Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit gewoontewitwassen, behorend bij de strafzaak met parketnummer 21-004212-17.
Wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 900.653,85. Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 810.588,47.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005213-21
Uitspraakdatum: 26 oktober 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkorte beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 juli 2017 met parketnummer 05-780074-14, in de ontnemingszaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Procesverloop
Onderliggende strafzaak
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 november 2020 in de strafzaak met parketnummer 21-004212-17 veroordeeld tot straf ter zake van – kort gezegd – het (gewoonte)witwassen van personenauto’s, motoren en een (cash)geldbedrag van € 1.281.126,27.
Namens de betrokkene is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.
Bij arrest van 30 november 2021 heeft de Hoge Raad dit beroep verworpen. Daarbij heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.1.2 het volgende overwogen: “Uit de overwegingen van het hof blijkt echter niet dat het hof bij de vaststelling van dit in de bewezenverklaring opgenomen bedrag van € 1.281.126,27, acht heeft geslagen op het genoemde bedrag van € 71.467,60 dat de verdachte beschikbaar had voor het doen van contante uitgaven. Het oordeel van het hof dat het (volledige) bedrag van € 1.281.126,27 uit enig misdrijf afkomstig is, is daarom niet zonder meer begrijpelijk. De klacht slaagt.” In zijn arrest heeft de Hoge Raad vervolgens overwogen dat het slagen van de cassatieklacht waar de hier aangehaalde overweging op ziet niet tot cassatie kon leiden.
Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn arrest overwogen dat het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [getuige] als getuige door het hof ontoereikend was gemotiveerd. Ook deze overweging heeft niet tot cassatie geleid. In dit verband heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “Het hof heeft de verklaring van [getuige] alleen gebruikt voor het bewijs van het witwassen door de verdachte van een bedrag van € 9.004,82. Dit betekent dat als de verklaring van [getuige] niet voor het bewijs was gebruikt, dit hooguit tot gevolg zou kunnen hebben gehad dat dit bedrag niet zou zijn meegeteld in het bewezenverklaarde geldbedrag. Als dit bedrag van € 9.004,82 en ook het onder 3.1.2 genoemde bedrag van € 71.467,60 in mindering waren gebracht op het bewezenverklaarde geldbedrag van in totaal € 1.281.126,27, zouden de aard en ernst van het bewezenverklaarde – dat naast het witwassen van een geldbedrag ook het witwassen van personenauto’s en motoren omvat – niet zijn aangetast, terwijl ook de kwalificatie ongewijzigd zou zijn gebleven. Daarom heeft de verdachte onvoldoende belang bij cassatie.”
Met de verwerping van het cassatieberoep is het arrest van het hof in de onderliggende strafzaak onherroepelijk geworden.
Ontnemingszaak in eerste aanleg
De officier van justitie heeft een schriftelijke vordering ingediend, strekkende tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze feiten op een bedrag van € 1.392.969,56. Ter terechtzitting heeft de officier zijn vordering gewijzigd tot een bedrag van € 1.309.865,52 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag.
De meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland heeft bij beslissing van 31 juli 2017 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.280.398,88 en heeft aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op datzelfde bedrag.
Ontnemingszaak in hoger beroep
De betrokkene heeft tegen voornoemde beslissing van de rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 17 september 2020 de beslissing van de rechtbank vernietigd en heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.281.126,27 en heeft de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 1.279.421,27.
Ontnemingszaak bij de Hoge Raad der Nederlanden
Namens de betrokkene is cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 30 november 2021 het arrest van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
In zijn arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “In de onder 2.2.1 weergegeven overwegingen heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van €1.281.126,27. Dit oordeel is kennelijk gebaseerd op de opvatting dat de contante uitgaven tot een bedrag van € 1.281.126,27, nu zij voorwerp waren van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen, alleen al daarom wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. Die opvatting is niet juist (vgl. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077). Zonder nadere motivering is daarom niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk tot een bedrag van € 1.281.126,27 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het bewezenverklaarde gewoontewitwassen.”
Onderzoek van de zaak in hoger beroep na terugwijzing door de Hoge Raad
Gelet op de inhoud van het arrest van de Hoge Raad, ligt de ontnemingszaak in volle omvang opnieuw ter beoordeling aan het hof voor.
Voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. Op 9 oktober 2022 heeft de raadsvrouw een memorie van grieven ingediend. Op 1 november 2022 heeft de advocaat-generaal een schriftelijke reactie daarop gegeven. Bij memorie van antwoord heeft de raadsvrouw haar grieven nader toegelicht. Op 2 februari 2023 heeft de advocaat-generaal daarop gereageerd.
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de terechtzitting van het hof van 14 september 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, wat op de terechtzitting van de rechtbank Gelderland besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam , hebben aangevoerd.
De beslissing waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis. Daarom vernietigt het hof het vonnis. Het hof doet opnieuw recht.
De beoordeling van de ontnemingsvordering
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 september 2026 gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 1.200.653,85 en dat de verplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 981.835,66.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft als primair standpunt ingenomen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het door het openbaar ministerie wijzigen van de grondslag van de vordering van artikel 36e lid 2 naar 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zo laat in de procedure in strijd is met artikel 511b Wetboek van Strafvordering (Sv) en voor zoveel onduidelijkheid heeft gezorgd, dat geen behoorlijke effectieve verdediging meer mogelijk is, hetgeen in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering, ondanks de verwijzing naar de kasopstelling, onvoldoende is onderbouwd.
Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat enkele posten ten onrechte in het gehanteerde startbedrag zijn opgenomen, terwijl betrokkene uit die bedragen geen voordeel heeft behaald (waar het gaat om een bedrag van in totaal € 227.531,80) dan wel verkeerd zijn berekend (waar het gaat om een bedrag van in totaal € 73.450,-).
Uiterst subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de betalingsverplichting te matigen waarbij de raadsvrouw heeft gewezen op het waardeverlies van de in beslag genomen voertuigen, de overschrijding van de redelijke termijn en de gezondheid van betrokkene.
Oordeel van het hof
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof stelt voorop dat de rechter grote vrijheid heeft om te kiezen op welke grondslag de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd.1
Voorts overweegt het hof dat van het wijzigen van de grondslag van de ontnemingsvordering door het openbaar ministerie van artikel 36e lid 2 naar 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in zoverre geen sprake is, dat in het “rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel” van 29 september 2015 zowel artikel 36e lid 2 als 36e lid 3 Sr reeds wordt genoemd en dat het doel van het onderzoek was om op basis van de beschikbare gegevens een berekening te maken van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr. Verder stelt het hof vast dat de inleidende vordering tot ontneming welke op 22 september 2016 aan verdachte in persoon is betekend enkel artikel 36e Sr vermeldt als basis voor de vordering en daarbij dus geen specificeert artikellid noemt.
In het licht van het voorgaande, is het hof van oordeel dat de vordering niet in strijd met artikel 511b Sv. Evenmin zijn er beginselen van een goede procesorde geschonden. Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vordering.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij inmiddels onherroepelijk arrest van dit hof van 17 november 2020 in de hoofdzaak veroordeeld tot straf ter zake van het plegen van – kort gezegd – het (gewoonte)witwassen van personenauto’s, motoren en een (cash)geldbedrag van € 1.281.126,27.
Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald, dient te worden vooropgesteld dat het verrichten van witwashandelingen op zichzelf er niet toe leidt dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de veroordeelde oplevert. Het enkele verrichten van de witwashandelingen heeft immers niet tot gevolg dat de opbrengst die met het gronddelict is behaald, toeneemt. Dit sluit evenwel niet uit dat het verrichten van witwashandelingen wel op een andere wijze tot daadwerkelijk voordeel voor de veroordeelde kan leiden, bijvoorbeeld wanneer een veroordeelde voor het verrichten van de betreffende handelingen een beloning heeft ontvangen, of wanneer de uit misdrijf verkregen voorwerpen worden omgezet en daardoor een vermogensvermeerdering optreedt.2
In het onderhavige geval is niet gebleken dat veroordeelde een direct aan te wijzen beloning heeft ontvangen voor de door hem verrichte witwashandelingen. Het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel is op basis daarvan in de onderhavige zaak dan ook niet mogelijk.
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan verder plaatsvinden op grond van artikel 36e lid 3 Sr, als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Als ook aan de overige toepassingsvoorwaarden van het derde lid van artikel 36e Sr is voldaan, is het onder omstandigheden mogelijk om op grond van die bepaling wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen van een betrokkene die is veroordeeld wegens witwassen. Dat is bijvoorbeeld mogelijk wanneer uit een kasopstelling blijkt dat de betrokkene in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf “of andere strafbare feiten” hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke “andere strafbare feiten” op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene het op basis van de kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.3
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling (EKO)
Omdat in het strafrechtelijk onderzoek geen zicht is verkregen op alle individuele transacties/strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten, is er bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de politie voor gekozen om een eenvoudige kasopstelling te vervaardigen. Door middel van deze methode van berekening wordt nagegaan of, en zo ja, in hoeverre betrokkene meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord.
In deze methode worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden, met andere woorden: als het uiteindelijke verschil negatief is, is er sprake van onbekende contante ontvangsten. Een negatieve kas is immers niet mogelijk; men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende contante ontvangstenbron. Van deze onbekende contante ontvangstenbron kan worden aangenomen dat deze tenminste gelijk is aan het verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof heeft in het (onherroepelijke) arrest in de strafzaak (de hoofdzaak) vastgesteld dat het contante geldbedrag van € 1.281.126,27 geen legale herkomst heeft, maar dat dit uit misdrijf afkomstig is. Het gedeelte van dat bedrag dat dáádwerkelijk in het vermogen van verdachte is gevloeid, kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere, onbekend gebleven, strafbare feiten. Anders dan het hof in zijn thans vernietigde beslissing voor het cassatieberoep, gaat het hof er hierbij dus niet van uit dat wederrechtelijk verkregen voordeel door betrokkene is genoten uit het (gewoonte)witwassen zelf waarvoor hij in de strafzaak (hoofdzaak) onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof stelt vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode het navolgende totaalbedrag heeft uitgegeven:
Niet betwiste uitgaven: € 861.887,67;
Lening [naam] : € 15.000,00;
Schenking [naam] : € 25.000,00;
Aanschaf Mercedes Roadster: € 193.000,00;
Aanschaf Mercedes Sprinter: € 45.000,00;
Aanschaf Mercedes [kenteken] : € 14.500,00;
Aanschaf BMW M560/M6: € 36.000,00;
Betaling [bedrijf] : € 5.335,13;
Kantoorbenodigdheden: € 6.664,68;
Aanschaf Audi Q5 € 30.310,00;
Kosten hotel [locatie] € 490,00;
Kosten verbouwing [locatie] € 22.500,00;
Aanschaf Ducati motor € 29.500,00;
Aanschaf Opel Astra € 25.952,00;
Aankoop Ford Bronco € 6.500,00;
Rekeningen [bedrijf] € 1.981,97 +
Totaal: € 1.319.621,45
Het bedrag van € 9.004,82 is in deze opsomming niet (langer) opgenomen naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad in de strafzaak.
Op het totaalbedrag van € 1.319.621,45 moeten de posten restitutie c.q. afpersing en inruil/verkoop Ducati 1199 Panigale en het bedrag dat betrokkene legaal beschikbaar had voor contante aankopen (€ 2.500,00 + € 45.000,00 + € 71.467,60 = € 118.967,60) in mindering worden gebracht, zodat resteert: € 1.200.653,85.
Volgens de verdediging zijn een aantal uitgaven ten onrechte in de berekening meegenomen, omdat die uitgaven gedaan zijn met het bedrag van € 300.000,-, zijnde een lening die betrokkene bij [naam] had afgesloten. Het gaat dan om de volgende uitgaven:
-
€ 1.315,- (collier voor vriendin);
-
€ 1.266,80 (bij fouillering aangetroffen en in beslag genomen);
-
€ 17.000,- (geleend aan [naam] );
-
€ 108.000,- (voor Ferrari, welke direct in beslag is genomen);
-
€ 99.950,- (contant geld in beslag genomen bij ouders betrokkene).
In het voordeel van verdachte zal het hof deze uitgaven niet meenemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat naar het oordeel van het hof, onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit bedrag tot voordeel van betrokkene heeft geleid.
Van de overige genoemde uitgaven stelt het hof vast dat deze uitgaven door betrokkene en voor betrokkene zijn gedaan en daarmee in het vermogen van betrokkene zijn gevloeid en dat zij door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vormen.
Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 1.200.653,85 - € 300.000 = € 900.653,85.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Conservatoir beslag
De verdediging heeft verder aangevoerd dat, door de verkoop van de in beslag genomen voertuigen van betrokkene voor een lager bedrag dan waarvoor deze voertuigen zijn meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, er sprake is van een financieel nadeel voor betrokkene ter grootte van € 113.006,-.n In verband hiermee heeft de verdediging het hof verzocht gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid, te weten door de verplichting tot betaling aan de Staat te verminderen.
Naar het oordeel van het hof ligt het handelen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van zaken en vermogensrechten waarop conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering rust niet ter beoordeling voor aan de rechter die de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel behandelt. Daarvoor staan andere procedures open.
Het hof gaat daarom niet over tot matiging in verband met deze kwestie.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in hoger beroep fors is overschreden.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Tussen het moment van het instellen van hoger beroep op 1 augustus 2017 en de uitspraak in hoger beroep op 26 oktober 2026 zijn in totaal bijna 9 jaren en 3 maanden verstreken. Dit is een overschrijding van ruim 7 jaren.
Het hof zal de betalingsverplichting verminderen, nu het hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is geschonden. Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag waarop het als wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat. In het specifieke geval van de onderhavige zaak ziet het hof aanleiding om het bedrag van de betalingsverplichting te verminderen met 10%.
Draagkracht
Het hof is tot slot van oordeel dat thans niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en dat redelijkerwijs te verwachten is dat hij in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.
Het hof stelt daarom de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 810.588,47.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van het wijzen van deze beslissing.
BESLISSING
Het hof:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 900.653,85 (negenhonderdduizend zeshonderddrieënvijftig euro en vijfentachtig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 810.588,47 (achthonderdtienduizend vijfhonderdachtentachtig euro en zevenenveertig cent)
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Corthals, mr. M.J. Ouweneel en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. M.A.J.H. Muurmans en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 oktober 2026.