Inhoudsindicatie
Consumentenkoop. Tweedehandsauto. Bewijsvermoeden artikel 7:18a lid 2 BW. Geen reden voor uitzondering. Tegendeel onvoldoende onderbouwd. Ontbinding gegrond op artikel 7:22 lid 5 onder d BW.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.353.054
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 10935828)
arrest van 20 oktober 2026
in de zaak van
TSI Specialist B.V.
die is gevestigd in Kootstertille, gemeente Achtkarspelen
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna: TSI
advocaat: mr. A.J. Welvering
tegen
1 [geïntimeerde1] en
2. [geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optraden als eisers
hierna: [geïntimeerde1] c.s.
advocaat: mr. P.T.H. Janssen
1 De verdere procedure bij het hof
Naar aanleiding van het arrest van 13 mei 2025 heeft op 24 juni 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verder verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
-
de memorie van grieven
-
de memorie van antwoord tevens houdende vermeerdering van eis
-
de memorie van antwoord in incidenteel appel
-
de akte uitlating producties van TSI
-
de antwoordakte van [geïntimeerde1] c.s.
Partijen hebben arrest gevraagd. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2 De kern van de zaak
In deze zaak gaat het om de vraag of een door TSI aan [geïntimeerde1] c.s. verkochte tweedehands auto non-conform is en, zo ja, of [geïntimeerde1] c.s. de koopovereenkomst mochten ontbinden. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 20 december 20241 die vragen bevestigend beantwoord en de vorderingen van [geïntimeerde1] c.s. tot terugbetaling van de koopsom en vergoeding van diagnosekosten en die van vervangend vervoer toegewezen. De vordering tot vergoeding van gemaakte reparatiekosten is volledig afgewezen en de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is deels afgewezen. In hoger beroep wil TSI dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. Het hof volgt haar daarin maar voor een klein deel. Het overgrote deel blijft toewijsbaar. De door [geïntimeerde1] c.s. als eisvermeerdering gevorderde kosten van Dekra vindt het hof ook toewijsbaar. Het hof zal hierna toelichten hoe het tot zijn oordelen is gekomen.
3 De toelichting op de beslissing van het hof
De feiten
[geïntimeerde1] c.s. hebben op 23 november 2022 bij TSI een tweedehands BMW cabriolet gekocht voor de prijs van € 35.450,- inclusief inruil van een Volkswagen voor € 6.000,-. De locatie van TSI is ongeveer 200 kilometer verwijderd van de woonplaats van [geïntimeerde1] c.s. Op 8 februari 2023 heeft een garagebedrijf bij [geïntimeerde1] c.s. in de buurt twee O-ringen vervangen na klachten over een verbrande olielucht. Op 14 april 2023 heeft een ander garagebedrijf bij [geïntimeerde1] c.s. in de buurt een injector (van de tweede cilinder) vervangen. In juni 2023 begon de motor te rammelen en daarna is vastgesteld dat de krukas en de drijfstanglagers kapot waren. Vanaf 8 juli 2023 heeft TSI de auto voor herstel onder zich gekregen. Zij heeft het herstel uitbesteed aan een ander bedrijf. In een brief van 29 september 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde1] c.s. de koopovereenkomst ontbonden. De correspondentie die daaraan voorafging is weergegeven in rechtsoverweging 3.4 van het bestreden vonnis. Het hof verwijst daarnaar.
Non-conformiteit staat vast
Niet in discussie is dat hier sprake is van een consumentenkoop. Ook zijn partijen het eens dat binnen een jaar na aflevering van de auto een gebrek is gebleken waardoor de auto niet de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn. De krukas en de drijfstanglagers waren immers defect, waardoor niet meer met de auto gereden kon worden. Dit betekent dat op grond van artikel 7:18a lid 2 BW vermoed wordt dat de auto al bij aflevering non-conform was. Dit vermoeden gaat alleen dan niet op als de verkoper het tegendeel aantoont of als de aard van de zaak of de afwijking zich daartegen verzetten. De kantonrechter heeft beslist dat dit niet het geval is en over dat oordeel klaagt TSI in hoger beroep. Volgens TSI is namelijk overduidelijk sprake van een afwijking die is veroorzaakt door een fout van [geïntimeerde1] c.s., althans van door hen ingeschakelde derden. Dit blijkt volgens TSI uit een rapport van de door haar ingeschakelde partijdeskundige [partijdeskundige appellante]. In die rapportage staat dat de schade is ontstaan doordat bij gelegenheid van de vervanging van een defecte injector (van de tweede cilinder) in april 2023 het betreffende garagebedrijf verzuimd heeft de olie en het oliefilter te vervangen, althans te controleren. Als het bewijsvermoeden toch wel opgaat, dan meent TSI dat zij met de rapportage van [partijdeskundige appellante] in het bewijs van het tegendeel is geslaagd. TSI is daarbij van mening dat aan het tegendeelbewijs in de gegeven omstandigheden, waarbij de koper derden aan de auto heeft laten sleutelen, geen zware eisen mogen worden gesteld. Ook is onder de gegeven omstandigheden volgens TSI het beroep op het bewijsvermoeden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
[geïntimeerde1] c.s. hebben bij memorie van antwoord een rapportage van Dekra in het geding gebracht. In die rapportage wordt de wijze waarop [partijdeskundige appellante] tot zijn conclusie is gekomen ontkracht. Samengevat oordeelt Dekra daarover dat (i) [partijdeskundige appellante] slechts een administratief onderzoek heeft gedaan zonder technisch bewijs, (ii) hij conclusies heeft getrokken die niet objectief kunnen worden getoetst, (iii) hij absolute uitspraken doet op basis van onvolledige en indirecte informatie en (iv) hij voorbijgaat aan het ontbreken van een motorolieonderzoek, verstuiver controle en een test of een inspectie van de motorische componenten.
Verder heeft Dekra geconcludeerd dat (v) op basis van de beschikbare gegevens de oorzaak van de motorschade niet kan worden vastgesteld, (vi) er geen technisch bewijs bestaat dat de injector van cilinder 2 de motorschade heeft veroorzaakt, (vii) er geen technisch bewijs bestaat dat de motor bij aankoop vrij was van interne gebreken of slijtage en (viii) er meerdere alternatieve oorzaken (waaronder olieveroudering, hittebelasting, overschreden onderhoudsinterval en interne vervuiling) reëel zijn en niet zijn onderzocht.
TSI heeft in haar akte uitlating producties de door Dekra genoemde ernstige gebreken aan de rapportage van [partijdeskundige appellante] niet (onderbouwd) weerlegd. Ook de door Dekra genoemde alternatieve oorzaken heeft zij niet bestreden. Maar omdat Dekra de door [partijdeskundige appellante] genoemde oorzaak ook niet uitsluit, vindt TSI het beroep op het bewijsvermoeden nog steeds onterecht, althans (zo begrijpt het hof) acht zij zich geslaagd in het tegendeelbewijs. Het hof gaat daar niet in mee. Het enkele gegeven dat binnen de termijn van een jaar na aflevering ook twee andere garages werkzaamheden aan de auto hebben verricht, kan op zichzelf geen reden zijn om het bewijsvermoeden buitenspel te zetten, al dan niet via artikel 6:248 lid 2 BW. Hooguit kan die omstandigheid meewegen bij de beantwoording van de vraag of voldoende is aangevoerd om tot tegendeelbewijs te kunnen worden toegelaten en of het tegendeelbewijs is geleverd. In dit geval echter volgt uit de niet (voldoende) weersproken rapportage van Dekra dat de conclusie van [partijdeskundige appellante] slechts op speculatie is gebaseerd. Voor de stellingen van TSI geldt daardoor hetzelfde. Gelet daarop is het hof van oordeel dat TSI onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit, indien bewezen, kan volgen dat de non-conformiteit het gevolg is van, of zijn oorsprong vindt in, een omstandigheid die zich na de aflevering van de auto heeft voorgedaan, meer concreet dat die is veroorzaakt door een nalaten van de garage bij de vervanging van injector 2. Het bewijsaanbod dat TSI heeft gedaan is in het verlengde daarvan verder onvoldoende concreet en is ook onvoldoende gespecificeerd.
Op grond hiervan falen grief 1 en een deel van grief 2.
Ontbinding gegrond
Vast staat verder dat ongeveer 12 weken nadat [geïntimeerde1] c.s. op 8 juli 2023 de auto voor herstel aan TSI ter beschikking hebben gesteld, er nog geen herstelwerkzaamheden waren uitgevoerd. Ook staat vast dat TSI in reactie op de herhaalde vraag van [geïntimeerde1] c.s. hoelang het nog gaat duren in een e-mail van 18 september 2023 schrijft: “… daar kan ik helaas niks over zeggen…” Naar het oordeel van het hof is daarmee in elk geval sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:22 lid 5 onder d BW, te weten dat uit de verklaring van de verkoper en de omstandigheden duidelijk blijkt dat herstel niet binnen een redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor de koper tot beantwoording van de zaak aan de overeenkomst zal leiden. Daarbij is van belang dat een auto normaal gesproken een voor een koper belangrijk gebruiksvoorwerp is, dat een koper in het algemeen niet lang kan missen zonder het maken van hoge kosten. Dat dit hier niet het geval is, is niet gebleken. De opvatting van TSI dat het aan [geïntimeerde1] c.s. was om haar een redelijke termijn te stellen en dat de termijn van twee weken als gesteld in een door [geïntimeerde1] c.s. aan haar verstuurde brief van 2 juli 2023 dat niet was en dat [geïntimeerde1] c.s. haar in september 2023 een nieuwe redelijke termijn hadden moeten geven, volgt het hof niet. Naar het oordeel van het hof hoefden [geïntimeerde1] c.s. niet een redelijke termijn te stellen maar begon de redelijke termijn uit zichzelf te lopen vanaf het moment waarop TSI de zaak voor herstel onder zich kreeg, dus 8 juli 2023. Op het moment van ontbinding waren sinds 8 juli 2023 ongeveer 12 weken verstreken en hadden [geïntimeerde1] c.s. van TSI te horen gekregen dat zij niks kon zeggen over de vraag hoe lang het nog kon duren. Onder die omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd dat herstel niet binnen een redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor de koper tot beantwoording van de zaak aan de overeenkomst zou gaan leiden, en waren [geïntimeerde1] c.s. bevoegd tot ontbinding.
Het beroep door TSI op vakantie en volle agenda van de partij aan wie zij de demontage en het herstel van de motor had opgedragen kan niet tot een ander oordeel leiden. Wat betreft het beroep op drukte en volle agenda verliest TSI uit het oog dat het hier niet gaat om normale werkzaamheden, waarbij een opdrachtgever in beginsel zal moeten accepteren dat de opdrachtnemer niet direct tijd voor hem heeft, maar om een wettelijke verplichting van de verkoper om een zaak die niet conform de overeenkomst geleverd is binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de verkoper te herstellen. Ook als redelijkerwijs rekening wordt gehouden met de vakantietijd, is na een periode van 12 weken wel het moment bereikt dat door de koper geconcludeerd mag worden dat herstel niet binnen een redelijke termijn of zonder ernstige overlast valt te verwachten, zeker als de verkoper hem meedeelt dat hij er niks over kan zeggen. Het hof gaat verder niet in op de na de ontbinding ontstane discussie over de verkrijgbaarheid van onderdelen, mede omdat TSI zelf stelt dat die discussie er niet toe doet voor de vraag of op 29 september 2023 al een redelijke termijn was verstreken en [geïntimeerde1]. c.s. tot ontbinding mochten overgaan.
[geïntimeerde1] c.s. waren dus bevoegd de overeenkomst te ontbinden, wat zij hebben gedaan door middel van de brief van hun advocaat van 29 september 2023. Ook hier ziet het hof niet in waarom onder de gegeven omstandigheden artikel 6:248 lid 2 BW, waarop TSI zich heeft beroepen, tot een ander oordeel moet leiden. De klacht over de ontbinding (onderdeel van grief 2) faalt.
De ongedaanmakingsverbintenissen (bedrag € 3.000 niet betaald)
De ontbinding heeft tot gevolg dat partijen van hun verbintenissen onder de overeenkomst zijn bevrijd en dat verbintenissen tot ongedaanmaking ontstaan voor reeds door partijen ontvangen prestaties. [geïntimeerde1] c.s. vorderen op grond daarvan terugbetaling van de volledige koopsom (inclusief een schadevergoeding van € 6.000,- voor de ingeruilde Volkswagen, die niet meer kan worden teruggeleverd) van € 35.450,-. TSI heeft in hoger beroep (onderdeel van grief 2) betwist dat de volledige koopsom is betaald. Volgens haar is naast de inruil van € 6.000,- niet meer dan € 26.450,- betaald. Een bedrag van € 3.000,- is volgens TSI onbetaald gebleven. [geïntimeerde1] c.s. hebben in reactie daarop gesteld dat zij de koopsom van € 35.450 hebben voldaan door de inruil ter waarde van € 6.000,-, een betaling per bank van € 26.450,- en (zoals was afgesproken) een contante betaling bij aflevering van € 3.000,- . [geïntimeerde1] c.s. menen dat de betwisting van deze laatste betaling door TSI “tardief” is en strijdig is met de tweeconclusie-regel en de goede procesorde. Daarnaast beroepen zij zich op rechtsverwerking. Het hof gaat hier aan voorbij. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt mee dat TSI dit nieuwe standpunt in hoger beroep mag voeren. Zij heeft dat gedaan in haar eerste memorie. Van strijd met de tweeconclusie-regel of de goede procesorde is daarom geen sprake. Het beroep op rechtsverwerking hebben [geïntimeerde1] c.s. niet onderbouwd. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Overigens heeft TSI al in haar whatsappbericht van 30 september 2023 aan [geïntimeerde1] c.s. gevraagd hoe het restant is betaald omdat zij in een bankafschrift alleen een bedrag van € 26.450 ziet staan. [geïntimeerde1] c.s. wisten toen dus al dat hierover bij TSI onduidelijkheid bestond. Zij hebben in reactie daarop niet geschreven dat € 3.000,- contant is betaald, maar enkel: “Geen probleem jorrit, het wordt opgelost, je hoeft je niet druk te maken hierover.”
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [geïntimeerde1] c.s. de bewijslast van hun stelling dat zij € 3.000,- contant hebben betaald. Zij hebben echter geen hierop betrekking hebbend bewijsaanbod gedaan. Het hof moet het er daarom voor houden dat van de koopsom niet meer dan € 26.450,- is betaald. Dit deel van grief 2 slaagt daarom. Het hof bespreekt niet de eerdere aanbetaling per bank van € 250,- door [geïntimeerde1] c.s. Dit bedrag is door de kantonrechter toegewezen op grond van onverschuldigde betaling en daar is geen grief tegen gericht.
Kosten vervangend vervoer gedeeltelijk toewijsbaar
[geïntimeerde1] c.s. hebben vergoeding gevorderd van kosten voor vervangend vervoer. Anders dan TSI blijkbaar aanneemt, vindt die vordering zijn grondslag niet in een tekortkoming van TSI in een verbintenis om zelf vervangend vervoer aan te bieden, maar in een tekortkoming van TSI in de verbintenis tot levering van een auto die aan de overeenkomst beantwoordt. De schade die [geïntimeerde1] c.s. lijden gedurende de tijd dat TSI die verbintenis niet nakomt doordat herstel uitblijft kan niet ongedaan worden gemaakt door alsnog na te komen. In zoverre is sprake van onmogelijkheid tot nakoming. Daarop strandt het betoog van TSI dat verzuim ontbreekt.
Wel volgt het hof TSI in haar betoog dat het te ver gaat om ook de kosten van vervangend vervoer die [geïntimeerde1] c.s. hebben gemaakt voor een vakantie naar Italië in mei 2024 nog voor rekening van TSI te brengen. Die vakantie vond plaats ruim ná de ontbinding terwijl de reis ook ná de ontbinding is geboekt (in oktober 2023). Het hof acht deze gevolgen te ver verwijderd van de tekortkoming van TSI om deze nog als een gevolg daarvan daaraan toe te rekenen (artikel 6:98 BW). Het hof merkt nog op dat de schadevergoeding voor te late terugbetaling door TSI van de koopsom zich vertaalt in wettelijke rente daarover, zoals die ook door de kantonrechter is toegewezen. Dit deel van grief 3 slaagt daarom. De vordering van [geïntimeerde1] c.s. tot betaling van het bedrag van € 1.357,04 zal alsnog worden afgewezen.
Kosten diagnose toewijsbaar
[geïntimeerde1] c.s. vorderen vergoeding van de kosten van diagnose van € 97,10. Het gaat hier om een vergoeding voor de werkzaamheden door een plaatselijke garage toen zij met de auto waren gestrand. Gezien de afstand tussen het woonhuis van [geïntimeerde1] c.s. en TSI en het acute probleem acht het hof het redelijk dat zij hier een lokale garage naar hebben laten kijken. Dat wordt niet anders doordat [geïntimeerde1] c.s. er zelf voor hebben gekozen de auto op grote afstand van hun woonhuis te kopen, zoals TSI betoogt. Nu de diagnose bevestigt dat de drijfstanglagers defect zijn, draagt dat bij aan het oordeel over de non-conformiteit, en was het redelijk deze kosten te maken. Ook de omvang van deze kosten acht het hof redelijk. Aan de dubbele redelijkheidstoets van 6:96 lid 2 onder b BW is dus voldaan. Dit deel van grief 3 slaagt dan ook niet.
Grief 4 van TSI mist zelfstandige betekenis.
Incidenteel hoger beroep, kosten Dekra toewijsbaar
[geïntimeerde1] c.s. hebben in hoger beroep hun eis vermeerderd met de kosten van Dekra à € 1.645,60. Tegen deze eisvermeerdering als zodanig is geen bezwaar aangevoerd of gebleken. Wel heeft TSI betoogd dat artikel 6:96 lid 2 onder b BW geen grondslag biedt voor deze vordering omdat die kosten tijdens de procedure zijn gemaakt. Het hof overweegt dat de kosten weliswaar tijdens de procedure zijn gemaakt, maar dat de artikelen 237-240 Rv geen basis bieden voor een vergoeding van dergelijke kosten als onderdeel van de proceskosten. De uitzondering van artikel 6:96 lid 3 BW en 241 Rv mist daarom toepassing. Naar het oordeel van het hof is aan de dubbele redelijkheidstoets voldaan. Het bedrag zal dan ook worden toegewezen.
Conclusie
Het hoger beroep van TSI slaagt slechts in die zin dat van het toegewezen bedrag € 3.000,- en € 1.357,04 niet toewijsbaar zijn Het totale bedrag van € 4.357,04, vermeerderd met de wettelijke rente, zal alsnog worden afgewezen. Hoewel dus het vonnis grotendeels in stand blijft, zal het hof voor de overzichtelijkheid het dictum onder 4.2 geheel vernietigen en opnieuw recht doen. TSI is daarmee de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij en zal daarom in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De proceskostenveroordeling door de kantonrechter blijft in stand. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde1] c.s. slaagt. TSI zal ook in de kosten daarvan worden veroordeeld, omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. Het hof ziet in het belang van het hoger beroep van [geïntimeerde1] c.s. en in het beperkte daarover gevoerde debat aanleiding de proceskosten in dat beroep vast te stellen op € 500,-. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4 De beslissing
Het hof:
In het hoger beroep van TSI
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 20 december 2024, behalve de veroordeling onder 4.2., vernietigt het vonnis in zoverre, en veroordeelt TSI tot betaling aan [geïntimeerde1] c.s van € 33.471,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over:
-
een bedrag van € 32.700,- met ingang van 17 oktober 2023
-
een bedrag van € 771,17 met ingang van de dag van de dagvaarding voor de rechtbank,
telkens tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt TSI tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde1] c.s. tot op heden begroot op:
€ 827,- aan griffierecht
€ 4.175,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] c.s. (2 ½ procespunten x het toepasselijke tarief III);
In het hoger beroep van [geïntimeerde1] c.s.
veroordeelt TSI tot betaling van € 1.645,- aan [geïntimeerde1] c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de vordering is ingesteld, te weten 16 december 2025, tot aan de dag van betaling;
veroordeelt TSI tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde1] c.s., tot op heden begroot op:
- € 500,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] c.s.;
In beide hoger beroepen:
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, M. Wallart en G.J. Meijer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.