UitspraakStrafrecht › Materieel strafrecht

Rechtbank Amsterdam20 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10345 · Zaaknummer 13-196307-25

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Verdachte is schuldig bevonden aan twee pogingen tot doodslag, drugsbezit, wederspannigheid en een APV-overtreding. (Putatief) noodweer(exces) verworpen ten aanzien van feit 1. Ten aanzien van feit 2 wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer. Beslissingen op het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen. Het onderzoek is heropend om een aanvullend (maatregelen)rapport op te laten maken door de reclasseeing. De behandeling is voor onbepaalde tijd aangehouden.

Uitspraak

[afbeelding]tussenvonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13-196307-25 (zaak A), 13-228436-25 (zaak B) en 13-265293-25 (zaak C) (gevoegd)

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

Tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

thans gedetineerd te: [detentieplaats]

hierna: verdachte.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Bont, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A. Korfker, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen mr. J. Peters namens benadeelde partij [benadeelde partij 1] en mr. E. Alija namens benadeelde partij [benadeelde partij 2] naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A

1

primair

poging tot het opzettelijk toebrengen van dodelijk letsel aan [benadeelde partij 1] op 17 juni 2025,

subsidiair

het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 1] op 17 juni 2025,

meer subsidiair

poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 1] op 17 juni 2025;

2

primair

poging tot het opzettelijk toebrengen van dodelijk letsel aan [benadeelde partij 2] op 26 juni 2025,

subsidiair

het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 2] op 26 juni 2025,

meer subsidiair

poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 2] op 26 juni 2025;

3

het voorhanden hebben van een hoeveelheid MDMA en/of cocaïne op 26 juni 2025;

Zaak B

het met geweld verzetten tegen een aanhouding door verbalisanten [naam verbalisant 1] , [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] op 19 juni 2025;

Zaak C

overtreding van artikel 2.7 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 op 19 juni 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van feiten 1 en 2 onder zaak A blijkt uit het dossier dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [benadeelde partij 1] op 17 juni 2025 en van [benadeelde partij 2] op 26 juni 2025. Doordat verdachte een mes heeft gebruikt om met kracht op plaatsen te steken waar zich vitale organen bevinden is daarbij in beide gevallen sprake van voorwaardelijk opzet op dodelijk letsel.

Uit het dossier blijkt daarnaast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen in feit 3 onder zaak A (het bezit van verdovende middelen) en in zaak B (het aanbieden van [nep] verdovende middelen) ten laste is gelegd. Ten aanzien van zaak C blijkt uit het dossier dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan verzet bij zijn aanhouding en daarbij verbalisant [naam verbalisant 1] in de gracht heeft geduwd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 onder zaak A niet kan worden vastgesteld dat sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel bij aangever. De subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling kan ook niet worden vastgesteld op basis van de beschikbare informatie over het letsel. Daarbij ontbreekt ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling ook het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van dit feit.

De verdediging heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 2 onder zaak A niet kan worden vastgesteld dat verdachte de oog- of okselwond bij aangever heeft veroorzaakt. Het is in de chaotische geweldsdynamiek namelijk niet duidelijk geworden wanneer deze verwondingen zijn ontstaan. Daarbij betwist de verdediging ook voor dit feit dat sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel bij aangever. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten slotte ontbreekt ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling ook het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

Ten aanzien van hetgeen in zaak B is tenlastegelegd dient verdachte partieel vrijgesproken te worden. Het dossier bevat namelijk onvoldoende bewijs om vast te stellen dat verdachte verbalisant [naam verbalisant 1] in de gracht heeft geduwd.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3 onder zaak A en zaak C aangezien verdachte dit heeft bekend.

De rechtbank gaat hierna in haar oordeel, voor zover nodig, nader in op verdere verweren van de verdediging.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Zaak A

Feit 1

De rechtbank acht op basis van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 17 juni 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] of aangever).

Op 17 juni 2025 is een conflict ontstaan tussen [benadeelde partij 1] en verdachte naar aanleiding van een uitgeleende fatbike. Aangever pakt op een gegeven moment de telefoon van verdachte. Verdachte probeert tot tweemaal toe deze terug te pakken. Bij de derde keer lukt het verdachte zijn telefoon te pakken. [benadeelde partij 1] beweegt zich op dit moment in de richting van verdachte. Als verdachte zijn telefoon in zijn linkerhand heeft reikt hij met zijn rechterhand naar zijn tas en pakt hij daar een mes uit. Verdachte geeft vervolgens aangever een duw en aangever duwt verdachte terug. [benadeelde partij 1] haalt vervolgens tweemaal met een zwiepende beweging uit naar verdachte. Gedurende de tweede zwiepende beweging maakt verdachte een stekende beweging richting [benadeelde partij 1] met de hand waarin hij het mes heeft. [benadeelde partij 1] heeft daarbij een steekverwonding opgelopen aan de zijkant van zijn buik. Hierna rennen partijen van elkaar weg.

Voorwaardelijk opzet op de dood

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had op de dood van [benadeelde partij 1] . De rechtbank dient daarom te beoordelen of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van dodelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Verdachte heeft met een mes richting het bovenlichaam van [benadeelde partij 1] gestoken. Daarbij heeft hij hem ook daadwerkelijk geraakt in zijn linkerzij, net onder de onderste rib. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer oplevert. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen en belangrijke slagaders bevinden die door een mes zodanig beschadigd kunnen worden dat dit kan leiden tot levensbedreigende situaties. Het feit dat verdachte, zoals ook door de verdediging genoemd, op ongecontroleerde wijze heeft gestoken, vergroot daarbij juist de kans dat de aangerichte schade levensbedreigend is. Het ontbreken van stukken ten aanzien van de diepte van de wond en de kracht van het steken maakt dit niet anders.

De gedraging van verdachte kan naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van [benadeelde partij 1] , dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard, zodat dus sprake is van voorwaardelijk opzet. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt dan ook verworpen. Het in zaak A onder feit 1 primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank acht op basis van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] of aangever).

In de nacht van 26 juni 2025 is [benadeelde partij 2] zich met een aantal vrienden naar het [locatie 1] in Amsterdam gegaan omdat hij had vernomen dat de persoon die zijn neefje, [benadeelde partij 1] , een ruime week ervoor zou hebben neergestoken daar aanwezig was. Toen [benadeelde partij 2] verdachte op het terras van [uitgaansgelegenheid 1] zag, stapte hij op hem af en confronteerde hij hem. Dit resulteerde snel in een vechtpartij die zich van het terras naar de straat bewoog. Tijdens de vechtpartij valt verdachte achterover, waarbij hij struikelt over een hek en op straat valt. Op dat moment vallen diverse spullen uit zijn tas. Vervolgens beweegt verdachte zich richting het terras van het naastgelegen [uitgaansgelegenheid 2] en daarbij wordt hij gevolgd door aangever en zijn vrienden. Verdachte heeft op dit moment een mes uit zijn tas gehaald en heeft dat mes in zijn hand vast. Hij duikt op een gegeven moment achter een aantal rijen gestapelde stoelen die tussen de twee terrassen tegen een gebouw aan staan. [benadeelde partij 2] beweegt zich vervolgens weer in de richting van verdachte en slaat op hem in. In de hoek bij de stoelen vindt vervolgens een vechtpartij plaats. Een andere man trekt [benadeelde partij 2] weg uit de hoek waarin hij en verdachte zich bevinden. Daarbij komen verdachte en aangever beide ten val. Op dit moment gooit weer een andere man een glazen fles met kracht omlaag in de richting van verdachte en [benadeelde partij 2] . De schermutseling gaat op de grond verder, waarna beide mannen op staan. Zij hebben elkaar bij de armen vast en na wat duwen en trekken komt verdachte los. [benadeelde partij 2] valt hierbij nogmaals op de grond. Verdachte rent vervolgens weg en aangever staat op en rent achter hem aan. Daarbij roept hij ‘hij heeft me in mijn oog gedjoekt’. Gedurende het conflict heeft aangever een steekwond onder zijn oksel en in zijn oog opgelopen.

De verdediging beschrijft een alternatief scenario waarbij aangever zijn verwondingen heeft opgelopen als gevolg van de glazen fles die in de richting van verdachte en aangever is gegooid op het moment dat zij zich aan de andere kant van de opgestapelde stoelen bevonden. De fles is later gebroken aangetroffen en er is bloed aangetroffen op een scherf. De verdediging stelt dan ook dat een glasscherf van de wijnfles, ofwel een andere geweldshandeling, het letsel van aangever kan hebben veroorzaakt.

De rechtbank acht het scenario dat het letsel van aangever zou zijn veroorzaakt door glas van een glazen fles die in een neerwaartse beweging in de richting van verdachte en aangever werd gegooid onaannemelijk. Op camerabeelden is te zien dat verdachte en aangever worden weggetrokken van de opgestapelde stoelen en kort daarna is te horen dat de fles op een harde ondergrond neerkomt. Verdachte had daarvoor al een mes in zijn hand. Verdachte en aangever vallen op enige afstand van de opgestapelde stoelen op de grond, tegen een hek van [uitgaansgelegenheid 2] , waarbij te zien is dat verdachte slaande bewegingen richting het gezicht van aangever maakt. Daar zet de vechtpartij tussen verdachte en aangever zich voort, waarna verdachte zich lostrekt en wegrent, gevolgd door aangever. Tijdens het wegrennen roept aangever ‘hij heeft me in mijn oog gedjoekt’.

Uit het dossier blijkt dat aangever ernstig letsel aan zijn linkeroog heeft opgelopen, naast letsel in, dan wel net onder zijn rechteroksel. De aard en ernst van het letsel duidt volgens de rechtbank op verwondingen die zijn toegebracht door met een mes met een stekende beweging in het oog en in, dan wel net onder, de oksel te steken. De rechtbank oordeelt gelet op de aard van het letsel, op hetgeen op de camerabeelden wordt waargenomen en op hetgeen aangever daarover direct heeft verklaard, bewezen dat het letsel is veroorzaakt doordat verdachte aangever met een mes heeft gestoken in zijn linkeroog en in, dan wel net onder, zijn rechteroksel.

Het feit dat beide partijen verklaren niet exact te weten op welk moment welke verwonding is veroorzaakt doet hier niet aan af. Verder overweegt de rechtbank dat het op de glasscherf aangetroffen bloed kan worden verklaard door het feit dat de verwondingen van aangever vrijwel direct hevig zijn gaan bloeden. Op het plaats delict zijn op meerdere plaatsen bloedspetters aangetroffen. Deze omstandigheid ontkracht het scenario van de verdediging.

Voorwaardelijk opzet op de dood

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever. De rechtbank dient daarom te beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte.

Verdachte heeft in een worsteling met een mes meermalen richting het bovenlichaam en het hoofd van aangever gestoken. Daarbij heeft hij aangever meermalen geraakt en ernstige verwondingen aan zijn torso en zijn oog veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtofferoplevert. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen en belangrijke slagaders bevinden die door een mes zodanig beschadigd kunnen worden dat dit kan leiden tot levensbedreigende situaties. Daarbij is bovendien bekend dat het hoofd een zeer kwetsbaar gedeelte van het lichaam betreft, waar zich onder andere de ogen, hersenen en belangrijke bloedvaten bevinden. Aangever is in zijn oog geraakt, hetgeen een van de meer kwetsbare delen van de schedel betreft. Wanneer met een mes op het hoofd en het bovenlichaam van een persoon wordt gestoken, bestaat naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat dodelijk letsel kan ontstaan. Het gedurende een geweldsconflict lukraak met een mes steken in het hoofd en het bovenlichaam van een persoon vergroot bovendien de kans op aanzienlijk levensbedreigend letsel.

De gedraging van verdachte kan naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Het verweer van de verdediging wordt daarmee verworpen. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Het in zaak A onder feit 2 primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Het ten laste gelegde bezit van verdovende middelen kan worden bewezen, gelet op de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.

Omdat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de in bijlage II genoemde opgave van de bewijsmiddelen.

4.3.2.

Zaak B

De rechtbank acht op basis van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid.

Verdachte heeft de ten laste gelegde handelingen grotendeels bekend. Hij betwist enkel verbalisant [naam verbalisant 1] in de gracht te hebben geduwd. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de bewijsmiddelen ondubbelzinnig blijkt dat verdachte zich hier wel schuldig aan heeft gemaakt. Verdachte zakt, zoals ook in het proces-verbaal van bevindingen met een omschrijving van de camerabeelden is verklaard, duidelijk door zijn knieën en zet af naar achter, waardoor hij en de verbalisant samen in de gracht belanden. Het in zaak B tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

4.3.3.

Zaak C

De ten laste gelegde overtreding van de Algemene Plaatselijke Vordering (APV) 2008 kan worden bewezen, gelet op de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.

Omdat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de in bijlage II genoemde opgave van de bewijsmiddelen.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A

1

primair

op 17 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij 1] , van het leven te beroven, eenmaal met een mes in de buik van voornoemde [benadeelde partij 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

2

primair

op 26 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, met een mes onder de oksel en in het oog van voornoemde [benadeelde partij 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B

op 19 juni 2025 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen meerdere ambtenaren, te weten [naam verbalisant 1] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en [naam verbalisant 2] (werkzaam als brigadier bij de Eenheid Amsterdam) en [naam verbalisant 3] (werkzaam als brigadier bij de Eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door

- zich uit de greep van die [naam verbalisant 2] en die [naam verbalisant 3] los te rukken en

- zich in tegengestelde richting te bewegen dan die verbalisanten hem trachtten te bewegen en

- wild met zijn armen om zich heen te slaan en

- die [naam verbalisant 1] met kracht in de gracht te duwen;

Zaak C

op 19 juni 2025 te Amsterdam zich op de [locatie 2] heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, althans daarop gelijkende waar, te koop aan te bieden.

6 De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte

6.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, ten aanzien van hetgeen in zaak A onder feit 1 en onder feit 2 ten laste is gelegd, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Zaak A onder feit 1

Op het moment dat de confrontatie omsloeg in fysiek geweld werd verdachte geslagen en stonden er meerdere mensen om hem heen. Verdachte verklaart ook te hebben begrepen dat één van de vrienden van aangever een wapen bij zich droeg. Verdachte kon zich niet aan de situatie onttrekken, gelet op het korte tijdsbestek en hij mocht zich hiertegen verdedigen, waarmee sprake was van noodweer. Subsidiair, indien de reactie van verdachte disproportioneel wordt geacht, was volgens de verdediging in deze situatie sprake van noodweerexces. De overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kwam rechtstreeks voort uit de door de aanval veroorzaakte angst en de paniek van verdachte dat hij in elkaar zou worden geslagen door aangever en de anderen. Meer subsidiair was sprake van putatief noodweer aangezien in voornoemde omstandigheden sprake kan zijn van een verontschuldigbare verkeerde beoordeling van de dreiging waartegen verdachte zich heeft verdedigd.

Zaak A onder feit 2

Primair heeft verdachte uit noodweer gehandeld. Verdachte wordt door een groep mensen benaderd en wordt daarbij vrijwel direct aangevallen door aangever. Verdachte weet zich aan die confrontatie te onttrekken, maar aangever en de anderen blijven hem volgen. De dreiging neemt toe en verdachte trekt zich terug achter een stapel stoelen omdat hij dacht dat één van de vrienden van aangever een wapen trok en op hem richtte, waar hij vervolgens door aangever en de anderen fysiek wordt aangevallen. Op dat moment bestond er geen reële en veilige mogelijkheid voor verdachte om uit de situatie te ontsnappen. Subsidiair is sprake geweest van noodweerexces. Een eventuele overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kwam onmiddellijk voort uit de door voornoemde aanval veroorzaakte angst en paniek voor zijn lijf en leden.

Voor het overige dienen de conclusies van de deskundigen te worden overgenomen.

6.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Zaak A onder feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van hetgeen onder feit 1 van zaak A ten laste is gelegd geen sprake was van noodweer dan wel noodweerexces. Wel is voldaan aan de eis van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Verdachte had echter weg kunnen lopen op het moment dat hij zijn telefoon terug had. Daarbij is de reactie van verdachte disproportioneel geweest tot de aanranding. Van noodweerexces was ook geen sprake aangezien niet is gebleken dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging waarin hij heeft gehandeld, noch dat deze vervolgens geleid zou hebben tot de gedragingen van verdachte. Ten slotte biedt het dossier geen aanleiding uit te gaan van putatief noodweer.

Zaak A onder feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het beroep op noodweer slaagt. Verdachte probeert meermalen weg te lopen van aangever en zijn groep, maar zij volgden hem telkens. Daarnaast liggen de spullen uit zijn tas nog op de grond waar zij zich bevonden. Verdachte komt vervolgens klem te staan tussen een muur en opgestapelde stoelen. Op deze locatie wordt hij (opnieuw) aangevallen door meerdere mensen. In deze situatie was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Verdachte mocht zich in dit geval en op de manier waarop hij dat heeft gedaan, verdedigen tegen het handelen van aangever en zijn vrienden.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer

Een beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk gevaar voor zo een aanranding. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank gaat uit van de, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden zoals in rubriek 4.3.1. overwogen.

Zaak A, feit 1

Aangever heeft de telefoon van verdachte op een gegeven moment gepakt. Verdachte slaagt er in zijn telefoon terug te krijgen van aangever. Meerdere jongens in de groep naderen dan aangever en verdachte. Op dat moment heeft verdachte ervoor gekozen een mes uit zijn tas te halen. Het conflict is geëscaleerd naar fysiek geweld. Ter terechtzitting verklaart verdachte boos en geïrriteerd te zijn geweest gedurende het incident. Hij probeerde de jongens juist te helpen en de situatie op te lossen, onder meer door telefonisch te overleggen met zijn vriend die de fatbike had geleend, een taxi te bestellen en geld (twintig euro) aan aangever aan te bieden voor vervangend vervoer. Verdachte heeft verklaard boos te zijn geworden toen aangever zijn telefoon afpakte. Als gevolg van deze gedraging, en de aanwezigheid van anderen die dreigend op verdachte afkwamen, kreeg verdachte de indruk dat hij kon worden beroofd. Dit maakte hem boos, omdat hij hen juist wilde helpen. Verdachte heeft ter zitting verklaard vanuit deze boosheid te hebben gevochten. Daarbij heeft hij geduwd en met een mes gestoken nadat aangever hem probeerde te slaan. Verdachte heeft verklaard dat zijn ego werd gekrenkt en dat hij niet zwak wilde overkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank was door de gedragingen van de aangever weliswaar sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed op het moment dat de telefoon van verdachte was afgepakt door aangever, maar kunnen de daaropvolgende handelingen van de verdachte, gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Zijn handelingen, een mes in de hand nemen en daarmee steken in het bovenlichaam van aangever, moeten – naar de kern bezien – als aanvallend worden aangemerkt. Bovendien had verdachte zich uit de situatie kunnen verwijderen toen hij zijn telefoon weer in zijn bezit had. Door niet weg te lopen, maar het gevecht aan te gaan heeft verdachte ervoor gekozen zich in een geweldsconflict te begeven.

Het verweer wordt verworpen.

Noodweerexces en putatief noodweer(exces)

Aangezien de rechtbank van oordeel is dat de gedragingen van verdachte niet als verdedigend, maar als aanvallend zijn aan te merken, kan een beroep op (putatief) noodweer(exces) evenmin slagen (vlg. hoge Raad 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788).

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar en de verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit en de verdachte uitsluiten.

Zaak A, feit 2

Verdachte bevindt zich in de desbetreffende nacht op het terras van [uitgaansgelegenheid 1] . Hij wordt benaderd door drie mannen, waaronder aangever. Aangever begint meteen op verdachte in te slaan, waarna zich een geweldsconfrontatie afspeelt. Tijdens de vechtpartij valt verdachte achterover, waarbij hij struikelt over een hek en op straat valt. Meerdere spullen vallen hierbij uit zijn tas op de grond. Vervolgens beweegt verdachte zich richting het terras van het naastgelegen [uitgaansgelegenheid 2] en daarbij wordt hij gevolgd door aangever en een aantal anderen. Een van deze personen houdt zijn hand voor de borst, terwijl hij iets vast lijkt te houden in of achter een tasje dat voor zijn borst hangt. Deze persoon is gericht op verdachte en wordt tegengehouden door een vriend van verdachte. Verdachte heeft op dit moment een mes uit zijn tas gehaald en heeft dat mes in zijn hand vast. Er ontstaat een dreigende situatie, waarbij de achtervolging zich op en neer door de straat verplaatst. Verdachte beweegt zich steeds in tegengestelde richting van de groep van aangever. Daarbij wordt verdachte op een dreigende manier achtervolgd door deze groep. Verdachte houdt hierbij een mes dicht naast en achter zijn lichaam, terwijl hij achteruitloopt en zijn gezicht op zijn achtervolgers gericht houdt. Een andere man in de groep pakt een glazen wijnfles uit een vuilnisbak en begeeft zich richting verdachte. Een derde man uit de groep van aangever houdt zijn arm vervolgens recht voor zich uitgestoken en heeft daarbij een donker voorwerp in zijn hand. Verdachte verklaart gedacht te hebben dat dit een vuurwapen betrof. Getuige [naam getuige] verklaart dat een persoon schreeuwde “Ik ga je schieten”. Verdachte schrikt van de situatie en duikt achter een aantal rijen gestapelde stoelen die tussen de twee terrassen tegen een gebouw aan staan om beschutting te zoeken. Aangever beweegt zich vervolgens met enige snelheid in de richting van verdachte en valt hem aan door op hem in te slaan in de hoek waar de gestapelde stoelen staan. Daar vindt vervolgens een vechtpartij plaats, waarbij verdachte het mes dat hij in zijn hand had gebruikt om zich te verweren tegen de aanval van aangever. Een andere man trekt aangever weg uit de hoek waarin hij en verdachte zich bevinden. Daarbij komen verdachte en aangever ten val. Op dit moment gooit een andere man een glazen fles met kracht omlaag in de richting van verdachte en aangever. De schermutseling gaat op de grond verder, waarna beide mannen opstaan. Zij hebben elkaar bij de armen vast en na wat duwen en trekken komt verdachte los. Aangever valt hierbij nogmaals op de grond. Verdachte rent vervolgens weg en aangever staat op en rent achter hem aan.

De rechtbank oordeelt dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte werd, zoals hiervoor overwogen, agressief benaderd en aangevallen door aangever en zijn vrienden. Dit was een aanval op het lichaam van de verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdediging noodzakelijk is geweest (subsidiariteitsvereiste). De noodzaak tot verdediging ontbreekt als de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en had moeten onttrekken. Er moet voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid hebben bestaan zich te onttrekken. De rechtbank oordeelt dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zich aan het op hem toegepaste geweld onttrok. Verdachte bewoog zich na de eerste confrontatie weg uit de situatie, maar aangever en zijn vrienden bleven hem achtervolgen. Verdachte dook in de hoek bij de stoelen om beschutting te zoeken tegen het (dreigende) geweld. Hier zat hij vast en kon hij niet ontkomen aan de tweede aanval van aangever. Bovendien lagen meerdere spullen van verdachte op de grond, op de plaats waar aangever zich bevond. Er was voor de verdachte geen reële mogelijkheid om weg te komen, terwijl aanhoudend sprake was van een dreigende situatie waarbij hij werd gevolgd en, terwijl hij beschutting zocht, vanuit verschillende kanten fysiek werd aangevallen door meerdere personen.

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. Verdachte heeft zich verdedigd met het mes dat hij in zijn hand had. Dit mes had hij gedurende de achtervolging ter verdediging bij zich, waarbij verdachte het mes dicht naast en achter zijn lichaam hield terwijl hij achteruitlopend weg bewoog van de groep van aangever. Toen hij werd ingesloten bij de rijen gestapelde stoelen bij de muur kon hij niet anders dan zich verdedigen tegen een fysieke aanval van aangever en zijn vrienden. Verdachte stond daarbij in een hoek vast en werd met veel geweld aangevallen van meerdere kanten. Het is in voornoemde omstandigheden aannemelijk geworden dat verdachte niet gericht heeft gestoken, maar afwerende steekbewegingen heeft gemaakt om zichzelf te verdedigen. Op het moment van verdedigen had verdachte het mes in zijn rechterhand, waardoor hij aangever met het mes heeft geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet overschreden.

De verdachte is daarmee niet strafbaar voor de bewezen verklaarde poging tot het toebrengen van dodelijk letsel, omdat aan hem een beroep op noodweer toekomt. De verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van hetgeen in zaak A onder feit 2 aan hem ten laste is gelegd.

De overige feiten

Ten aanzien van de overige feiten is het bewezenverklaarde volgens de wet strafbaar en de verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit en de verdachte uitsluiten.

De rechtbank zal de conclusies van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte in rubriek 9.3. uiteenzetten.

7 Beslag

7.1.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdovende middelen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De officier van justitie stelt voorts dat het een feit van algemene bekendheid is dat contant geld nodig is bij de verkoop van verdovende middelen. Een deel van het in beslag genomen geldbedrag dient daarom verbeurd te worden verklaard en de rechtbank dient daar een passend bedrag voor te schatten. Het overige deel mag aan verdachte geretourneerd worden.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan verdachte geretourneerd dient te worden, aangezien er geen aanknopingspunten zijn dat het geld uit de bewezen verklaarde overtreding afkomstig is. Ten aanzien van het overige beslag heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.

7.2.

Het oordeel van de rechtbank

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven verdovende middelen dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte in zaak C is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Ditzelfde geldt voor het in beslag genomen mes, ondanks dat forensisch onderzoek niet heeft uitgewezen dat dit mes, dat in de woning van verdachte is aangetroffen, met feit 1 of 2 in zaak A in verband kan worden gebracht. De rechtbank zal daarnaast de teruggave aan verdachte gelasten van het inbeslaggenomen geld, te weten een geldbedrag van € 1.560,-. Dit bedrag is niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, aangezien geen daadwerkelijke transacties zijn waargenomen gedurende de handelingen onder zaak C. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

De vordering van [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 2.675,- aan vergoeding van immateriële schade en € 100.000,- aan toekomstige schade (met het verzoek die niet-ontvankelijk te verklaren) te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het deel van de vordering dat ziet op immateriële schadevergoeding geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het deel van de vordering dat ziet op toekomstige schade dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – indien de rechtbank tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering toekomt – op het standpunt gesteld dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is. Allereerst zijn de omvang van het letsel noch de herstelperiode adequaat onderbouwd. De hoogte van de vordering wordt dan ook betwist, aangezien niet vastgesteld kan worden dat bij de benadeelde partij sprake is van letsel zoals genoemd in het door hen aangehaalde hoofdstuk van de Rotterdamse schaal. Daarnaast zou het een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om de procedure aan te houden om de benadeelde partij gelegenheid te geven alsnog de causaliteit tussen het letsel en het handelen van verdachte en de benadeelde partij te onderbouwen. Meer subsidiair dient het eigen aandeel van de benadeelde partij tot een aanzienlijke matiging van het bedrag te leiden.

8.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij Hoofdstuk 13 (licht letsel) van de Rotterdamse schaal, waarbij volgens hem uitgegaan dient te worden van een herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden. De vordering van de benadeelde partij bevat echter geen onderbouwing van de noodzakelijke medische interventies, noch van de herstelperiode. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding aansluiting te zoeken bij dit hoofdstuk en de bijbehorende bandbreedte.

Verdachte heeft ter terechtzitting de littekens aan zijn linkerzij en buik getoond aan partijen. Het betreft één groter litteken van de steekverwonding en een aantal kleine littekens van een noodzakelijke operatie. Verdere onderbouwing van het letsel ontbreekt. De rechtbank ziet hierin aanleiding aansluiting te zoeken bij Hoofdstuk 10, cat. c) van de Rotterdamse schaal en stelt, gelet op de omvang van het letsel en de omstandigheden van de benadeelde partij, de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 2.000,-. Verdachte zal worden veroordeeld dit bedrag te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Toekomstige schade

De benadeelde partij heeft geen enkele onderbouwing aangeleverd voor eventueel in de toekomst te lijden schade, noch aannemelijk gemaakt dat in de toekomst alsnog schade zal ontstaan. Daarbij heeft het feit al ruim 15 maanden geleden plaatsgevonden.

De rechtbank ziet in het voornoemde aanleiding dit deel van de vordering af te wijzen.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen aangezien verdachte, jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.

8.2.

De vordering van [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 3.025,72 aan vergoeding van materiële schade en € 27.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden gelet op het geslaagde beroep op noodweer.

8.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – indien de rechtbank aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering toekomt – op het standpunt gesteld dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is. Verdachte is aangevallen door de benadeelde partij en zijn vrienden, niet andersom. Indien de rechtbank meent dat de benadeelde partij recht heeft op een schadevergoeding, dient deze gematigd te worden. Het deel van de vordering dat ziet op materiële schadevergoeding is onvoldoende onderbouwd. Het deel van de vordering dat ziet op immateriële schadevergoeding is eveneens onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen recente, objectieve medische stukken overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat sprake is van het letsel zoals in het door de benadeelde partij aangehaalde hoofdstuk van de Rotterdamse schaal.

8.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging en legt geen straf of maatregel op aan de verdachte voor feit 2 in zaak A. Volgens de wet kan de strafrechter in dat geval geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

8.3.

De vordering van [naam verbalisant 1]

De benadeelde partij [naam verbalisant 1] vordert € 1.200,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

8.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd dat de gevorderde immateriële schade is gebaseerd op een aantasting die recht geeft op vergoeding. Daarbij betreft het geen situatie waarin de aard en ernst van de normschending zonder meer een aantasting op andere wijze uitwijzen. De door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie betreft andere omstandigheden dan onderhavig geval. De vordering dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Indien de rechtbank de grondslag voor vergoeding wel aanwezig acht, dient de vordering gematigd te worden tot een bedrag van maximaal € 200,-.

8.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 6:106 aanhef en sub b BW komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking als sprake is van letsel, aantasting van de eer en goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze.

Dat sprake zou zijn van fysiek letsel of een aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partij is uit de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De benadeelde partij zou een aantal weken buikkrampen hebben gehad en paracetamol hebben geslikt, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de benadeelde partij is aangetast in de persoon op andere wijze. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.

Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen als direct gevolg van het bewezen verklaarde feit. Gelet op de aard en ernst van dit feit kan de rechtbank niet zonder concrete onderbouwing aannemen dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen als direct gevolg van dit feit. Nu een concrete onderbouwing ontbreekt, zal de rechtbank de vordering hierom afwijzen.

9 De straf en/of maatregel: heropening van het onderzoek

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, in het geval van een bewezenverklaring van één geweldsfeit, een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest voldoende is. Indien de rechtbank twee geweldsfeiten bewezen acht, dient een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd te worden met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht geen tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Verdachte loopt momenteel nog in een voorwaardelijk beëindigde plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Verdachte heeft zich bereid verklaard mee te werken aan eventuele bijzondere voorwaarden. Een dergelijk kader biedt voldoende structuur om verdachte te (blijven) behandelen, begeleiden en controleren. Indien de rechtbank een tbs-maatregel aangewezen acht, verzoekt de verdediging de rechtbank te kiezen voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Verdachte heeft zich bereid verklaard zich aan gestelde voorwaarden te conformeren.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank acht zich, mede gezien de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, op dit moment onvoldoende voorgelicht over de persoon van verdachte om te kunnen bepalen welke straf of maatregel passend is. De rechtbank acht het daarom wenselijk dat over verdachte een nader (maatregelen)rapport wordt uitgebracht door de reclassering waarin de reclassering adviseert over de vraag op welke wijze het recidiverisico het beste kan worden ingeperkt waarbij ook wordt ingegaan op de mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden en welke voorwaarden bij een eventuele voorwaardelijke tbs-maatregel zouden moeten opgelegd. Dat betekent dat het onderzoek heropend moet worden.

Aan deze beslissing liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 23 juni 2026, opgesteld door [naam psychiater] (psychiater) en [naam psycholoog] (psycholoog) naar aanleiding van een observatieperiode bij het Pieter Baan Centrum. Bij verdachte is vanaf jonge leeftijd sprake van gedragsproblematiek. Hij is vanaf zijn 10de levensjaar meermalen in contact gekomen met justitie voor verschillende vermogens- en (gewapende) geweldsdelicten. De moeder van verdachte heeft hem op zijn 11de in de jeugdzorg laten plaatsen. Binnen de jeugdzorg verbleef hij op verschillende besloten en gesloten afdelingen waar hij meerdere traumatische ervaringen mee heeft gemaakt. In 2021 is naar aanleiding van een geweldsincident een PIJ-maatregel opgelegd. Binnen de JJI bleef sprake van ernstige agressie, gericht op status en doelbereiking, met incidenten tegen personeel, en middelengebruik. Hij is een benedengemiddeld intelligente man bij wie sprake is van ernstige persoonlijkheidspathologie. Bij hem is een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis vastgesteld met borderline, antisociale en narcistische trekken. In zijn dagelijks functioneren staan duidelijke problemen in de emotieregulatie op de voorgrond. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis, ten minste matig, in kortdurende remissie in een gereguleerde omgeving. Een eerdere ADHD-diagnose wordt niet opnieuw gesteld omdat de persoonlijkheidsproblematiek de relevante trekken kan hebben beïnvloed ofwel veroorzaakt. Deskundigen concluderen dat, hoewel sprake is van (ernstige) persoonlijkheidsproblematiek en deze problematiek in algemene zin gepaard gaat met een risico op gewelddadig gedrag, er desondanks geen sprake is van een specifieke doorwerking van de geconstateerde problematiek in de ten laste gelegde feiten. Geadviseerd wordt om betrokkene de geweldsfeiten en het bezit van verdovende middelen volledig toe te rekenen. Zij concluderen desondanks dat sprake is van een hoog recidiverisico. De deskundigen onthouden zich, gelet op het gebrek aan doorwerking van de problematiek in de feiten, van een gedragskundig behandeladvies om het recidiverisico te beperken.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 21 september 2026, opgesteld door [naam] van de Verslavingsreclassering GGZ Inforsa. Dit rapport is opgesteld op basis van bovengenoemd rapport van het Pieter Baan Centrum, eerdere reclasseringsadviezen en contact met verdachte. Daarnaast heeft overleg plaatsgevonden binnen het tbs/PIJ-team van GGZ Inforsa. Het psychosociaal functioneren van verdachte is de belangrijkste delictgerelateerde factor. Aan verdachte is op 17-jarige leeftijd een PIJ-maatregel opgelegd voor diefstal, wapenbezit en een steekincident. De voorwaardelijke beëindiging van deze PIJ-maatregel is op 1 april 2026 met één jaar verlengd. Andere risicoverhogende factoren zijn de leefgebieden middelengebruik, het deels negatieve sociale netwerk en de houding van verdachte. Beschermende factoren zijn een steunend netwerk en motivatie voor behandeling en gedragsverandering. Ondanks alle ingezette interventies tijdens de PIJ-maatregel is verdachte teruggevallen in fysiek agressief delictgedrag. Verdachte is eerder aangemeld bij de Waag in Amsterdam voor behandeling gericht op emotie/agressieproblematiek en cannabisgebruik. Deze behandeling bevond zich nog in de opstartfase. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, contactverboden met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , dagbesteding, aflossing schulden en beheersing van middelengebruik.

Ter terechtzitting bevestigen de deskundigen voornoemde conclusies. Daarbij hebben de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum benadrukt dat het zeer ongebruikelijk is om uitspraken te doen over het recidiverisico op het moment dat wordt geconcludeerd dat de aanwezige psychopathologie niet heeft doorgewerkt in de totstandkoming van de ten laste gelegde feiten. De deskundigen hebben verklaard in dit geval aanleiding te zien aan de rechtbank mee te geven dat een hoog risico op toekomstig geweld is getaxeerd dat voortvloeit uit de ernstige persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Psycholoog [naam psycholoog] heeft daarbij verklaard dat zijn inschatting is dat het voor verdachte zeer moeilijk zal zijn om echt tot gedragsverandering te komen.

De rechtbank neemt de conclusies van de gedragsdeskundigen over en is van oordeel dat gelet op deze conclusies het huidige reclasseringsadvies onvolledig is. Daarin wordt immers geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Gelet op het hoge recidiverisico en hetgeen de deskundige heeft verklaard over de leerbaarheid van verdachte, betwijfelt de rechtbank of dat kader passend is om het recidiverisico terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau. In het reclasseringsadvies is de mogelijkheid van een tbs-maatregel niet onderzocht, terwijl naar het oordeel van de rechtbank aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel wordt voldaan. Daarvoor is immers vereist dat bij verdachte sprake was van een stoornis ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten. Doorwerking van die stoornis is daarvoor niet vereist. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk om nader te worden voorgelicht over de inhoud, haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden en stelt hierom de stukken van de zaak in handen van de officier van justitie met als opdracht dat die een maatregelenrapport over verdachte laat opmaken. Daarin dienen in ieder geval de volgende vragen te worden beantwoord:

  • Welke mogelijkheden ziet de reclassering om het hoge risico op recidive in geweldsdelicten naar een aanvaardbaar niveau terug te dringen in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden?

  • Welke voorwaarden dienen daarbij te worden gesteld om de verschillende risicofactoren te beheersen?

  • Welke voorziening voor begeleid/beschermd wonen acht de reclassering aangewezen, mede gelet op mogelijk gereguleerd cannabisgebruik?

  • Welke behandelinstelling kan voor een behandeling gericht op het terugdringen van recidivegevaar zorgdragen, waar zal de behandeling concreet op zien?

10 Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen dan wel te schorsen. Verdachte zit al langdurig vast en deze straf is voldoende geweest.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis gelet op haar requisitoir ten aanzien van de bewezenverklaring.

De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding de voorlopige hechtenis op te heffen, gelet op hetgeen in rubriek 4.3. overwogen ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten. Van een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen sprake. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding de voorlopige hechtenis te schorsen gelet op het hoge recidiverisico en het ontbreken van een overtuigend passend kader waarbinnen dat recidiverisico kan worden ondervangen.

11 Beslissing

De rechtbank heropent het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank stelt de stukken in handen van de officier van justitie, teneinde ervoor zorg te dragen dat de reclassering de mogelijkheid, haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden onderzoekt en hierover een maatregelenrapport opstelt. Daarin dienen in ieder geval de volgende vragen te worden beantwoord:

  • Welke mogelijkheden ziet de reclassering om het hoge risico op recidive in geweldsdelicten naar een aanvaardbaar niveau terug te dringen in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden?

  • Welke voorwaarden dienen daarbij te worden gesteld om de verschillende risicofactoren te beheersen?

  • Welke voorziening voor begeleid/beschermd wonen acht de reclassering aangewezen, mede gelet op mogelijk gereguleerd cannabisgebruik?

  • Welke behandelinstelling kan voor een behandeling gericht op het terugdringen van recidivegevaar zorgdragen, waar zal de behandeling concreet op zien?

De rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van één maand, maar niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat bedoeld onderzoek niet binnen een maand kan worden voltooid.

De rechtbank beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen dag en tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat, met kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte en aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C. Danel, voorzitter,

mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en D.A.J. Buylinckx, rechters,

in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.

[...]

[...]

3 [...]

4 [...]