maatstaf’2).

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

4.6.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] toegelicht dat zij begin 2025 op zoek was naar een partij die armaturen met bepaalde technische specificaties kon leveren voor de nieuwbouw en dat zij in dat kader [gedaagde] – met wie zij al eerder zaken had gedaan – heeft benaderd voor een offerte. Bij de uitvraag heeft [eiseres] haar planning meegestuurd, waarin stond dat zij in februari 2026 wilde starten met de beplanting in de nieuwbouw. Ook nadien hebben partijen, nog steeds volgens [eiseres] , meermaals gecorrespondeerd over het betalings- en leveringsschema; vanaf juli 2025 is concreet gesproken over levering vanaf week 9 van 2026. Daarbij heeft [eiseres] met [naam 2] afgesproken dat hij zou uitzoeken of [gedaagde] ook daadwerkelijk vanaf week 9 van 2026 zou kunnen gaan leveren. Pas nadat [naam 2] op 26 september 2025 per e-mail had bevestigd dat dit ging lukken, heeft [eiseres] de offerte ondertekend.

[gedaagde] heeft geen van deze stellingen van [eiseres] weersproken, zodat zij tussen partijen vaststaan.

4.7.

[eiseres] heeft verder – ook onweersproken – aangevoerd dat [gedaagde] als professionele partij met kennis van zowel de branche in het algemeen als de specifieke bedrijfsvoering van [eiseres] ermee bekend was dat wat [eiseres] aan plantgoed aanplant, daarvoor al is verkocht. [gedaagde] wist dus dat een verstoring van de productie betekent dat [eiseres] haar afspraken met klanten niet kan nakomen.

4.8.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] vanaf de aanvraag van de offerte tot het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van de planning van [eiseres] en ook bekend was met de negatieve gevolgen voor [eiseres] van het niet strikt handhaven van die planning. Onder deze omstandigheden mocht [eiseres] redelijkerwijs verwachten en moest [gedaagde] redelijkerwijs begrijpen dat de tijdigheid van de levering(en) voor [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst van doorslaggevend belang was en dat de leveringen echt moesten plaatsvinden volgens de planning in de overeenkomst.

Daarbij hecht de rechtbank veel gewicht aan het feit dat [eiseres] de offerte pas heeft getekend nadat [naam 2] had nagevraagd en bevestigd dat levering vanaf week 9 daadwerkelijk zou gaan lukken. Daarom moeten de in de overeenkomst opgenomen termijnen, waaronder de levering van de eerste 2020 armaturen in week 9, als ‘fataal’ worden aangemerkt. De omstandigheid dat in de overeenkomst en de correspondentie tussen partijen niet expliciet staat dat de planning als fataal moet worden aangemerkt, acht de rechtbank in het licht wat hiervoor is overwogen niet doorslaggevend.

4.9.

Het beroep van [gedaagde] op artikel 5.1 en 5.8 van de algemene voorwaarden kan haar niet baten. Uit het voorgaande volgt namelijk dat partijen in dit geval – kennelijk in afwijking van deze algemene bepalingen – zijn overeengekomen dat wat betreft de levering van de armaturen wél sprake is van een planning die fatale leveringstermijnen bevat.

4.10.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling, mede ter onderbouwing van haar standpunt dat partijen geen fatale termijn voor levering zijn overeengekomen, nog aangevoerd dat partijen in februari 2026 – dus rondom week 9 van 2026 – hebben gesproken over de mogelijkheid om “de bestaande lampen tijdelijk in de nieuwbouw te hangen”, waarbij volgens haar vanuit [eiseres] zou zijn aangegeven dat “tot 1 oktober 2026 mee kon worden geteeld met het licht”.

In reactie daarop heeft [eiseres] naar voren gebracht dat het klopt dat partijen in februari 2026 hebben gesproken over een tijdelijke oplossing, waarbij [eiseres] door het verplaatsen van eigen lampen en het verlagen van de plantdichtheid/de productie nog “een product zou kunnen maken waar onze klant wat mee kan”. De datum 1 oktober 2026 is daarbij volgens haar echter slechts genoemd als “kritiek moment” waarop [gedaagde] alle armaturen moest hebben geleverd en deze ook moesten zijn geïnstalleerd. De (geplande) productie van [eiseres] zou anders vanwege de combinatie van steeds minder daglicht en onvoldoende armaturen om dit te compenseren namelijk dermate verstoord raken, dat [eiseres] afspraken met haar klanten niet meer zou kunnen nakomen. [gedaagde] heeft daar niet meer op gereageerd.

De rechtbank ziet de gesprekken tussen partijen in februari 2026 daarom als het beperken van de nadelige gevolgen van het feit dat [gedaagde] niet volgens de overeengekomen planning kon leveren. Een doorslaggevend argument dat partijen geen fatale termijn voor levering zijn overeengekomen levert dit betoog van [gedaagde] in ieder geval niet op.

Bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst

4.11.

De rechtbank oordeelt dus dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst verplicht was om de eerste 220 armaturen uiterlijk in week 9 van 2026 te leveren. Vervolgens is de vraag of [gedaagde] die verplichting is nagekomen.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] uit mededelingen van [gedaagde] moest afleiden dat [gedaagde] de armaturen vanwege aanhoudende technische problemen bij haar leverancier niet in week 9 van 2026 zou kunnen gaan leveren. Dit betreft:

  • de mededelingen in het hiervoor onder 2.10 geciteerde verslag van het telefoongesprek met [naam 2] ;

  • de mededeling van [naam 2] dat [gedaagde] “de armaturen bridge en repeaters niet op tijd [kan] leveren” in zijn e-mail van 6 februari 2026; en

  • de onder 2.11 geciteerde mededelingen van [naam 1] op 6 februari 2026 over de bestaande technische en financiële problemen en de onmogelijkheid voor [gedaagde] om dit vlot te trekken.

4.13.

[gedaagde] heeft niet weersproken dat deze mededelingen zijn gedaan. Wel meent zij dat de rechtbank ze anders moet begrijpen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij hierover aangevoerd dat [gedaagde] tijdens de gesprekken met [eiseres] op 4 en 6 februari 2026 ook zou hebben gezegd dat het “een aantal weken” zou duren voordat de technische problemen door haar leverancier zouden zijn opgelost en zij de armaturen (alsnog) kon leveren. [eiseres] betwist echter dat [gedaagde] dit heeft gezegd en in het dossier is die mededeling niet terug te vinden. Daarbij komt dat [eiseres] onweersproken heeft aangevoerd dat zij op korte termijn zeker moest weten of – en zo ja: wanneer – [gedaagde] alsnog zou kunnen leveren, omdat zij die informatie nodig had om direct te kunnen schakelen met derden/eigen leveranciers om de deadline van 1 oktober 2026 te kunnen halen (zie hiervoor in 4.10). Mede in het licht van wat hiervoor is overwogen over het overeenkomen van een fatale termijn zou de vage en niet onderbouwde mededeling dat het probleem ‘over een aantal weken’ zou zijn opgelost niet voldoende zijn geweest om af te doen aan de overige uitlatingen van [gedaagde] , die erop neerkwamen dat zij financiële en technische problemen had die zij niet vlot kon trekken.

4.14.

Gelet op het belang van [eiseres] bij een tijdige levering rechtvaardigde deze (dreigende) tekortkoming de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst op 11 februari 2026.

4.15.

Dat de termijn van de eerste deellevering op dat moment nog niet was verstreken, maakt dat niet anders. Op grond van artikel 6:80 BW, lid 1 onder b, treden de gevolgen van niet-nakoming, waaronder het recht op ontbinding, namelijk onder meer in vóórdat de vordering opeisbaar is, indien een schuldeiser (in dit geval [eiseres] ) uit een mededeling van de schuldenaar ( [gedaagde] ) moest afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten. Zoals hiervoor overwogen in 4.12 is dat hier het geval.

4.16.

Ook het beroep van [gedaagde] op artikel 5.10 van de algemene voorwaarde helpt haar niet. De rechtbank volgt niet het standpunt van [eiseres] dat dit beding vernietigbaar is omdat de algemene voorwaarden haar niet aan ter hand zouden zijn gesteld (waarover meer onder 4.22 e.v.). Wel honoreert de rechtbank de stelling van [eiseres] dat het beroep van [gedaagde] op het ontbindingsverbod van artikel 5.10 in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat het op grond van artikel 6:248 lid 2 BW buiten toepassing moet blijven. Toepassing van dit beding zou in dit geval namelijk betekenen dat [eiseres] de overeenkomst niet kan ontbinden maar ook geen aanspraak kan maken op enige schadevergoeding vanwege de overschrijding van levertijden door [gedaagde] , op grond van een beding in de algemene voorwaarden waarover partijen niet hebben gesproken – laat staan onderhandeld. Dit terwijl voor beide partijen duidelijk was dat de strikte handhaving van de levertijden voor [eiseres] van doorslaggevend belang was bij het sluiten van de overeenkomst en [eiseres] mede daarom een planning met expliciete (fatale) leveringstermijnen in de overeenkomst wilde opnemen.

Slotsom vorderingen 1 en 2 en (subsidiair) 3 en 4

4.17.

Zoals hiervoor overwogen in 4.14 heeft [eiseres] de overeenkomst op 11 februari 2026 rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden. Dit betekent dat de door [gedaagde] (primair) gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.

4.18.

Als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst ontstaat op grond van artikel 6:271 BW voor (beide) partijen de verplichting tot ongedaanmaking van de door hen ontvangen prestaties. Dat bekent in dit geval dat [gedaagde] de door [eiseres] op 1 oktober 2025 gedane aanbetaling van moet terugbetalen. De vordering van [gedaagde] tot (terug)betaling van € 441.368,72 exclusief btw zal daarom worden toegewezen.

4.19.

Omdat op basis van het dossier niet duidelijk is wanneer [gedaagde] in verzuim is geraakt met de (terug)betaling van dit bedrag, wijst de rechtbank de wettelijke rente daarover toe vanaf de datum van de dagvaarding, dus vanaf 2 maart 2026.

Vordering 5

4.20.

[eiseres] vordert ook betaling van een schadevergoeding van

€ 516.982,25, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.21.

[gedaagde] verweert zich in dit verband onder meer met een beroep op de exoneratie zoals opgenomen in artikel 13 van de algemene voorwaarden. De rechtbank zal dit verweer eerst beoordelen.

Algemene voorwaarden van toepassing en niet vernietigbaar

4.22.

[eiseres] heeft een beroep gedaan op vernietiging van (artikel 13 van) de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:233 BW, omdat de algemene voorwaarden volgens haar niet rechtsgeldig aan haar ter hand zijn gesteld.

4.23.

[gedaagde] weerspreekt dit. Zij voert daartoe aan dat in het digitale proces dat [eiseres] heeft doorlopen voor ondertekening van de overeenkomst in de tekst een klikbare hyperlink was weergegeven en dat [eiseres] via die link de algemene voorwaarden kon raadplegen, opslaan en uitprinten. Volgens [gedaagde] is daarmee voldaan aan de vereisten van artikel 6:234 lid 2 BW en zijn de algemene voorwaarden door haar dus rechtsgeldig ter hand gesteld. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat en waarom zij moet worden aangemerkt als een dienstverrichter in de zin van artikel 6:230c BW en dat zij heeft voldaan aan haar informatieplicht van artikel 6:230b BW, omdat de algemene voorwaarden door [eiseres] zonder noemenswaardige inspanning konden worden gevonden op haar website, die stond vermeld in de offerte en in haar algemene voorwaarden.

4.24.

Op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als de gebruiker (in dit geval [gedaagde] ) aan de wederpartij (in dit geval [eiseres] ) niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Artikel 6:234 BW bepaalt op welke wijze die redelijke mogelijkheid geboden kan worden. De regeling van artikel 6:234 BW is in beginsel limitatief. Een redelijke en op de praktijk afgestemde uitleg brengt echter mee dat de wederpartij zich niet op vernietigbaarheid van een beding in algemene voorwaarden kan beroepen wanneer hij op het moment van het sluiten van de overeenkomst met dat beding bekend was of geacht kon worden daarmee bekend te zijn (HR 1 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2977 (Geurtzen/Kampstaal)). Als de wederpartij zich op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b in samenhang met artikel 6:234 BW beroept op vernietiging van een beding in algemene voorwaarden, rust de bewijslast omtrent de ter hand stelling van de algemene voorwaarden op de gebruiker (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394 (Lommerse/Atria)); in dit geval is dat dus [gedaagde] .

4.25.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] op vragen van de rechtbank over de (feitelijke) totstandkoming van de overeenkomst geantwoord dat zij vóór de uitbreiding met de nieuwbouw al kassen met een oppervlakte 11 hectare hadden staan, met daarin armaturen die in het verleden allemaal door [gedaagde] zijn geleverd. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij de algemene voorwaarden (ook) in het kader van deze eerdere overeenkomsten aan [eiseres] heeft toegestuurd. Dit heeft [eiseres] niet weersproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [eiseres] eerder algemene voorwaarden van [gedaagde] heeft ontvangen.

4.26.

[eiseres] heeft in het kader van de terhandstelling van de algemene voorwaarden aanvankelijk aangevoerd dat de door [gedaagde] genoemde hyperlink onduidelijk en ‘niet klikbaar’ was en daar tijdens de mondelinge behandeling nog aan toegevoegd dat uit niets blijkt dat de versie van de algemene voorwaarden waarop [gedaagde] zich in deze procedure beroept (tijdig) aan haar ter hand is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] daarmee de gemotiveerde stellingen van [gedaagde] in dit verband, zoals weergegeven hiervoor in 4.23, onvoldoende weersproken. Daarbij komt dat [eiseres] niet heeft aangevoerd dat in de eerdere versies van de algemene voorwaarden van [gedaagde] niet (ook) een met artikel 13 van de algemene voorwaarden vergelijkbare exoneratie was opgenomen, zodat aannemelijk is dat zij daarvoor al met de bepaling bekend was.

4.27.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [eiseres] op vernietiging van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b BW faalt.

4.28.

Tot slot heeft [eiseres] nog aangevoerd dat de exoneratie van artikel 13 van de algemene voorwaarden in dit geval niet van toepassing is, omdat [gedaagde] [eiseres] – in de visie van [eiseres] – te laat op de hoogte heeft gesteld van de leveringsproblemen en haar daarna in de veronderstelling heeft gelaten dat levering nog steeds (volgens planning) zou kunnen plaatsvinden. Hierdoor is [eiseres] de mogelijkheid ontnomen om tijdig alternatieve maatregelen te treffen en de schadelijke gevolgen voor haar bedrijfsvoering verder te beperken, aldus [eiseres] .

De rechtbank komt tot een ander oordeel, omdat [naam 1] tijdens de mondelinge behandeling namens [gedaagde] heeft verklaard over de gang van zaken in (aanloop naar) februari 2026. Daarbij heeft hij, kort gezegd en voor zover hier relevant, toegelicht dat volgens hem destijds sprake van technische problemen, maar dat zijn verwachting was dat deze problemen binnen enkele weken zouden worden opgelost. Dat het achteraf – gezien de belangen van [eiseres] – beter was geweest om direct contact op te nemen met [eiseres] wil de rechtbank wel aannemen, maar deze misrekening levert geen opzet of grove schuld op die een beroep op de exoneratie onaanvaardbaar zou maken.

Verdere beoordeling van de gevorderde schadevergoeding

4.29.

De door [eiseres] gevorderde schadevergoeding van € 516.982,25 bestaat uit de volgende posten:

  1. Beslagkosten

  2. Gederfde opbrengst door verlaagde plantdichtheid (in de nieuwbouw / Zuid A)

  3. Gederfde opbrengst door verlaagde plantdichtheid tuin Noord t/m week 40 van 2026;

  4. Arbeidskosten omhangen lampen van Tuin Noord naar Zuid A en terug

  5. Ophanghaken

  6. Meerkosten installatie vervangende armaturen Mechatronix

  7. Financieringsschade

4.30.

[gedaagde] heeft ten aanzien van (vrijwel) al deze posten verweer gevoerd. De rechtbank zal de posten b tot en met g hierna bespreken. De beslagkosten komen verderop in dit vonnis aan bod, in het kader van de proceskosten.

4.31.

De rechtbank is van oordeel dat de door [eiseres] gestelde gederfde opbrengsten door verlaagde plantdichtheid in zowel de nieuwbouw / Zuid A als tuin Noord, de opgevoerde meerkosten voor installatie van de vervangende armaturen voor Mechatronix en de gestelde financieringsschade moeten worden aangemerkt als gevolgschade in de zin van artikel 13.4 van de algemene voorwaarden, dat vergoeding van dergelijke schade uitsluit. De hiervoor in 4.29 onder b, c, f en g bedoelde schadeposten zijn dus niet toewijsbaar.

4.32.

[eiseres] vindt dat (ook) de exoneratie van 13 van de algemene voorwaarden buiten toepassing moet worden gesteld wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom het uitsluiten van gevolgschade in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is. Zoals [gedaagde] ook onweersproken heeft gesteld, is deze exoneratie in de markt immers gebruikelijk.

4.33.

De hiervoor in 4.29 onder e bedoelde ophanghaken zijn gekocht op advies van [gedaagde] , ten behoeve van het tijdelijk ophangen van de armaturen uit tuin Noord in de Nieuwbouw/Zuid A. Zonder deze tijdelijke oplossing was het – in de woorden van [eiseres] – “onmogelijk geweest om te starten met planten”.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de ophanghaken redelijke kosten ter voorkoming en beperking van schade zijn (zie ook 4.10). De aan deze schadepost verbonden kosten van in totaal € 916,89 acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden redelijk. [gedaagde] moet deze kosten dus volledig vergoeden, op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW. De stelling van [gedaagde] dat deze haken in de toekomst door [gedaagde] ook zouden kunnen worden gebruikt voor het ophangen van andere lampen, maakt dat niet anders.

4.34.

Ook de gevorderde arbeidskosten voor het tijdelijk omhangen van de armaturen uit tuin Noord in de nieuwbouw/Zuid A komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW. Dat het gaat om interne (arbeids)kosten van medewerkers van [eiseres] tijdens reguliere werktijden maakt dit niet anders.3

4.35.

[eiseres] heeft de arbeidskosten voor het omhangen van de lampen (van tuin Noord naar de nieuwbouw/Zuid A en terug), onder verwijzing naar een door haar overgelegde omhangregistratie, begroot op in totaal € 41.544 op basis van (i) 1092 arbeidsuren (2 × 546 uren) tegen een uurtarief van € 32 en 120 uren (2 × 60 uren) tegen een uurtarief van € 55,00 voor “coördinatie/management”.

[gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat [eiseres] dergelijke kosten heeft moeten maken, maar heeft er terecht op gewezen dat onderliggende informatie over de loonkosten ontbreekt.

De rechtbank acht de door [eiseres] in dit verband gevorderde schadevergoeding daarom wel toewijsbaar, maar tot een bedrag dat zij met gebruikmaking van artikel 6:97 BW begroot op € 34.300, op basis van een geschatte tijdsinspanning van 2 x 450 uur tegen een uurtarief van € 32 uur (€ 28.800) en een tijdsinspanning van 2 x 50 uur tegen een uurtarief van € 55 (€ 5.500).

Slotsom vordering 5

4.36.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de vordering van [eiseres] tot betaling van schadevergoeding zal toewijzen tot een bedrag van € 35.216,89 (€ 916,89 plus € 34.300) en voor het overige zal afwijzen (met uitzondering van de beslagkosten, die zoals hiervoor overwogen zullen worden beoordeeld in het kader van de proceskosten).

4.37.

De wettelijke rente over dit bedrag van € 35.216,89 zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, dus vanaf 2 maart 2026.

Buitengerechtelijke kosten

4.38.

[eiseres] maakt aanspraak op € 3.981,84 aan buitengerechtelijke kosten. Volgens [gedaagde] moet deze vordering worden afgewezen, omdat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van buitengerechtelijke werkzaamheden die de gevorderde vergoeding rechtvaardigen.

4.39.

De rechtbank overweegt als volgt. Deze vordering moet worden beoordeeld

op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op grond van het Besluit is niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht, zodat een enkele brief in beginsel voldoende is.

4.40.

[gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar niet toegelicht om wat voor werkzaamheden het gaat. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiseres] [gedaagde] bij ontbindingsbrief van 11 februari 2026 aanspraak heeft gemaakt op “terugbetaling van de aanbetaling” en vergoeding van schade, maar concrete bedragen en/of een uiterlijke termijn voor betaling staan daarbij niet vermeld. Na verzending van deze brief is [eiseres] vervolgens – kennelijk zonder enige nadere sommatie – deze procedure gestart. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] dan ook onvoldoende gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, die niet onder de voorbereiding van deze procedure vallen. Haar vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.41.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder de beslagkosten. Bij de begroting van de beslagkosten houdt de rechtbank – zoals gebruikelijk – rekening met (a) het voor het beslagrekest betaalde griffierecht, (b) één (extra) punt aan salaris advocaat en (c) de kosten van de overgelegde beslagexploten (waarbij de enkele verwijzing naar de door [eiseres] als productie 13 overgelegde factuur van Rijken Gerechtsdeurwaarders dus onvoldoende is).

4.42.

De proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden – met inachtneming van wat hiervoor is overwogen in 4.41 – begroot op:

- dagvaarding

€

125,57

- griffierecht

€

7.062

(€ 6.327 + € 735)

- salaris advocaat

€

7.446

(2 punten × tarief VII à € 3.723)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

14.822,57

4.43.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is ontbonden wegens een tekortkoming van [gedaagde] ;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 441.368,72 exclusief btw, te vermeerderen met wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 2 maart 2026;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 35.216,89 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 2 maart 2026;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [gedaagde] van € 14.822,57, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.