Inhoudsindicatie
Bekrachtiging vervangende toestemming tot verhuizing.
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 30 oktober 2025
Zaaknummer : 200.352.606/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/02/396884 / FA RK 22-1797 en
C/02/415834 / FA RK 23-5268
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Krijger,
tegen
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N. Wouters.
Deze zaak gaat over:
-
[kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] , hierna: [kind 1] ;
-
[kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] , hierna: [kind 2] .
hierna samen te noemen: de kinderen.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Jeugdbescherming [regio],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zittingsplaats Middelburg van 13 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 12 maart 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
-
het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de verhuizing met de kinderen af te wijzen, en;
-
te bepalen dat [kind 2] emotieregulatietherapie dient te krijgen, dat deze therapie zal worden gegeven door een aan haar school, de [naam school] , gevestigd te [postcode] [vestigingsplaats school] , gemeente [gemeente] , aan de [adres] , verbonden professional en in dit kader de toestemming van de moeder te vervangen door toestemming van het hof, alsmede de Gl te veroordelen uitvoering te geven aan de te dezen te geven beschikking, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor iedere dag dat de Gl weigert uitvoering te geven aan die beschikking.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 21 mei 2025, heeft de moeder verzocht het beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de vader, bijgestaan door mr. Krijger;
-
de moeder, bijgestaan door mr. Wouters;
-
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger GI] (digitale deelname);
-
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger raad] .
Het hof heeft [kind 1] en [kind 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [kind 1] heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De moeder heeft aangegeven dat [kind 1] geen brief kan schrijven of op gesprek kan komen vanwege zijn dissociatie.
[kind 2] heeft hiervan wel gebruik gemaakt en de voorzitter heeft buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met haar gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-
de brief namens de raad, ingekomen bij de griffie op 24 juli 2025 met de mededeling dat een klacht is ingediend door de vader;
-
het V6-formulier met productie S4 namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 1 september 2025;
-
het V6-formulier met productie UU namens de vader, ingekomen bij de griffie op 9 september 2025;
-
de brief namens de raad, ingekomen bij de griffie op 19 september 2025 met de beslissing op de klacht;
-
de brief namens de raad, ingekomen bij de griffie op 25 september 2025 met als bijlage de oplegger bij het raadsrapport naar aanleiding van de beslissing op de klacht.
3 De beoordeling
De vader en de moeder zijn gehuwd geweest. Bij de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 6 maart 2018 is de echtscheiding van de ouders uitgesproken, welke beschikking op 3 april 2018 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij beschikking van de rechtbank van 4 november 2022 en 18 november 2022 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld tot 4 februari 2023.
Bij beschikking van de rechtbank van 26 januari 2023 zijn de kinderen vervolgens onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is steeds verlengd, laatstelijk tot 4 februari 2026.
Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank:
-
in het zaaknummer C/02/396884 / FA RK 22-1797: aan de moeder – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader – toestemming gegeven om met [kind 1] en [kind 2] te verhuizen naar [plaats 1] , en deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
-
in het zaaknummer C/02/415834 / FA RK 23-5268: de verzoeken van de vader afgewezen om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [kind 2] emotieregulatie-therapie dient te krijgen, dat deze therapie zal worden gegeven door een aan haar school, [naam school] , gevestigd te [postcode] [vestigingsplaats school] , gemeente [gemeente] , aan de [adres] , verbonden professional en in dit kader de toestemming van de moeder te vervangen door de toestemming van de rechtbank, alsmede de Gl te veroordelen uitvoering te geven aan de te dezen te geven beschikking, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000.- per dag voor iedere dag dat de GI weigert uitvoering te geven aan de beschikking.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De vader voert, samengevat, het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing naar [plaats 1] toegewezen.
Er is geen noodzaak om te verhuizen en de verhuizing is niet doordacht en voorbereid. De moeder maakt keuzes in haar leven waarbij zij de belangen van de kinderen niet vooropstelt. De moeder wilde samenwonen met haar nieuwe partner want zij was zwanger van hem, maar er was geen sprake van een duurzame en bestendige relatie. De moeder heeft evenmin de mogelijkheden onderzocht of zij met haar partner in de omgeving van [vestigingsplaats school] kon wonen. Niet staat vast dat het voor de moeder, haar partner, de kinderen, en het inmiddels geboren halfbroertje en -zusje (die nog niet naar school gaan) hinderlijk is om naar [vestigingsplaats school] (terug) te verhuizen. Ondanks dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft toegezegd om hangende de procedure niet te verhuizen en om haar woning in [vestigingsplaats school] aan te houden, heeft zij de huurwoning in [vestigingsplaats school] opgezegd en is zij verhuisd. De verhuizing heeft een ingrijpende beperking van de zorgregeling tot gevolg. De doordeweekse contacten komen te vervallen. Op dit moment is er geen contact met de kinderen en het contactherstel komt op geen enkele manier tot stand. Er is sprake van ouderverstoting. De vader wenst op termijn een co-ouderschapsregeling; dan is het van belang dat de ouders dicht bij elkaar wonen. Sinds de verhuizing gaat het bergafwaarts met de kinderen. De kinderen hebben veel moeite om zich staande te houden. [kind 1] gaat niet naar school en de zorgboerderij waar hij een paar keer per week naar toe gaat, heeft aangegeven dat de plek niet passend is omdat [kind 1] een-op-een begeleiding nodig heeft en dat kunnen ze niet bieden. [kind 2] is weliswaar overgegaan naar de volgende klas, maar zou op basis van haar cognitieve ontwikkeling moeten doubleren. [kind 2] heeft anders dan in [vestigingsplaats school] geen ondersteuning op haar huidige school. De vader begrijpt niet dat volgens de raad de tijd de situatie heeft ingehaald en de raad alsnog achter de verhuizing staat. Ook de GI heeft de afgelopen twee jaar niets gedaan met het stukje terugverhuizen. Evenmin hebben ze onderzoek gedaan naar de thuissituatie van de moeder. De vader maakt zich zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder thuis. Dat de kinderen inmiddels al meer dan twee jaar in [plaats 1] wonen, aan de situatie gewend zijn en een halfbroertje- en zusje hebben gekregen is onvoldoende reden om niet terug te verhuizen. Er zijn voldoende redenen voor de terugkeer van de kinderen naar [vestigingsplaats school] . De hele familie van de vader woont in [vestigingsplaats school] en het is een voor de kinderen vertrouwde omgeving. Ook wordt het contactherstel makkelijker. De vader benadrukt dat de terugkeer naar [vestigingsplaats school] voorop staat maar dat er geen dwang moet worden ingezet. De GI heeft hierin een rol. De moeder mag indien nodig in de woning van de vader verblijven zo lang als ze wil.
Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot het verlenen van vervangende toestemming voor hulpverlening voor [kind 2] op haar school in [vestigingsplaats school] afgewezen. De rechtbank doet de zaak eenvoudig af met de overweging dat de moeder haar toestemming heeft verleend en dat dit door de vader niet is ontkend ter zitting. In 2022 heeft de moeder ook toegezegd in afwachting van de eindbeslissing over de verhuizing niet naar [plaats 1] te verhuizen, maar dit vrijwel daags na de zitting alsnog gedaan. De moeder heeft al eerder haar medewerking voor de inzet van hulp voor [kind 2] geweigerd en [kind 2] sinds de herfstvakantie 2024 thuisgehouden van school. De rechtbank heeft erg naïef gedacht over de toestemming van de moeder. Een redelijke afweging van de belangen van partijen had er ook toe moeten leiden dat de rechtbank de verzoeken van de vader zou toewijzen. Als de moeder daadwerkelijk niet voornemens was haar toestemming in te trekken, heeft ze er ook geen last van als dit in een beslissing van de rechtbank juridisch wordt vastgelegd.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan.
Feitelijk verblijven de moeder en de kinderen sinds 2022 in [plaats 1] . De woning in [vestigingsplaats school] heeft zij opgezegd en ze kan hier niet meer naar terugkeren. Het is niet mogelijk om binnen korte tijd een huurwoning in [vestigingsplaats school] te realiseren. De Gl rapporteerde eerder dat een gedwongen terugkeer naar [vestigingsplaats school] een aanzienlijke kans inhoudt tot verdere traumatisering en stagnatie van de traumabehandeling. Een gedwongen terugkeer staat in de weg aan behandeling. De raad vindt op dit moment een gedwongen terugkeer naar [vestigingsplaats school] ook niet wenselijk. Terugkeren naar [vestigingsplaats school] is niet realistisch en heeft ernstige gevolgen voor de ontwikkeling van de kinderen. Een nieuwe omgeving zal met name een weerslag hebben op de stabiliteit van [kind 1] . Hij heeft kindeigenproblematiek en last van dissociaties. Binnenkort zal er een gezinsopname plaatsvinden. De gezinsopname ziet met name op de ontwikkeling van [kind 1] en hoe de moeder hem als opvoeder kan ondersteunen. Er zijn geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Ook wordt er een NIFP-onderzoek gestart naar beide ouders. Schip therapie wordt al een tijdje ingezet voor beide ouders. Voor [kind 2] is Berg van Herstel binnen [zorgaanbieder] aangevraagd en dit zal medio oktober 2025 starten. De moeder begrijpt dat de vader zijn kinderen graag wil zien en spant zich hiervoor in. Ze stimuleert de kinderen in het contact met hun vader en heeft meegewerkt aan de poging tot contactherstel tussen de vader en [kind 2] . De terugkeer naar [vestigingsplaats school] is niet de oplossing. Het is belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor de kinderen. [plaats 1] is inmiddels een vertrouwde omgeving voor de kinderen. [kind 2] gaat al geruime tijd naar school in [plaats 2] en heeft het naar haar zin. De huidige school biedt onder meer ondersteuning bij rekenen. Ook heeft ze veel vriendjes en vriendinnetjes in [plaats 1] . [kind 1] gaat naar een zorgboerderij en is de rest van de dagen bij de moeder thuis. De dagbesteding van [kind 1] is niet meer passend maar er is nog geen andere zorgverlener die de zorg voor [kind 1] kan oppakken.
Het verzoek tot vervangende toestemming voor hulpverlening voor [kind 2] op de school in [vestigingsplaats school] is inmiddels achterhaald. [kind 2] zit hier niet meer op school en er wordt specialistische hulpverlening ingezet buiten school om. Ook heeft de moeder altijd toestemming verleend en deze toestemming nimmer ingetrokken. Ook al zou [kind 2] terugkeren naar de school in [vestigingsplaats school] , dan is hulpverlening zoals de vader verzoekt niet nodig. GGZ-hulpverlening wordt ingezet en dat is voldoende.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende geadviseerd.
Het betreft een complexe situatie. Dat maakt ook dat de raad schuift in haar standpunt en dat er is gekeken naar de nieuwe ontwikkelingen. Voor de gezinsopname en de overige hulpverleningstrajecten is het van belang dat er rust en stabiliteit komt voor de kinderen. Er zijn veel zorgen over de kinderen. Vaststaat dat met een terugverhuizing naar [vestigingsplaats school] de problemen niet zijn opgelost. Gelet op het tijdsverloop, kijkend naar de ontwikkeling van de kinderen en de hulpverlening die wordt opgestart acht de raad het niet in het belang van de kinderen om terug te verhuizen.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende opgemerkt.
Verwezen wordt naar de briefrapportage van de betrokken jeugdbeschermer van 27 augustus 2025 en de bevindingen van de gedragswetenschappers. Hieruit volgt dat er geen passend hulpaanbod is geweest voor de kinderen waardoor de situatie voor de kinderen feitelijk weinig veranderd is. De GI vindt het in het belang van de ontwikkeling van de kinderen dat er een NIFP onderzoek komt, Berg van Herstel wordt ingezet voor [kind 2] , er een gezinsopname voor het gezin van de moeder met [kind 1] en [kind 2] komt en mogelijk nog individuele behandeling en/of diagnostiek voor [kind 1] . De aanmelding voor de gezinsopname is gedaan, maar er zijn lange wachtlijsten. Nog niet duidelijk is welke organisatie de gezinsopname kan oppakken. De GI heeft zorgen over de (negatieve) invloed van een eventuele terugverhuizing op de hulpverlening die in de startblokken staat voor de kinderen.
Het hof oordeelt als volgt.
Vervangende toestemming verhuizing
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen.
Bij een dergelijke beslissing dient het hof - conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen.
Hoewel het belang van de minderjarige een overweging van de eerste orde dient te zijn bij deze belangenafweging, kunnen andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarige. Het gaat onder meer om: het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten, de (on)mogelijkheid om op een andere wijze aan dat belang tegemoet te komen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren, de leeftijd van de minderjarige, de te overbruggen afstanden en de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg.
Ongeacht de vraag of het destijds noodzakelijk was om te verhuizen en of de moeder alle voorwaarden daarbij in acht heeft genomen, acht het hof het net als de raad en de GI niet in het belang van de kinderen om de moeder de toestemming tot verhuizing te onthouden en toe te werken naar een terugverhuizing naar [vestigingsplaats school] . Het hof licht dit toe.
Vaststaat dat de moeder in 2022 met de kinderen naar [plaats 1] is verhuisd. De kinderen wonen hierdoor inmiddels ruim drie jaar, samen met hun halfbroer en -zusje, in [plaats 1] . [kind 2] gaat hier naar school en heeft het naar haar zin. [kind 1] heeft in de omgeving dagbesteding. De kinderen zijn in [plaats 1] geïntegreerd. Tegelijkertijd zijn er veel zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Bij [kind 1] lijkt sprake van psychiatrische problematiek; hij heeft dissociatie aanvallen. Hij gaat al geruime tijd niet naar school. Op de zorgboerderij krijgt hij geen behandeling. Gezien wordt dat [kind 2] zich zorgen maakt over haar broer en geen ruimte ervaart voor het contact met de vader. De traumabehandeling van [kind 1] bij de [instelling] kon niet afgerond worden omdat deze in fase 2 stagneerde. Ten aanzien van [kind 2] geldt dat het niet gelukt is het traject tot omgang met de vader te doorlopen, omdat dit te belastend voor haar bleek. De GI wil nu, gelet op de zorgen over de kinderen, meerdere hulpverleningstrajecten inzetten, te weten een NIFP-onderzoek, Berg van Herstel voor [kind 2] en een gezinsopname van het gezin van de moeder. Het is gelet op de zorgen over de kinderen belangrijk dat de kinderen nu duidelijkheid krijgen over de vraag waar ze mogen wonen. Het is niet in hun belang een stip op de horizon te zetten waarbij de hulpverlening en de boodschap van de GI aan de kinderen gericht moet zijn op een terugkeer naar [vestigingsplaats school] , zoals de vader voorstaat. Dat zou juist onrust geven en de hulpverlening die nu in de startblokken staat mogelijk verstoren. Het is belangrijk dat de hulpverlening voor de kinderen kan starten. Het hof verwacht ook niet dat een terugverhuizing gaat opleveren wat de vader voor ogen heeft en de oplossing is voor de complexe zorgelijke situatie. De afstand tussen de woonplaatsen van de ouders na verhuizing is niet zodanig dat dit contactherstel in de weg staat. Het verzoek van de vader wordt daarom afgewezen.
Vervangende toestemming therapie [kind 2]
Gelet op deze beslissing waardoor [kind 2] niet naar haar oude school in [vestigingsplaats school] zal gaan, heeft de vader geen belang bij de inzet van hulpverlening voor [kind 2] aldaar. Zijn verzoek wordt daarom afgewezen.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 13 december 2024,
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, S.P.A. Wensink-Vergunst en M.A. Ossentjuk en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.