UitspraakCiviel recht › Personen- en familierecht

Gerechtshof Amsterdam20 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:2995 · Zaaknummer 200.327.945/01

Bekijk op rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vaststelling omgangsregeling.

Wetsartikel: 1:377a lid 3 BW.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.327.945/01

zaaknummer rechtbank: C/13/729363/ FA RK 23-886 en

beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. J.E. Kötter te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerster hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam.

Als belanghebbende is ook aangemerkt:

-de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hierover is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 5 maart 2024 (hierna: de tussenbeschikking). In de tussenbeschikking heeft het hof onder andere de raad verzocht onderzoek te verrichten naar de vragen met betrekking tot het gezag over [minderjarige] en de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen haar en de vader.

1.2

Nadien heeft het hof de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vader van 5 september 2024 met een bijlage,

- het raadsrapport van 26 september 2024,

- een brief van de zijde van de vader van 16 november 2024.

1.3

Op 4 december 2024 is de mondelinge behandeling voortgezet. Van deze behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal zijn de afspraken van de ouders over het vervolgtraject opgenomen en is afgesproken dat de ouders eind april dan wel begin mei 2025 het hof informeren over de stand van zaken.

1.4

Daarna zijn bij het hof de volgende nadere stukken binnengekomen:

- een bericht van de zijde van de vader van 19 mei 2025, met een bijlage,

- een bericht van de zijde van de moeder van 19 mei 2025,

- een bericht van de zijde van de vader van 20 maart 2026, met een bijlage,

- een bericht van de zijde van de moeder van 4 april 2026, met bijlagen,

- een bericht van de zijde van de moeder van 21 augustus 2026, met bijlagen,

- een bericht van de zijde van de vader van 25 augustus 2026, met bijlagen.

1.5

Op 2 september 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet, daarbij waren aanwezig:

- de vader bijgestaan door zijn advocaat,

- de moeder bijgestaan door haar advocaat,

- de raad, vertegenwoordigd door I. Stuifbergen.

Voorts was ter zitting, met instemming van partijen, een medewerker van het hof in het kader van zijn opleiding als toehoorder aanwezig.

1.6

Op het verzoek van het hof heeft de vader zijn ter zitting gewijzigde verzoek nagezonden op 3 september 2026.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het hof heeft bij de tussenbeschikking de raad verzocht onderzoek te verrichten en schriftelijk advies uit te brengen ten aanzien van de vraag of en in hoeverre zwaarwegende omstandigheden aan gezamenlijk gezag van de ouders in de weg staan en naar de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , de eventuele belemmeringen daarbij en de vraag of en zo ja hoe die belemmeringen kunnen worden opgeheven.

Het hof heeft de beslissing en de verdere behandeling van de zaak ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling aangehouden.

Gezag

2.2

Bij de mondelinge behandeling van 4 december 2024 heeft de vader zijn verzoek om te bepalen dat hij met het gezamenlijk gezag wordt belast ingetrokken, zodat het hof hierop niet meer hoeft te beslissen.

Omgangsregeling

2.3

Tussen de ouders is de omgangsregeling in geschil. De ouders hebben allebei hun verzoeken gewijzigd. Wat er nog aan het hof voorligt is het volgende.

2.4

De vader verzoekt – naar het hof begrijpt – primair, met vernietiging van de bestreden beschikking, een co-ouderschapsregeling vast te stellen, waarbij de vader en [minderjarige] van maandag tot en met de daaropvolgende maandag omgang hebben. Daarnaast verzoekt de vader dat de verjaardag van [minderjarige] om het jaar bij de vader of de moeder plaatsvindt en dat de dag waarop de vader of de moeder jarig is [minderjarige] bij die betreffende ouder is. De vader verzoekt ook te bepalen dat het halen en brengen in het kader van de omgang bij helfte wordt verdeeld.

Subsidiair verzoekt de vader om de volgende gefaseerde omgangsregeling vast te stellen:

Eerste maand

De vader heeft iedere woensdag, aansluitend aan school omgang met [minderjarige] tot en met het avondeten tot 18:00 uur.

Tweede maand

De vader heeft iedere woensdag, aansluitend aan school, omgang tot 18:00 uur. Daarnaast is er eenmaal per twee weken op zaterdag omgang, na het ontbijt tot en met het avondeten, 18:00 uur.

Derde maand

De regeling wordt vanaf de derde maand om de week uitgevoerd:

• in de ene week: op woensdag, aansluitend aan school, tot 18:00 uur;

• in de andere week: op woensdag en donderdag, telkens aansluitend aan school tot 18:00 uur, en op zaterdag vanaf na het ontbijt tot 18:00 uur.

Er vindt in deze fase geen overnachting bij de vader plaats.

Vierde maand

De regeling wordt om de week voortgezet:

• in de ene week: op woensdag, aansluitend aan school, tot 18:00 uur;

• in de andere week: op woensdag, donderdag en vrijdag, telkens aansluitend aan school tot 18:00 uur, alsmede op zaterdag vanaf na het ontbijt tot 18:00 uur.

Ook in deze fase vindt er geen overnachting bij de vader plaats.

Vijfde maand

De regeling wordt om de week voortgezet:

• in de ene week: op woensdag, aansluitend aan school, tot 18:00 uur;

• in de andere week: op woensdag, donderdag en vrijdag, telkens aansluitend aan school tot 18:00 uur, alsmede op zaterdag vanaf na het ontbijt tot 18:00 uur.

In deze fase vindt er voor het eerst een overnachting plaats van woensdag op donderdag bij de vader.

Zesde maand

De regeling wordt om de week voortgezet:

• in de ene week: op woensdag, aansluitend aan school, tot 18:00 uur;

• in de andere week: op woensdag, donderdag en vrijdag, telkens aansluitend aan school, alsmede op zaterdag vanaf na het ontbijt tot 18:00 uur.

In deze fase verblijft [minderjarige] aansluitend bij de vader van woensdag tot en met zaterdag, derhalve met overnachtingen van woensdag op donderdag, van donderdag op vrijdag en van vrijdag op zaterdag.

De vader heeft het hof eerder, te weten bij aanvullend verzoek van 25 augustus 2026, verzocht een dwangsom te verbinden aan de opbouw van deze omgangsregeling.

Indien het hof beslist tot het gelasten van een raadsonderzoek en de behandeling van de zaak om die reden voor bepaalde tijd wordt aangehouden, verzoekt de vader om gedurende de onderzoeksperiode de zorg- en contactregeling op te leggen die de ouders tijdens de mondelinge behandeling van 2 september 2026 in hoger beroep zijn overeengekomen.

2.5

De moeder verzoekt primair, met bekrachtiging van de besteden beschikking, dat zolang [minderjarige] onder behandeling is bij ’t Kabouterhuis geen omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader. Subsidiair verzoekt de moeder dat het contact tussen de vader en [minderjarige] beperkt dient te worden tot één keer in de drie weken, waarbij de omgang dient plaats te vinden onder begeleiding van een voor [minderjarige] bekende persoon. Voorts verzoekt de moeder dat er een nieuw onderzoek dient te worden gedaan naar de veiligheid van [minderjarige] met inachtneming van de informatie over [zoon] , de zoon van de vader, en de bevindingen van ’t Kabouterhuis.

Standpunten

2.6

De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte geen omgangregeling heeft vastgesteld tussen hem en [minderjarige] . Volgens de vader zijn er geen gronden waarop de omgang hem dient te worden ontzegd. De vader betwist dat hij tijdens de relatie de moeder heeft mishandeld. Hij is vanaf de geboorte een betrokken vader geweest en wil graag betrokken blijven in het leven van [minderjarige] . De vader vindt dat het gebrek aan draagkracht bij de moeder er niet toe kan leiden dat hij [minderjarige] niet meer ziet. De moeder heeft in december 2022 eenzijdig besloten dat hij [minderjarige] niet meer mocht zien. De vader heeft in 2025 meegewerkt aan begeleide omgang in het Omgangshuis onder begeleiding van iHub met als doel het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen en toe te werken naar een onbegeleide omgangsregeling. Ondanks het positieve advies vanuit iHub om de omgang onbegeleid plaats te laten vinden, is het de vader niet gelukt om met de moeder hierover tot afspraken te komen. Om die reden heeft de vader ingestemd met omgang bij Monkey Town onder begeleiding van de tante van [minderjarige] (moederszijde). De vader wenst echter structureel onbegeleid contact met [minderjarige] te hebben. Hij heeft [minderjarige] in augustus 2026 voor het laatst gezien. Daarvoor had de vader [minderjarige] tweeënhalve maand niet gezien. De vader staat open voor hulpverlening om de communicatie met de moeder te verbeteren.

2.7

De moeder vindt dat de rechtbank terecht de door de vader verzochte omgangregeling heeft afgewezen. De moeder is op dit moment niet in staat om met de vader te overleggen. De draagkracht bij de moeder om de omgang te faciliteren ontbreekt. De turbulente relatie van de ouders heeft een weerslag gehad op het functioneren van de moeder. Zij heeft nu een burn-out en een uitkering op grond van de Ziektewet. De moeder kampt daarnaast met psychische klachten en zij gaat daarvoor elke week naar de ‘Blijf-groep’. De moeder stelt dat zij tijdens de relatie vaak door de vader is mishandeld voor de ogen van [minderjarige] . De moeder acht het van belang dat [minderjarige] de rust en de ruimte krijgt om hiervan te herstellen. De moeder maakt zich zorgen om de veiligheid van [minderjarige] bij een onbegeleide omgangsregeling. De moeder ziet daarnaast dat de omgang met de vader spanning bij [minderjarige] oplevert. [minderjarige] is beperkt belastbaar op school en zij heeft verschillende keren overgegeven toen zij naar de vader toe moest en na afloop van de omgang. Ook jammerde zij in de auto voorafgaand aan de omgangsmomenten en heeft zij sinds de omgang met de vader nachtmerries. De moeder vindt het om bovenstaande redenen belangrijk dat er eerst diagnostisch onderzoek door ’t Kabouterhuis wordt gedaan bij [minderjarige] voordat er omgang kan plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] .

Het advies van de raad

2.8

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om een raadsonderzoek te gelasten. De raad kan niet zonder meer uit de stukken concluderen dat [minderjarige] zorgelijk gedrag vertoont. Dat [minderjarige] soms moet overgeven voorafgaand aan en na de omgangsmomenten toont aan dat zij spanning ervaart. Het is voor de raad niet duidelijk of die spanning komt door de situatie tussen de ouders of door de omgang met de vader. Om deze reden acht de raad het van belang dat er door de raad een vervolgonderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden voor omgang. ‘t Kabouterhuis kan handelen op basis van de hulpvraag van de moeder, maar heeft geen verplichting om de vader bij het onderzoek van [minderjarige] te betrekken omdat de vader geen gezag heeft. De raad adviseert om de omgang wel door te laten gaan indien het hof beslist om een raadsonderzoek te gelasten aangezien nog een contactbreuk tussen de vader en [minderjarige] niet in haar belang is.

De beoordeling door het hof

2.9

Aan het hof ligt de vraag voor of een omgangsregeling moet worden vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Het kan echter ook voorkomen dat een situatie ontstaat waarin het in strijd met zwaarwegende belangen van het kind is om een omgangsregeling vast te stellen. Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om op basis van de stukken en de zitting in hoger beroep een beslissing te nemen en ziet geen aanleiding om een nader raadsonderzoek te gelasten. Het hof legt hieronder uit waarom.

2.10

Uit de stukken en uit hetgeen is besproken ter zitting in hoger beroep blijkt dat de ouders ieder een andere beleving hebben van wat er is gebeurd tijdens de relatie. Volgens de moeder heeft de vader haar tijdens de relatie mishandeld in het bijzijn van de kinderen. De vader ontkent dit. Het hof kan niet beoordelen wat er precies gebeurd is maar stelt vast dat de turbulente relatie van de ouders impact heeft gehad op [minderjarige] . Zij heeft inmiddels de training Piepje gevolgd en haar traumabehandeling afgerond. De raad heeft in september 2024 al onderzoek gedaan en geadviseerd om toe te werken naar contactherstel tussen [minderjarige] en de vader om tot een omgangsregeling te komen. De raad heeft de moeder vervolgens geholpen bij de aanmelding voor begeleide omgang van de vader en [minderjarige] . De begeleide omgangsmomenten zijn in september 2025 gestart in het Omgangshuis onder begeleiding van iHub en zijn januari 2026 geëindigd. iHub heeft in het eindverslag geadviseerd om de omgang tussen de vader en [minderjarige] onbegeleid te laten plaatsvinden. Het hof onderschrijft dit advies en kan aan de hand van de verslagen constateren dat de vader een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt tijdens de begeleide omgangsmomenten. De vader werd steeds consistenter in de manier waarop hij [minderjarige] begrensde, hij hield zich aan afspraken en bouwde ook rustmomenten in tijdens het spelen met [minderjarige] . Net als de raad ziet het hof niet dat sprake is van concrete onveiligheid tijdens de omgangsmomenten.

Het hof acht zich op basis van het eerdere raadsonderzoek en de verslagen en het advies van de iHub over de afgelopen periode van begeleide omgang dan ook voldoende voorgelicht en is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat er nu een definitieve regeling komt, waarbij de omgang onbegeleid plaatsvindt en wordt uitgebreid en waarbij er duidelijkheid wordt gegeven over de te volgen stappen. Het hof acht het daarbij van belang dat beide ouders proberen [minderjarige] emotioneel toestemming te geven om naar de andere ouder te gaan zodat zij hopelijk minder spanning ervaart en met beide ouders onbelast contact kan hebben. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de spanning die [minderjarige] ervaart voorafgaand aan en na afloop van de omgangsmomenten enkel te wijten is aan de vader, zoals de moeder lijkt te betogen. De door de moeder gestelde bezwaren met betrekking tot de spanning bij [minderjarige] bij de omgangsmomenten geven het hof dan ook geen aanleiding om te beslissen dat onbegeleide omgang niet zou moeten plaatsvinden. Het hof ziet geen aanleiding te wachten met het vaststellen van een omgangsregeling totdat de behandeling bij ’t Kabouterhuis is afgerond. Tijdens het onderzoek en haar behandeling bij ’t Kabouterhuis kan juist de noodzakelijke aandacht worden besteed aan de voor [minderjarige] nieuwe situatie waarin zij haar vader onbegeleid en vaker zal zien.

Bij het vaststellen van de omgangsregeling zal het hof kiezen voor een andere locatie dan de drukke plek (Monkey Town) waar de omgangsmomenten in de afgelopen periode hebben plaatsgevonden; deze locatie bracht namelijk ook veel spanning en prikkels met zich. Om die reden acht het hof het, evenals de raad, van belang dat de omgang op rustigere locaties plaatsvindt. Het is in dat verband positief dat partijen in de marge van de mondelinge behandeling bij het hof afspraken dat de omgang in eerste instantie bij Bagels & Beans en in de bibliotheek zal plaatsvinden en vervolgens bij de vader thuis. Het hof zal hierbij aansluiten.

Het hof kiest voor een stapsgewijze opbouw van de omgangsmomenten, eerst zonder overnachting en na verloop van tijd met, opdat [minderjarige] in een voor haar behapbaar tempo kan wennen aan het doorbrengen van steeds meer tijd met haar vader. Die opbouw geeft de moeder eveneens de gelegenheid om zich op de nieuwe situatie in te stellen.

Gezien de afspraken die partijen hebben gemaakt over de omgang en de coöperatieve houding die ze daarbij hebben aangenomen, acht het hof het opleggen van een dwangsom op dit moment niet aan de orde. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

2.11

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank van 30 maart 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast, die inhoudt dat:

- De eerste maand vanaf heden: de eerste en de tweede woensdag van de eerste maand wordt [minderjarige] door de moeder uit school gehaald en naar de Bagels & Beans of de bibliotheek gebracht. Vervolgens brengt de vader in totaal twee uur met haar door bij de Bagels & Beans of de bibliotheek, waarna hij [minderjarige] weer terugbrengt naar het huis van de moeder.

De derde en de vierde woensdag van de eerste maand wordt [minderjarige] door de vader uit school gehaald, gaat hij met haar naar de Bagels & Beans of de bibliotheek en brengt de vader in totaal twee uur met haar door bij de Bagels & Beans of de bibliotheek, waarna hij [minderjarige] weer terugbrengt naar het huis van de moeder.

- De tweede maand: de vader haalt [minderjarige] elke woensdag uit school op en brengt in totaal drie uur met haar door. De vader brengt [minderjarige] weer terug naar het huis van de moeder.

- De derde maand: de vader haalt [minderjarige] elke woensdag uit school op en eet ’s avonds met haar en zorgt dat [minderjarige] om 18:00 uur weer terug is bij het huis van de moeder.

- De vierde en de vijfde maand: de vader haalt [minderjarige] elke woensdag uit school op en eet ’s avonds met haar. Hij zorgt dat [minderjarige] om 18:00 uur weer terug is bij het huis van de moeder. De vader haalt [minderjarige] elke zaterdag na het ontbijt om 10:00 uur op bij het huis van de moeder. Na het avondeten haalt de moeder [minderjarige] om 18:00 uur op bij het huis van de vader.

- De zesde maand en ieder daaropvolgende maand: de vader haalt [minderjarige] elke woensdag uit school op, waarna [minderjarige] bij de vader overnacht. De volgende ochtend op donderdag brengt de vader [minderjarige] naar school. De vader haalt [minderjarige] elke zaterdag na het ontbijt om 10:00 uur op bij het huis van de moeder. Na het avondeten haalt de moeder [minderjarige] om 18:00 uur op bij het huis van de vader.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. P.F.E Geerlings en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Evers als griffier en is op 20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.