UitspraakCiviel recht › Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam19 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10347 · Zaaknummer 12313346 \ EA VERZ 26-854 en 12319364 \ EA VERZ 26-872

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet na fysieke confrontatie met collega op de werkvoer. Vernietiging ontslag op staande voet en afwijzing voorwaardelijk ontbindingsverzoek. Verzoek om gefixeerde schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummers: 12313346 \ EA VERZ 26-854 en 12319364 \ EA VERZ 26-872

Beschikking van 19 oktober 2026

in de zaken van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

in zaak I verzoeker en verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,

in zaak II verweerder,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. L. van Dijk,

tegen

DIKS AUTOVERHUUR & AUTODELEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

in zaak I verweerder en verzoeker in het voorwaardelijk tegenverzoek,

in zaak II verzoeker,

hierna te noemen: Diks,

gemachtigden: mrs. I.E.E. Taling en J.D.J. Kokje.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 10 juli 2026 een verzoek op grond van artikel 7:681 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gedaan om onder meer een ontslag op staande voet te vernietigen. Diks heeft een verweerschrift en een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend. Deze procedure is geregistreerd onder 12313346 \ EA VERZ 26-854 (zaak I).

1.2.

Diks heeft daarnaast een verzoek gedaan om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 12319364 \ EA VERZ 26-872 (zaak II).

1.3.

Op 21 september 2026 heeft in beide procedures een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is verschenen met zijn gemachtigde. Diks is verschenen bij [naam 1] (HR-partner), vergezeld door de gemachtigden. Partijen en hun gemachtigden hebben, mede aan de hand van spreekaantekeningen, hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

1.4.

Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren [geboortedag] 1963, is sinds 1 juli 2005 in dienst bij Diks, laatstelijk als [functie] .

2.2.

Op 6 mei 2026 was [verzoeker] op de werkvloer betrokken bij een fysieke confrontatie met collega [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Vanwege dit incident is [verzoeker] op 7 mei 2026 op non-actief gesteld.

2.3.

[verzoeker] heeft op 7 mei 2026 schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling. Hij schrijft onder meer dat hij meent dat hij niets fout heeft gedaan en dat hij tijdens zijn dienstverband van 21 jaar nooit een incident heeft gehad, maar tijdens de laatste twee jaar bij dit filiaal van Diks drie keer met de dood is bedreigd en veel is gepest.

2.4.

Op 11 mei 2026 heeft [verzoeker] zich bij zijn huisarts gemeld met een bloeding, een zwelling en een snee op zijn wenkbrauw. Volgens de verklaring van de huisarts van 27 mei 2026 vertelde [verzoeker] dat hij in een conflict met een collega meerdere verwoningen had opgelopen, maar dat hij niet meer precies wist hoe het geheel verlopen was, omdat hij een black-out had gehad.

2.5.

Op 13 mei 2026 heeft de verhuurder van het bedrijfspand op verzoek van Diks uiteindelijk de camerabeelden van het incident bekeken. Eerdere verzoeken daartoe op 7 en 11 mei 2026 had de verhuurder nog geweigerd. De verhuurder heeft aan een medewerker van Diks meegedeeld wat hij op de beelden heeft waargenomen. Diezelfde dag is [verzoeker] door Diks uitgenodigd voor een gesprek op 15 mei 2026.

2.6.

Op 16 mei 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de op dezelfde dag verstuurde ontslagbrief schrijft Diks onder meer dat [verzoeker] in het gesprek op 15 mei 2026 niet heeft ontkend dat hij geweld had gebruikt en dat hij daarvoor geen duidelijke verklaring had gegeven, anders dan dat hij aangaf dat hij een black-out had gehad. De ontslagbrief vermeldt verder dat uit het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat [verzoeker] [naam 2] na een woordenwisseling met een laptop in het gezicht heeft geslagen. Volgens Diks is [verzoeker] op basis van de camerabeelden als agressor aan te merken.

2.7.

Op 19 mei 2026 heeft Diks [naam 2] een officiële waarschuwing gegeven voor zijn rol bij het incident op 6 mei 2026.

2.8.

In de periode na het incident is uit medisch onderzoek gebleken dat [verzoeker] lijdt aan een vorm van bloedkanker. Zijn huisarts schrijft daarover in een brief van 3 juli 2026 onder meer dat dit mede zijn moeheid en andere klachten zou kunnen verklaren, dat hij zelfs een black-out heeft gehad en dat dit mogelijk ook als gevolg van zijn lichamelijke klachten is voorgevallen.

3 Het verzoek

3.1.

In zaak I verzoekt [verzoeker] de kantonrechter primair om het ontslag op staande voet te vernietigen en Diks te veroordelen tot loonbetaling, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente. Volgens [verzoeker] ontbreekt een dringende reden en is het ontslag niet onverwijld gegeven.

3.2.

Diks voert verweer.

3.3.

Diks heeft een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen, dan wel verstoorde verhoudingen.

3.4.

[verzoeker] voert daartegen verweer.

3.5.

In zaak II verzoekt Diks dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW ter hoogte van € 4.987,61 bruto, vermeerderd met wettelijke rente.

3.6.

[verzoeker] voert daartegen verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Zaak I: het ontslag op staande voet wordt vernietigd

4.1.

Bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] gaat het in de kern om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

4.2.

De kantonrechter moet daarbij beoordelen of de reden die de werkgever aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd als een dringende reden is aan te merken als bedoeld in artikel 7:677 BW. Als dat zo is, moet beoordeeld worden of er onverwijld is opgezegd, onder onverwijlde mededeling van die reden. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag moeten alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang worden bezien. De aard en de ernst van het gedrag van de werknemer spelen daarbij een rol, evenals de duur van de arbeidsovereenkomst en ook de (persoonlijke) omstandigheden van de werknemer en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer heeft.

4.3.

Op de camerabeelden is te zien dat [verzoeker] met een tablet in zijn hand staat te wachten bij een deur van het bedrijfspand, waarna [naam 2] langs hem heen door de deuropening naar binnen loopt. Te zien is dat ze iets tegen elkaar zeggen, waarna [naam 2] na een paar stappen in de hal blijft stilstaan met zijn gezicht richting [verzoeker] . [verzoeker] loopt vervolgens vanuit de deuropening naar [naam 2] toe en gaat met zijn gezicht tegen het gezicht van [naam 2] staan. [naam 2] geeft [verzoeker] daarop een duw, waardoor [verzoeker] een paar passen naar achteren moet zetten. Vervolgens zet [naam 2] een stapje in de richting van [verzoeker] , waarna [verzoeker] een stap naar voren zet en [naam 2] met de tablet in zijn gezicht slaat. [naam 2] slaat [verzoeker] daarna meermaals met zijn vuist op diens lichaam, waarna [verzoeker] voorover gebukt en ogenschijnlijk aangeslagen achterblijft en [naam 2] wegloopt.

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat geweld tussen collega’s (ongeacht wie er is begonnen) onacceptabel gedrag is op de werkvloer. Niet voor niets heeft de wetgever expliciet bepaald dat een dringende reden onder andere aanwezig geacht kan worden wanneer de werknemer zijn medewerknemers mishandelt.1 In beginsel vormt het uitoefenen van geweld door een werknemer dan ook een dringende reden om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

4.5.

Uit de camerabeelden blijkt dat [verzoeker] tot twee keer toe de confrontatie zoekt met [naam 2] . De eerste keer door naar [naam 2] toe te lopen en met zijn gezicht tegen diens gezicht aan te gaan staan. De tweede keer door, nadat hij naar achteren was geduwd, toch weer een stap naar voren te zetten en met de tablet uit te halen. Voor zover [verzoeker] heeft bedoeld aan te voeren dat hij geen andere mogelijkheid had dan te handelen zoals hij deed, wordt hij daarin niet gevolgd. Zo blijkt uit de camerabeelden dat hij tot twee keer toe de gelegenheid had om zich aan de situatie te onttrekken. Er was bijvoorbeeld voldoende ruimte om weg te lopen, zowel vóór als ná de duw door [naam 2] . Zelfs als [verzoeker] vond dat [naam 2] een agressieve uitstraling had, zoals hij heeft aangevoerd, had hij tot twee keer toe een andere keuze moeten maken. Dat hij naar eigen zeggen drie keer eerder door andere collega’s met de dood was bedreigd en zich bedreigd voelde, maakt dat niet anders.

4.6.

[verzoeker] heeft daarmee onacceptabel gedrag op de werkvloer vertoond. Het is begrijpelijk dat Diks daar als werkgever tegen wil optreden. Maar het gegeven ontslag op staande voet is in dit geval toch een te vergaande maatregel. Dat wordt als volgt toegelicht.

4.7.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd en dat hij van onbesproken gedrag was. Diks heeft dat onvoldoende weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Uitgangspunt is daarmee dat [verzoeker] verder een vlekkeloos dienstverband heeft gehad van 21 jaar. Niet gebleken is dus dat [verzoeker] eerder agressief gedrag op de werkvloer heeft vertoond. Ook weegt mee dat [verzoeker] zich recent ziek heeft gemeld en dat bij hem een vorm van bloedkanker is gediagnosticeerd. Dat maakt zijn positie op de arbeidsmarkt extra moeilijk. [verzoeker] is 63 jaar oud en heeft dus ook qua leeftijd een moeilijke positie op de arbeidsmarkt, zoals hij onweersproken heeft aangevoerd. Daarnaast is van belang dat [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij voorafgaand aan zijn handelen bij het incident op 6 mei 2026 een black-out kreeg. Diks heeft dit als zodanig niet weersproken, zodat de kantonrechter daar bij de beoordeling van uitgaat. Blijkens de ontslagbrief had [verzoeker] ook tijdens het gesprek op 15 mei 2026 al aan Diks verklaard dat hij een black-out had gehad. Maar niet is gebleken dat Diks deze omstandigheid heeft meegewogen bij haar beslissing om ontslag op staande voet te verlenen. Dat had, zeker bij een werknemer met een verder vlekkeloos dienstverband van 21 jaar, wel op haar weg gelegen. Verder weegt de kantonrechter mee dat Diks tegenover [naam 2] heeft volstaan met uitroostering op 7 mei 2026 en het geven van een officiële waarschuwing, terwijl uit de camerabeelden blijkt dat ook [naam 2] had kunnen (en moeten) de-escaleren, dat hij als eerste een duw uitdeelde en dat ook hij vervolgens flinke vuistslagen aan [verzoeker] heeft uitgedeeld. Diks heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom zij tegenover [naam 2] met een waarschuwing heeft volstaan, maar [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen. Dat [verzoeker] [naam 2] als eerste heeft geslagen is daarvoor op zichzelf niet voldoende, want daarvóór gaf [naam 2] [verzoeker] een duw en ook [naam 2] zette daarna een stap in de richting van [verzoeker] . In het licht van alle hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband bezien, is het gegeven ontslag op staande voet in dit geval een te zware sanctie.

4.8.

Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt daarom toegewezen. Aan een beoordeling van de andere door [verzoeker] tegen dat ontslag gerichte bezwaren wordt niet toegekomen.

4.9.

Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, is de arbeidsovereenkomst blijven voortduren en heeft [verzoeker] dus recht op loon. In zoverre is zijn verzoek daartoe toewijsbaar. Volgens [verzoeker] is zijn loon € 3.659,14 (inclusief emolumenten). Volgens Diks bedraagt het loon € 3.046,02 (exclusief emolumenten). Laatstgenoemd bedrag blijkt ook uit de door [verzoeker] overgelegde loonstrook. [verzoeker] heeft daartegenover onvoldoende onderbouwd hoe hij aan het door hem becijferde bedrag komt, zodat wordt uitgegaan van het door Diks genoemde loon van € 3.046,02 (exclusief emolumenten) per maand. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zijn toewijsbaar over de achterstallige betalingen. Gelet op de rol van [verzoeker] bij het incident wordt de wettelijke verhoging daarbij gematigd tot een maximum van 10%.

4.10.

Omdat het primaire verzoek van [verzoeker] wordt toegewezen, wordt niet toegekomen aan een bespreking van zijn (meer) subsidiaire verzoeken.

Zaak I: Voorwaardelijk ontbindingsverzoek wordt afgewezen

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarde waaronder het voorwaardelijk tegenverzoek is ingesteld, zodat daarop zal worden beslist.

4.12.

Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.2 Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, tenzij de ontbinding het gevolg is van verwijtbaar handelen door de werknemer.3 Verder geldt in beginsel een opzegverbod bij ziekte. De kantonrechter kan in een geval als dit een arbeidsovereenkomst ondanks ziekte echter toch ontbinden als – kort gezegd – het ontbindingsverzoek geen verband houdt met die ziekte.4

4.13.

Volgens Diks is er primair sprake van verwijtbaar handelen dan wel subsidiair van verstoorde verhoudingen.5 Volgens haar is het opzegverbod niet van toepassing, omdat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de ziekte. [verzoeker] is het daar niet mee eens.

4.14.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Diks heeft als gezegd niet weersproken dat [verzoeker] bij het incident een black-out heeft gehad, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Diks heeft onvoldoende over het voetlicht gebracht waarom er ondanks die black-out, en mede gelet op de andere in rov. 4.7 hiervoor genoemde omstandigheden, toch sprake is van zodanig verwijtbaar handelen door [verzoeker] , dat in redelijkheid niet van Diks kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat is echter wel vereist voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die grond. Diks stelt zich terecht op het standpunt dat een black-out niet als rechtvaardiging kan dienen voor het slaan van een collega. Maar het gaat er in dit kader om dat als een werknemer handelde terwijl hij een black-out had, die black-out invloed heeft op de mate waarin de werknemer een verwijt valt te maken van het tijdens die black-out door hem vertoonde gedrag.

4.15.

Evenmin is gebleken dat er sprake is van zodanig verstoorde verhoudingen, dat in redelijkheid niet van Diks kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat niet in geschil is dat [naam 2] inmiddels niet meer werkzaam is bij Diks. Verder is in dit kader van belang dat Diks meerdere vestigingen heeft en onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom herplaatsing, eventueel op een andere vestiging, niet tot de mogelijkheden zou behoren.

4.16.

Omdat er dus geen sprake is van een redelijke grond voor ontbinding, wordt het ontbindingsverzoek afgewezen en kan in het midden blijven in hoeverre het opzegverbod bij ziekte van toepassing is.

4.17.

De tegenverzoeken van Diks worden dus afgewezen.

Zaak II: het zelfstandig verzoek van Diks wordt afgewezen

4.18.

Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, kan Diks geen aanspraak maken op een gefixeerde schadevergoeding. Haar verzoek daartoe wordt afgewezen.

Proceskosten

4.19.

Omdat Diks grotendeels in het ongelijk is gesteld, moet zij de proceskosten betalen. Deze proceskosten worden in zaak I tot op heden begroot op:

salaris gemachtigde € 865,00griffierecht € 265,00

nakosten € 144,00 -----------------totaal € 1.274,00, voor zover van toepassing, inclusief btw.

Gelet op de samenhang met zaak I worden de proceskosten in zaak II begroot op nihil.

5 De beslissing

De kantonrechter

In zaak I

In het verzoek:

5.1.

vernietigt het ontslag op staande voet,

5.2.

veroordeelt Diks tot betaling aan [verzoeker] van het bruto maandloon van € 3.046,02 (exclusief emolumenten), vanaf 16 mei 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over de achterstallige betalingen met een maximum van 10% en te vermeerderen met de wettelijke rente over de achterstallige loonbetalingen vanaf de respectievelijke vervaldata daarvan tot aan de dag van de gehele betaling,

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af,

In het voorwaardelijk tegenverzoek:

5.4.

wijst het verzochte af,

In zowel het verzoek als het voorwaardelijk tegenverzoek:

5.5.

veroordeelt Diks in de proceskosten van [verzoeker] , tot op heden begroot op 1.274,00, voor zover van toepassing inclusief btw, te vermeerderen met de kosten van betekening als Diks niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend,

5.6.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

In zaak II

5.7.

wijst het verzochte af,

5.8.

veroordeelt Diks in de proceskosten van [verzoeker] , begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

33806