Inhoudsindicatie
Kort geding. Bekrachtiging. Negatieve uitlatingen op social media over (ex-)echtgenote in strijd met Iraans recht. Het verbod tot het doen van negatieve uitlatingen en de veroordeling om de uitlatingen te verwijderen en een rectificatie te plaatsen, op straffe van een dwangsom, blijven in stand.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.352.100/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/360507 / KG ZA 24-748
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 2] , Iran,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
Partijen zijn in augustus 2024 in Iran getrouwd. Zij zijn na het huwelijk niet samen gaan wonen en verbleven respectievelijk in Nederland ( [appellant] ) en Iran ( [geïntimeerde] ). Vanaf eind 2024 heeft [appellant] op Instagram en Telegram berichten over [geïntimeerde] (in het [naam] ) geplaatst. Die berichten bevatten beschuldigingen aan haar adres, en foto’s en video’s van haar. Volgens [geïntimeerde] is dit onrechtmatig. Zij vordert dat het [appellant] wordt verboden om zich in het openbaar negatief over haar uit te laten, verwijdering van de foto’s, video’s en berichten, en plaatsing van een rectificatie. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen in hoofdzaak toegewezen. [appellant] is het daarmee oneens maar het hof volgt hem daarin niet: het bekrachtigt het bestreden vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 25 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 29 januari 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar), onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.
Het hof heeft op 25 maart 2025 een tussenarrest uitgesproken waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast. Deze heeft geen doorgang gevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met twee producties;
- memorie van antwoord.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
Partijen hebben de zaak op de zitting van 28 mei 2026 laten toelichten door mrs. De Haan en Rezaie. [appellant] en [geïntimeerde] zijn zelf niet ter zitting verschenen. Mr. Rezaie heeft tijdens de zitting de producties 3b, 4b, 5a, 5b, 6, 7a, 7b, 8a, 8b, 9, 10a, 10b, 11a en 11b uit het procesdossier in eerste aanleg overgelegd. Deze stukken zijn toegevoegd aan het procesdossier.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[geïntimeerde] en [appellant] zijn in augustus 2024 in Iran met elkaar getrouwd. Inmiddels zijn partijen gescheiden dan wel is nog een echtscheidingsverzoek aanhangig in Iran. Zij zijn na het huwelijk niet samen gaan wonen en verbleven respectievelijk in Nederland ( [appellant] ) en Iran ( [geïntimeerde] ).
[appellant] beschikt over de volgende accounts op sociale media (Instagram): ‘alitehranjerusalem2’ en ‘azad_tehran_jerusalem’. Sinds december 2024 heeft [appellant] op deze accounts en via Telegram foto’s en video’s van [geïntimeerde] en berichten over [geïntimeerde] (in het [naam] ) geplaatst. In die berichten wordt [geïntimeerde] beschuldigd van oplichting, drugsgebruik en overspel, en is geschreven dat zij onderdeel uitmaakt van een (oplichters)bende van de Islamitische republiek Iran. Verder heeft [appellant] in een bericht op Instagram geschreven dat zijn huwelijk berust op een door onder andere [geïntimeerde] bedacht plan, al dan niet om hem geld afhandig te maken. [appellant] heeft diverse foto’s van [geïntimeerde] geplaatst waarop zij zonder hijab (hoofddoek) te zien is, onder meer van de huwelijksvoltrekking tussen hen. Ook heeft [appellant] een foto van de huwelijksakte tussen [appellant] en [geïntimeerde] online gedeeld.
De advocaat van [geïntimeerde] heeft [appellant] per brief en e-mail van 27 december 2024 gesommeerd de geplaatste berichten te verwijderen en verwijderd te houden. [appellant] heeft hieraan niet voldaan.
4 Beoordeling
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – gevorderd dat [appellant] wordt verboden om zich in het openbaar negatief uit te laten over [geïntimeerde] , hem te veroordelen om de foto’s, video’s en berichten te verwijderen en een rectificatie te plaatsen, een en ander op straffe van lijfsdwang dan wel een dwangsom, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en [appellant] , met onmiddellijke ingang, verboden om zich in het openbaar negatief uit te laten over [geïntimeerde] , en/of berichten (op sociale media) te plaatsen over [geïntimeerde] , in die zin dat hem verboden is om [geïntimeerde] ervan te beschuldigen: dat zij een oplichter is; dat zij een affaire heeft (gehad) met andere mannen; dat zij banden heeft met het regime in Iran en dat zij drugs gebruikt. De voorzieningenrechter heeft [appellant] veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het bestreden vonnis de geplaatste foto’s en video’s van [geïntimeerde] en de berichten waarin hij [geïntimeerde] van het hiervoor genoemde beschuldigt, te verwijderen en verwijderd te houden. [appellant] is veroordeeld om aan [geïntimeerde] een dwangsom van € 500 te betalen voor iedere dag dat hij niet aan het verbod of de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000. Daarnaast is [appellant] veroordeeld om een rectificatie in het [naam] te plaatsen op Instagram en Telegram, op straffe van een gelijke dwangsom, en is [appellant] veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.
[appellant] komt met twee grieven op tegen het bestreden vonnis. [appellant] stelt dat ten onrechte veroordelingen jegens hem zijn uitgesproken en hij komt op tegen de opgelegde dwangsom en de proceskostenveroordeling. [appellant] voert samengevat het volgende aan.
De relevante stukken waaruit de uitlatingen over [geïntimeerde] zouden moeten blijken, zijn niet vertaald en waren daarom onleesbaar voor de voorzieningenrechter. [appellant] is in de val gelokt. Bij het huwelijk is door hem en zijn familie een aanzienlijk bedrag in goud en geld betaald ten behoeve van [geïntimeerde] , de bruid. [geïntimeerde] kreeg dit alles onder haar hoede. [appellant] moest na het huwelijk terug naar Nederland en kreeg van daaruit moeilijk contact met [geïntimeerde] . [appellant] is na enige tijd teruggegaan naar Iran en toen bleek hem dat [geïntimeerde] deel uitmaakt van een groep die critici van het huidige regime, zoals [appellant] , in de val probeert te lokken. Als komt vast te staan dat de uitlatingen van [appellant] afkomstig zijn, dan vallen deze uitlatingen onder zijn vrijheid van meningsuiting, omdat hij door [geïntimeerde] is opgelicht, zij aangifte tegen hem heeft gedaan voor belediging van de heiligheden van de islam en verstoring van de nationale veiligheid en omdat zijn Instagram account is gehackt.
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [geïntimeerde] in het buitenland woont. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Tegen de toepasselijkheid van Iraans recht is geen grief gericht, zodat ook het hof het Iraanse recht tot uitgangspunt zal nemen.
Vanwege het karakter van de kortgedingprocedure (artikel 254 Rv) is vereist dat [geïntimeerde] als eiseres een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Het hof stelt met inachtneming van de stand van zaken op dit moment (ex nunc) vast dat dit spoedeisend belang aanwezig is. In hoger beroep is namelijk niet gebleken dat de uitlatingen van [appellant] verwijderd zijn van de genoemde sociale media, zodat [geïntimeerde] belang heeft bij handhaving van de gevraagde voorzieningen.
De voor de beoordeling relevante wetsbepalingen naar Iraans recht luiden als volgt:
Wet op de burgerlijke aansprakelijkheid
Artikel 1
Iedereen zonder wettelijke toestemming, opzettelijk of als gevolg van roekeloosheid ten aanzien van het leven of de gezondheid of eigendom of vrijheid of waardigheid of commerciële reputatie of enig ander recht dat voor individuen is gecreëerd door wet, Als hij schade toebrengt die een ander materiële of morele schade berokkent, is hij aansprakelijk voor de vergoeding van de schade die door zijn handelen is veroorzaakt.
Artikel 8
Degene die door bevestigingen of publicaties die in strijd zijn met de feiten schade toebrengt aan de reputatie, het krediet en de positie van een ander, is aansprakelijk voor schadevergoeding. (…)
Artikel 10
Een persoon wiens waardigheid en persoonlijke of familiale kredieten zijn geschaad, kan
compensatie eisen voor zijn materiële en morele verlies van de persoon die de schade heeft veroorzaakt, telkens wanneer de omvang van het verlies en het soort fout dit vereisen de schade op een andere manier wegnemen, zoals de verplichting om zich te verontschuldigen en het oordeel in de kranten en dergelijke te plaatsen.
Het hof stelt voorop dat [appellant] niet heeft betwist dat de uitlatingen zoals opgenomen onder de feiten, van hem afkomstig zijn. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat zijn Instagram account is gehackt en er onder zijn naam daarom van alles geplaatst kon worden, maar hij heeft niet aangevoerd dat de desbetreffende uitlatingen niet door hem zijn gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. De Haan desgevraagd ook namens [appellant] bevestigd dat niet wordt bestreden dat de uitlatingen van [appellant] afkomstig zijn. Gelet op de vertalingen van de uitlatingen die namens [geïntimeerde] zijn overgelegd, zijn deze bovendien niet onbegrijpelijk voor het hof. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep was ten behoeve van [appellant] – die niettemin niet is verschenen – een tolk [naam] aanwezig, die de juistheid van de overgelegde vertalingen heeft bevestigd.
[geïntimeerde] heeft betwist dat de uitlatingen op waarheid berusten. Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat er enige grond bestaat voor de uitlatingen door [appellant] over [geïntimeerde] . Nergens blijkt uit dat [geïntimeerde] lid is van een (oplichters)bende, of zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, drugsgebruik of overspel. Het hof gaat er daarom vanuit dat [appellant] onwaarheden over [geïntimeerde] heeft geuit.
Het betoog van [appellant] dat de uitlatingen vallen onder zijn vrijheid van meningsuiting en dat deze uitlatingen niet zodanig kwetsend zijn als [geïntimeerde] beweert, gaat niet op. Het hof acht de uitlatingen en het plaatsen van de foto’s en video’s weldegelijk (zeer) schadelijk voor [geïntimeerde] . De uitlatingen van [appellant] kunnen [geïntimeerde] potentieel in gevaar brengen in Iran en hij heeft haar hiermee reputatieschade berokkent. Zoals namens [geïntimeerde] is aangevoerd, en van de zijde van [appellant] niet is betwist, staan op oplichting, drugsgebruik en overspel zware straffen in Iran. Bovendien is het strafbaar in Iran als een vrouw geen hijab draagt. Het is daarom zeer bezwaarlijk dat [appellant] foto’s heeft gedeeld van [geïntimeerde] zonder hijab. De foto’s die van de huwelijksvoltrekking zijn gemaakt, waarbij [geïntimeerde] geen hijab draagt, waren alleen bedoeld voor privé gebruik en niet voor publicatie in het openbaar. [appellant] kan daarom zijn handelen – ook gelet op het hiervoor geduide kwetsende en schadelijke karakter daarvan – niet rechtvaardigen met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. [appellant] heeft met zijn uitlatingen de grenzen van het toelaatbare overschreden.
Het hof acht op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met de artikelen 1, 8 en/of 10 van de Iraanse Wet op de Burgerlijke aansprakelijkheid. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden bekrachtigd. Dat betekent – samengevat – dat het aan [appellant] opgelegde verbod om zich negatief uit te laten over [geïntimeerde] en de veroordelingen om de geplaatste foto’s, video’s en grievende berichten over [geïntimeerde] te verwijderen en een rectificatie te plaatsen, in stand blijven.
Niet is gebleken dat [appellant] aan de veroordelingen in het bestreden vonnis heeft voldaan en/of dat hij de uitlatingen heeft verwijderd. De veroordeling van [appellant] om een dwangsom te betalen van € 500,- per dag, tot een maximum van € 25.000,-, blijft in stand. [appellant] heeft aangevoerd dat de feiten en omstandigheden niet een zodanig hoge veroordeling rechtvaardigen en dat [geïntimeerde] met de gevorderde dwangsom tot doel heeft om [appellant] financieel uit te kleden. Het hof ziet geen aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek van [appellant] tot matiging van de dwangsom. Er bestaat geen aanwijzing dat het opleggen van een lagere dwangsom door [appellant] wel als prikkel tot nakoming wordt ervaren.
Slotsom en kosten
Het hoger beroep heeft geen succes. Het hof gaat aan het bewijsaanbod van [appellant] voorbij omdat dit kort geding zich niet leent voor nadere bewijslevering. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] is in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 362
- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 2.942
5 Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.942;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, B.J. Lenselink en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.