Brief regering

Beantwoording vragen commissie over de Defensienota 2026 – ‘Samen Voorwaarts!’16 oktober 2026

2026D51837

Download (Word)

Tekst

> Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag

de Voorzitter van de Eerste Kamer

der Staten-Generaal

Kazernestraat 52

2514 CV Den Haag

Datum

16 oktober 2026

Betreft

Beantwoording Kamervragen over de Defensienota 2026 – ‘Samen Voorwaarts!’

Ministerie van DefensiePlein 4MPC 58 BPostbus 207012500 ES Den Haagwww.defensie.nlOnze referentieMINDEF20260067877Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.Ministerie van DefensiePlein 4MPC 58 BPostbus 207012500 ES Den Haagwww.defensie.nlOnze referentieMINDEF20260067877Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.

Geachte voorzitter,

Hierbij bieden wij de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die door de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking zijn gesteld over de Defensienota 2026 – Samen Voorwaarts!’. Deze vragen werden ingezonden op 18 september 2026 met kenmerk 182247.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN DEFENSIE

Dilan Yeşilgöz-Zegerius

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Derk Boswijk

Antwoorden op schriftelijke vragen over de Defensienota 26 – Samen Voorwaarts (met kenmerk 182247 d.d. 18 september 2026)

1

In uw brief schrijft u: “een voortrekkersrol te spelen in het bevorderen van een sterker Europa binnen de NAVO.” De leden van de PRO-fractie juichen die doelstelling van harte toe. Hoe zal de regering hier de komende jaren concreet invulling aan geven?

Een sterker Europa in een sterkere NAVO is nodig om beter invulling te kunnen geven aan de NAVO-verdedigingsplannen. De eerste stap daartoe is het invullen van de NATO Capability Targets, waarvoor verhoogde defensie-investeringen nodig zijn. Deze Defensienota zet daarin goede stappen, met investeringen in NAVO-doelstellingen zoals gereedheid, luchtverdediging en het 1ste Duits-Nederlandse legerkorps (1GNC). Verder is Nederland continu in gesprek met bondgenoten over hoe Europese verantwoordelijkheid voor de conventionele verdediging van de NAVO beter mogelijk te maken.

Nederland zoekt actief samenwerking met partners op operationeel vlak, op het gebied van capaciteitsontwikkeling en materieel, en om de defensie-industrie te versterken. Dit gebeurt in zowel NAVO- als EU-verband, maar ook bilateraal en in coalities of kopgroepen.

2

Er is berichtgeving dat de Iran-oorlog leidt tot uitstel van levering van bepaalde militaire producten die bij Amerikaanse producenten zijn besteld als gevolg van acute vraag door de Amerikaanse defensie. Kunt u aangeven of en in hoeverre hiervan sprake is?

Op dit moment is er geen aanwijzing ontvangen vanuit de Amerikaanse overheid en producenten dat leveringen aan Nederland worden uitgesteld naar aanleiding van de oorlog in Iran.

3

In eerdere antwoorden noemde de regering nog expliciet het streven naar minstens 40% gezamenlijke aanschaf naast 50% Nederlandse/Europese inkoop. Deze leden zien dit in deze Defensienota niet terug lijkt het. Hanteert de regering deze norm nog?

Het kabinet hanteert deze streefpercentages conform het coalitieakkoord ‘Aan de slag’. In de Defensienota 2026 zijn deze percentages verwerkt onder ‘Industrieversterkend inkopen’ (pagina 83) en ‘Versterken van de internationale samenwerking’ (pagina 84). In de Stand van Defensie rapporteert Defensie over deze streefpercentages.

4

De regering kiest tegelijkertijd voor versterking van de Nederlandse krijgsmacht in alle operationele domeinen én benoemt de noodzaak van Europees samenwerken. Hoe voorkomt u dat Nederland en andere Europese landen met de sterk stijgende defensiebudgetten grotendeels parallelle nationale krijgsmachten opbouwen? Dat is duur en inefficiënt, zo menen de leden van de PRO-fractie. Welke concrete capaciteiten kiest Nederland er bewust voor níét zelfstandig op te bouwen, omdat Europese partners daarin kunnen voorzien? Als u dit nog niet kan aangeven, wanneer kunt u dat wel?

Defensie zet zich de komende vijf jaar in om de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers te verminderen, waar dit vanuit het oogpunt van leveringszekerheid, strategische autonomie en operationele gereedheid opportuun is. Deze inzet richt zich met name op capaciteiten die binnen Europa en in samenwerking met Europese partners kunnen worden ontwikkeld, geproduceerd en ondersteund. Daarbij gaat het onder meer om: munitie en kritieke onderdelen, onbemenste systemen en counter-dronecapaciteiten en ruimtevaart- en satellietcapaciteiten.

Via het NATO Defence Planning Process (NDPP) worden capaciteitsbehoeften over bondgenoten verdeeld en nationale plannen op elkaar afgestemd, waarbij ook multinationale samenwerking wordt bevorderd, interoperabiliteit wordt nagestreefd en onnodige duplicatie wordt voorkomen. Zie tevens het antwoord op vraag 6.

5

Van het vele dat essentieel is voor hoofdtaak 1 staat de beschikbaarheid van luchtafweer waarschijnlijk met stip op één. Gezien de schaarste aan interceptors bij Amerikaanse bondgenoten in de golf, de zéér hoge prijs en de lange levertijden raken de leden van de PRO-fractie ervan overtuigd dat afhankelijkheid van de Amerikanen op dit punt onaanvaardbaar is. Welke concrete stappen neemt u om deze afhankelijkheid weg te nemen?

Zoals gesteld in de Defensienota versterkt defensie de komende jaren haar geïntegreerde lucht- en raketverdediging als onderdeel van het op orde brengen van de afschrikking. Defensie schaft hiervoor meer capaciteiten aan voor de korte en middellange afstand. We diversifiëren onder meer door de ontwikkeling van lasertechnologie, het overschakelen op Europese leveranciers zoals bij geïntegreerde luchtverdediging (IAMD) en in (inter)nationaal verband bijdragen aan ontwikkelen van benodigde systemen en effectoren.

Nederland werkt hiervoor nauw samen met (Europese) bondgenoten, bijvoorbeeld in de recent opgezette Anti Ballistic Missile Coalition bestaande uit tien Europese landen waaronder Oekraïne, om gestalte te geven aan verschillende projecten waaronder het Oekraïense Freyja-project en het project “Bliksem EXO”, dat wordt uitgevoerd door een consortium van Europese bedrijven onder leiding van het Nederlandse bedrijf Destinus. Dit consortium werkt aan de ontwikkeling van Europese antiballistische exo-atmosferische capaciteiten. Defensie doet omwille van de operationele veiligheid geen uitspraken over specifiekere capaciteitsontwikkeling.

6

In hoeverre leiden de NAVO-capaciteitsdoelstellingen tot het (adequaat) voorkomen van duplicaties/parallelle systemen tussen Europese landen, en tot het realiseren van Europese autonomie? Of blijven er met het invullen van deze capaciteitsdoelstellingen nog significante afhankelijkheden ten opzichte van de VS bestaan?

Het NATO Defence Planning Process (NDPP) is ingericht om te komen tot een samenhangende en interoperabele verdediging van het bondgenootschap, waarbij de daaruit voortvloeiende NATO Capability Targets dienen als het leidende kader voor de gezamenlijke slagkracht. Om duplicatie en parallelle systemen te voorkomen, zet Nederland in op nauwe afstemming tussen de NAVO en de EU. Hierbij worden EU-instrumenten, zoals op het gebied van industriebeleid en gezamenlijke verwerving, ingezet om de in NAVO-verband vastgestelde doelen te realiseren.

Europese autonomie wordt gestimuleerd door afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers te verminderen en te investeren in de ontwikkeling van strategische capaciteiten binnen Europa. Nederland zet hierop in door de Europese defensie-industrie te stimuleren in de negen geïdentificeerde Priority Capability Areas (onder andere luchtverdediging, drone-counter drone systemen en maritieme capaciteiten) en de militaire mobiliteit te vergroten.

Vanwege de hoge kosten en de lange ontwikkelingstijd van complexe, hoogtechnologische systemen blijft Europa voor specifieke capaciteiten de komende jaren afhankelijk van de Verenigde Staten. Om deze afhankelijkheid te beheersen, wordt ingezet op coproductie en co-ontwikkeling met de Verenigde Staten, wat de wederkerigheid en de controle over de eigen materieel-levenscyclus vergroot.

7

In de hele Defensienota 2026 worden voedselzekerheid en voedselvoorziening niet genoemd. Niet alleen de Nederlandse bevolking, maar ook de krijgsmacht moet voldoende kunnen blijven eten en drinken om voort te kunnen (bestaan). Waarom wordt in de nota hier geen aandacht aan geschonken? Hoe kijkt u naar de bescherming van de primaire voedselketen en de agrarische logistiek (zoals distributiecentra en transport) in het geval van militaire of hybride dreigingen of ontwrichting, en is dit voldoende verweven in de plannen voor nationale veiligheid?

Voedselzekerheid is cruciaal voor het functioneren van de samenleving en van de Krijgsmacht. Als onderdeel van de inzet op het vergroten van de maatschappelijke weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen werkt het kabinet aan het weerbaarder en schokbestendiger maken van vitale processen zoals de voedselvoorziening. In de Strategische Agenda Voedselzekerheid, die voor de zomer van 2027 door de Minister van LVVN aan uw Kamer wordt gepresenteerd, wordt aandacht besteed aan het versterken van de veerkracht van het voedselsysteem, het verminderen van strategische afhankelijkheden en het vergroten van crisisparaatheid. Defensie werkt zelf ook intensief samen met partners in de voedselbranche aan een robuuste en weerbare voedselketen voor de krijgsmacht, bijvoorbeeld door het opzetten van samenwerkingsovereenkomsten met voedings- en levensmiddelenketens of de inkoop-challenge voor operationele rantsoenen.

Wat de bescherming van de voedselzekerheid en voedselvoorziening betreft is dit in eerste aanleg een civiele verantwoordelijkheid. In dat kader werkt het Kabinet, zoals aangegeven door de Minister van LVVN in zijn brief van 18 september 2026, aan een landelijk crisisplan voedselzekerheid. De primaire verantwoordelijkheid voor de continuïteit en weerbaarheid van de kritieke diensten ligt bij de eigenaren van kritieke diensten zelf. Indien deze eigen inzet niet volstaat kan een beroep worden gedaan op de civiele autoriteiten (Politie, lokaal gezag of beleidsverantwoordelijk vakdepartement) om te helpen de veiligheid en continuïteit te borgen. Indien noodzakelijk kan het verantwoordelijke civiele gezag bijstand van Defensie vragen.

8

In hoeverre legt het nationale programma voor de ruimtebehoefte van Defensie opnieuw een onnodig zware druk op agrarische gronden in de regio's, nu er wordt gestreefd naar een schaalbare krijgsmacht en grotere munitie- en kazerneterreinen? Waarom wordt door Defensie niet harder ingezet op het hergebruik van reeds bestaande industriële terreinen of verouderd vastgoed in plaats van het claimen van open ruimte en grond die cruciaal is voor de voedselvoorziening en de leefbaarheid van het platteland? Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is meer munitiedepots (en vergelijkbare infrastructuur) in bestaande bossen te bouwen, om zo daarvoor geen waardevolle landbouwgrond (meer) te gebruiken?

Zowel een sterke en inzetbare krijgsmacht als voedselzekerheid, natuur, waterveiligheid en diverse andere opgaven zijn van nationaal belang. Bij de uitwerking van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) is daarom niet op voorhand voorrang gegeven aan het ene nationale belang boven het andere. Op 19 december 2025 is het NPRD definitief vastgesteld. Aan het vaststellen van het NPRD is een zorgvuldig proces voorafgegaan, waarin de ruimtebehoeften van Defensie integraal zijn afgewogen tegen andere nationale en regionale ruimtelijke belangen zoals eerder genoemd.

Bij het inventariseren van die ruimtebehoeften is ook onderzocht in hoeverre de benodigde capaciteiten en activiteiten op bestaande defensieterreinen konden worden ondergebracht, dan wel in samenwerking met bondgenoten in het buitenland konden worden gerealiseerd. Indien deze mogelijkheden onvoldoende bleken om invulling te geven aan de noodzakelijke versterking van de krijgsmacht, is gekeken naar aanvullende locaties. De gemaakte keuzes in het NPRD zijn daarmee het resultaat van een zorgvuldige afweging van de verschillende ruimtelijke belangen in Nederland.

9

Op pagina 93 van de Defensienota 2026 staat een vrij kort en cryptisch stukje tekst over ‘verminderen CO2-uitstoot met 55% in 2030 ten opzichte van 1990, met een voorbehoud voor het operationele domein.’ Garandeert u dat binnen het operationele domein geen enkele afbreuk zal worden gedaan aan de effectiviteit van de krijgsmacht om CO2-uitstoot te verlagen? Anderzijds, wat doet u nu om CO2-uitstoot te compenseren, zoals het planten van meer bomen en ander groen? Hoeveel extra CO2 wordt zo jaarlijks door Defensie aan de lucht onttrokken? Wat wilt u daar nog extra voor doen?

Defensie zet in op energie- en duurzaamheidsmaatregelen die bijdragen aan gevechtskracht. Dit wordt in de Defensienota 2026 onderstreept door de zinsnede “gevechtskracht staat voorop en duurzaamheid draagt daar aan bij”. Dit geldt zowel voor CO2-uitstoot beperkende maatregelen als voor alle overige duurzaamheidsmaatregelen zoals op het gebied van circulariteit.

Defensie maakt bij het monitoren van CO2-maatregelen geen onderscheid tussen compensatie en mitigatie. Voor monitoren wordt de rijksbreed toegepaste CO2-prestatieladder ingezet met als reikwijdte directe emissies (scope 1) en indirecte emissies door ingekochte energie (scope 2). Defensie rapporteert in de Stand van Defensie per kalenderjaar over de CO2-uitstoot van de krijgsmacht.

Defensie neemt verschillende maatregelen die energiezekerheid versterken en tegelijkertijd ook CO2-uitstoot beperken zoals: het toepassen van duurzame brandstoffen voor varen, vliegen en rijden (30% duurzame brandstoffen in 2030); 100% duurzaam opgewekte stroom en 7,5% groen gas van Nederlandse bodem voor defensielocaties. Defensie halveert specifiek voor zakelijke mobiliteit de uitstoot in 2030 ten opzichte van 2022 in overeenstemming met landelijke doelen (Rijksdoelstelling voor zakelijke mobiliteit) en maakt voor CO2-compensatie zakelijk vliegen gebruik van het Corporate Sustainable Aviation Fuel Programma met een maximum van €500.000 per jaar. Defensie werkt met betrekking tot vastgoed met de Routekaart 2.0 toe naar vastgoed en terreinen die klimaatneutraal, klimaatadaptief, natuurinclusief en circulair zijn in 2050. Defensie zet daarmee koers richting de Rijksbrede eindnorm van 2050 (energieneutrale gebouwen en aardgasvrij).

Defensie heeft geen actief programma om CO2-uitstoot te compenseren. Het natuurbeleid van Defensie is er op gericht om natuurwaarden op Defensieterreinen te vergroten, versterken en herstellen.

10

Wat wilt u meer doen om Nederlandse defensie-industrie-bedrijven te steunen om hun productie te verhogen? Kunnen ook kleine Nederlandse scheepswerven, ook in de markt voor grote privé-jachten, meer worden ingeschakeld voor de Nederlandse of andere marines? Wat kunt u doen om kleine of familiebedrijven, die moeilijker vreemd kapitaal kunnen aantrekken en dus voor-investeren, betere kansen te geven op verkoop aan Defensie? Hoe wordt gewaarborgd dat de miljardeninvesteringen niet enkel naar grote (stedelijke of internationale) defensieconcerns vloeien, maar dat ook de mkb(-familiebedrijven) en toeleveranciers in de provincies hier direct van profiteren? Veel technologische innovaties en onbemenste systemen (zoals drones) zijn zogenaamde dual-use toepassingen die ook voor de agrarische sector of regionale logistiek interessant zijn. Waarom wordt er in de defensienota niet actiever gekoppeld aan regionale ‘broedplaatsen’ en kennisinstituten buiten de Randstad om burger- en defensie-innovatie slim te combineren?

In de eerste plaats is het bieden van lange-termijn zekerheid aan bedrijven cruciaal. Daarom is Defensie de afgelopen periode voor verschillende belangrijke capaciteiten nieuwe strategische partnerschappen aangegaan. Deze partnerschappen stellen bedrijven in staat innovatieve producten voor Defensie te industrialiseren en opschalen. Binnen de aanpak voor onbemenste systemen (het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen) informeerde Defensie uw Kamer over drie van dergelijke strategische partnerschappen. Defensie breidt deze aanpak uit naar andere domeinen. Dat vereist dat Defensie in samenwerking met de industrie duidelijke keuzes gaat maken voor welke capaciteiten, op basis van gewenste operationele effecten, in Nederland moeten worden ontwikkeld, geproduceerd en in stand gehouden. Het Nationaal Programma voor Defensie Industrie en Innovatie, dat u in november zal ontvangen, zal dit verder toelichten.

Voor zowel de behoefte aan scheepsbouw als –onderhoud is het de ambitie van Defensie om zo veel mogelijk de Nederlandse maritieme maakindustrie te betrekken. Dit beperkt zich niet tot enkel de grote werven, maar omvat ook de innovatiekracht en specialistische kennis en kunde van kleine werven, waaronder de jachtbouwindustrie, zijn voor defensie van grote waarde – bijvoorbeeld in het opkomende onbemenste domein waarin kleinere, maar hoogwaardige systemen een grote rol spelen. Traditioneel weten Defensie, de maritieme maakindustrie industrie en kennisinstellingen elkaar goed te vinden, maar om het potentieel van de maritieme maakindustrie optimaal te benutten, zet Defensie in op het centraal en vroegtijdig betrekken van de industrie. Voorbeelden hiervan zijn initiatieven Dutch Naval Design en Maritime Mainenance Valley, waarbij, aan de hand van de operationele behoefte van de Koninklijke Marine, kortcyclisch en effectgestuurd samengewerkt wordt met industriepartners, waaronder kleinere werven.

De rol van mkb en toeleveranciers is cruciaal voor Defensie. Defensie verkort het verwervingsproces via verschillende wegen. Deze initiatieven verminderen niet alleen de administratieve lasten van Defensie zelf, maar ook die van het bedrijfsleven. Juist het mkb profiteert verhoudingsgewijs vaak nog meer van deze lastenverlichting dan grote bedrijven. Zo zet Defensie zich in voor het aanpassen van de Europese aanbestedingswetgeving. Minder Europese aanbestedingsprocedures en als gevolg daarvan meer opdrachten die rechtstreeks gegund kunnen worden. Dit vergroot de toegankelijkheid van kleinere bedrijven tot Defensie. Bovendien identificeert en treft de Taskforce Versnellen Inkoop versnellingsmaatregelen, waarover uw Kamer eerder geïnformeerd is (Kamerstukken II 2024/25, 36600 X, nr. 84). Een belangrijke maatregel is het verhogen van de inkoopmandaten. Hiermee hebben inkopers meer handelingsvrijheid, wat de doorlooptijd van inkoopdossiers met een laag risicoprofiel significant verkort. Deze versnellingsmaatregelen stralen ook uit naar het bedrijfsleven en in het bijzonder naar kleinere ondernemingen, omdat een kortere doorlooptijd vaak beter aansluit op hun bedrijfsvoering.

Tot slot willen wij daarbij benadrukken dat Defensie aandacht heeft voor ‘dual-use’ technologie. Zo werkt Defensie samen met bedrijven uit de dronesector, die nadrukkelijk ook civiele toepassingen produceren. Defensie doet dit bijvoorbeeld in de regio Eindhoven, Delft en Twente, waar tevens Technische Universiteiten gevestigd zijn.

11

De nota kondigt aan dat er fors wordt geïnvesteerd in innovatie en dat er een speciale Defensie Innovatie Opschalingsautoriteit komt om ideeën sneller van het lab naar het front te brengen.

Hoe wordt gegarandeerd dat deze autoriteit niet verzandt in ‘Haagse bureaucratie’ en dat regionale innovatiehubs en mkb-bedrijven in de provincies hier daadwerkelijk van profiteren in plaats van enkel de grote gevestigde tech-concerns?

De doelstelling van de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) is het aanjagen van disruptieve militaire innovatie en Defensie innovaties opschalen in Nederland om (1) de slagkracht van de krijgsmacht te vergroten, (2) onze strategische autonomie te vergoten en (3) om positieve maatschappelijke- en economische spill-overs voor Nederland te realiseren, gericht op een sterkere defensiesector en meer productie in Nederland.

De Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) zal op afstand (arm’s length) van Defensie worden geplaatst, ten behoeve van autonomie, wendbaarheid, snelheid en samenwerking met externe partners, zoals innovatiehubs en MBK-bedrijven in de provincies. De sturing vanuit Defensie is beperkt tot de thema’s (capabilities, capaciteiten en militaire effecten) waar DIOA zich inhoudelijk op zal gaan richten, niet de wijze waarop zij dat doet. Er zal aan Defensie verantwoording over besteding van publieke middelen worden afgelegd.

DIOA wordt een nieuwe schakel in het bestaande Defensie-ecosysteem. Het zal daarmee ook gebruikmaken van bestaande samenwerkingsverbanden en bijvoorbeeld de MINDbases, voor regionale aansluiting.

U wordt in november nader geïnformeerd over innovatie bij het publiceren van het Nationaal Programma Industrie en Innovatie. Specifiek over DIOA volgt ook in november nadere informatie.

12

Op pagina 96 schrijft u over de Wet weerbare defensie-industrie, inclusief een voornemen tot het creëren van (meer) wettelijke mogelijkheden voor marktregulering, zoals het ‘bedrijven verplichten strategische voorraden aan te leggen’. Gaat het hier alleen om voorraden voor Defensie, of ook om voorraden voor andere delen van of zelfs de hele Nederlandse samenleving? Wordt ook gedoeld op strategische voorraden zoals van zeldzame aardmetalen, basismaterialen en voedsel? Gaan ook strategische diensten en andere capaciteiten in de wet worden opgenomen, of alleen fysieke voorraden?

Op grond van de Wet weerbare defensie-industrie kan een bedrijf worden aangewezen om een strategische voorraad aan te leggen. Deze voorraden moeten betrekking hebben op de defensie(toeleverings)keten en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht zekerstellen. Gedacht kan worden aan onderdelen, munitie of medische materialen. Op basis van de Wet weerbare defensie-industrie kan een bedrijf ook worden aangewezen om een dienst van algemeen economisch belang te leveren. Dit betekent dat een bedrijf een bepaalde dienst moet leveren die van cruciaal belang is voor de inzet en operationele relevantie van de krijgsmacht. Dit zorgt ervoor dat essentiële capaciteiten tijdig en veilig beschikbaar zijn, ook bij een crisis. Deze verplichtingen worden alleen in uiterste gevallen, bij een klein aantal bedrijven en onder strikte voorwaarden ingezet.

13

De leden van de BBB-fractie merken op dat er in de Defensienota veel aandacht uitgaat naar de bescherming van offshore-infrastructuur, maar verdient de bescherming van vitale knooppunten op land (zoals energienetwerken, waterhuishouding en de voedseldistributie in de regio) niet ook extra investeringen binnen de totale veiligheidsarchitectuur van de nota?

De oorlog in Oekraïne laat zien dat steun van de bevolking cruciaal is. Een weerbaar Nederland vraagt om een samenleving die voorbereid, veerkrachtig en betrokken is. Dit geldt voor alle delen van de samenleving en zeker voor de weerbaarheid tegen (hybride) dreigingen ten aanzien van de vitale infrastructuur.

Zoals we ook in de Defensienota beschrijven, werken we daarom nauwer samen met andere overheden, bedrijven, vitale sectoren en burgers, zodat Nederland ook onder druk blijft functioneren. We werken gezamenlijk plannen uit en maken bestuurlijke afspraken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Zo ondersteunt Defensie de samenleving bij crises, het opruimen van explosieven of het bewaken en beveiligen van personen en objecten, waaronder de genoemde vitale infrastructuur.

Ook gaat Defensie binnen Europa meer samenwerken op het terrein van militaire mobiliteit om militair materieel en onze mensen effectief te kunnen verplaatsen en werken we aan capaciteit om Host Nation Support (gastlandondersteuning) te kunnen leveren. Beide inspanningen komen direct dan wel indirect ook ten goede aan de bescherming van vitale knooppunten.

Zoals ook bij de beantwoording van vraag 7 vermeld, is het uitgangspunt dat de primaire verantwoordelijkheid voor de continuïteit en weerbaarheid van de kritieke diensten bij de eigenaren van kritieke diensten zelf ligt. Indien deze eigen inzet niet volstaat kan een beroep worden gedaan op de civiele autoriteiten (Politie, lokaal gezag of beleidsverantwoordelijk vakdepartement) om te helpen de veiligheid en continuïteit te borgen. Indien noodzakelijk, zoals bijvoorbeeld in het geval van ernstige dreigingen, kan het verantwoordelijke civiele gezag bijstand van Defensie vragen.

14

Op pagina 25 van de Defensienota staat in een kadertekst: ‘dragen bij aan de aanpak van de schaduwvloot’. Dit wordt nergens in de nota toegelicht. Wat wil de regering tegen de Russische schaduwvloot doen? Wat is de wettelijke grondslag voor deze aanpak? Wanneer kan naar verwachting extra, benodigde wetgeving worden ingevoerd? Waar in de wereld wil zij bijdragen? Zijn er ook andere landen dan Rusland met een ‘schaduwvloot’ en wilt u ook bijdragen aan de aanpak daarvan?

Het kabinet neemt de signalen rond de schaduwvloot serieus en zet zich in om de risico’s daarvan aan te pakken. Hierbij maakt het kabinet gebruik van een integrale aanpak tegen het ‘ecosysteem’ van de schaduwvloot. Het doel hierbij is om kosten te verhogen en zo het Russische businessmodel te verstoren. Dit raakt het Russische vermogen om de oorlog in Oekraïne te financieren. Deze aanpak gebeurt in Europees en internationaal verband, onder meer via het uitbreiden van sancties, ook tegen het ondersteunende netwerk, en het aanspreken van vlaggenstaten en buitenlandse havenautoriteiten.

Buiten de territoriale zee heeft Nederland op grond van artikel 110 van het VN-Zeerechtverdrag het recht om onderzoek te doen naar de nationaliteit van een schip indien er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat het schip geen nationaliteit heeft. Nederland mag daarbij aan boord gaan van dat schip om de nationaliteit van dat schip te verifiëren.

Het VN-Zeerechtverdrag bevat geen bepalingen over eventuele vervolgacties, zoals het openen van een strafrechtelijk onderzoek. De vraag of een vervolgactie mogelijk is hangt dan ook af van de mogelijkheden die de Nederlandse wet- en regelgeving biedt voor optreden. Op dit moment zijn de mogelijkheden om op te treden tegen schepen zonder nationaliteit op grond van bestaande wet- en regelgeving beperkt.

Daarom heeft het kabinet met spoed gewerkt aan aanvullende wetgeving om waar mogelijk robuuster te kunnen optreden tegen de schaduwvloot. Het voorstel voorziet, onder meer, in essentie in een verbod op vaart zonder nationaliteit (dus ook vaart onder valse vlag) en de bevoegdheid om een schip zonder nationaliteit op zee aan te houden (aan de ketting te leggen), niet alleen in onze territoriale zee en exclusieve economische zone, maar ook daarbuiten (op volle zee en in de exclusieve economische zones van andere staten). Het wetsvoorstel is op 9 oktober 2026 aan de Tweede Kamer voorgelegd.

Nederland richt zich in de aanpak van de schaduwvloot primair op de nabije regio, de Noord-West flank van Europa. Daarbij zoekt Nederland nadrukkelijk de samenwerking met andere landen, zoals de Noordzeelanden. Vanwege operationele- en veiligheidsredenen doet het kabinet geen uitspraken over specifieke details aangaande het operationeel optreden tegen de schaduwvloot, inclusief (potentiële) locaties van dergelijk optreden.

Er zijn ook schaduwvloten die zich richten op het vervoer van gesanctioneerde ladingen olie uit andere landen, zoals Iran en Venezuela. Op dit moment richt Nederland zich primair op de aanpak van de Russische schaduwvloot. Het instrumentarium om de schaduwvloot aan te pakken, inclusief de nieuwe wetgeving, is daartoe echter niet beperkt en kan desgewenst breder ingezet worden om andere schaduwvloten aan te pakken.

15

Hoeveel fte betreft de uitbreiding van de Koninklijke Marechaussee die wordt genoemd in de nota? Hoeveel wordt de bijstandscapaciteit van de Koninklijke Marechaussee aan het civiele gezag daarmee uitgebreid? Zowel met haar eigen binnenlandse, niet-militaire activiteiten als doordat zij bijstand aan het civiele gezag en de civiele politie kan leveren, is de Koninklijke Marechaussee van groot belang in tijden van spanning, dreiging, grote openbare ordeverstoringen, aanslagen of hybride oorlogsvoering binnen het Nederlands grondgebied. Heeft de minister voornemens om de capaciteit van de Koninklijke Marechaussee verder uit te breiden, ook in afstemming met andere ministeries? Zou het volgens u, om de capaciteit van de Koninklijke Marechaussee uit te breiden, inclusief haar bijstandspotentieel voor het civiel gezag, wenselijk zijn om de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO) in de Koninklijke Marechaussee op te nemen? En de (voormalige) Rijks Beveiligingsorganisatie (RBO)? Heeft u de wens wetswijzingen voor te stellen voor bijstandsverlening, zoals de betreffende artikelen in de Politiewet? Lang niet alle, vaak gespecialiseerde eenheden van de krijgsmacht die bijstand kunnen leveren aan het civiele gezag, staan in de wet genoemd in artikelen die over de mogelijkheid van bijstandverlening gaan. Kan bijstandsverlening uitgebreider in de wet, ook in het staatsnoodrecht, worden opgenomen?

De Krijgsmacht stelt in de Defensienota middelen beschikbaar voor de groei in capaciteit voor de Koninklijke Marechaussee (KMar) op het gebied van de eerste hoofdtaak (bescherming van het eigen grondgebied en dat van bondgenoten). Recent is uw Kamer geïnformeerd over de voorgenomen actualisatie van de rol van de Krijgsmacht, inclusief de Marechaussee in hoofdtaak 3 (leveren van militaire bijstand aan civiele autoriteiten) scenario’s. Bij toekenning van de middelen betekent dit in de algemene zin dat door de groei van de KMar ook de beschikbare capaciteit voor bijstand toeneemt. Daarbij is het belangrijk dat bijstandsverzoeken altijd per verzoek worden beoordeeld op bestuurlijke en juridische afwegingen en operationele uitvoerbaarheid, conform het aanvraagproces genoemd in Politiewet 2012 en andere wetten op grond waarvan bijstand kan worden verleend door de KMar. Daarbij speelt ook de capaciteit voor de andere politietaken die de KMar dient uit te voeren een rol. Daarnaast is het belangrijk om op te merken dat de groei van de KMar voor inzet in de eerste hoofdtaak niet een op een leidt tot groei van de bijstandscapaciteit in ieder taakveld waarvoor de KMar kan worden ingezet, omdat de aanvullende capaciteit primair juist ten behoeve van de eerste hoofdtaak wordt opgeleid.

De Defensie Bewakings- en beveiligingsorganisatie (DBBO) betreft een apart onderdeel en heeft een specifieke en eigenstandige taak binnen de Krijgsmacht. Medewerkers van deze organisatie hebben veelal geen status als militair of militaire politieambtenaar, maar zijn burgers in dienst van Defensie. Zij zijn specifiek voor de uitvoering van de bewaking en beveiliging van daartoe aangewezen objecten opgeleid en passen dus niet in de kaders van uitoefening van de politietaak zoals bedoeld in de Politiewet 2012. DBBO danwel RBO onderdeel maken van de KMar en beschikbaar maken als bijstandscapaciteit heeft dan ook verstrekkende gevolgen, waaronder het keuren, opleiden en militariseren van de operationele medewerkers. Het legt daarmee een groot beslag op bijvoorbeeld opleidingscapaciteit, terwijl een dergelijke organisatiewijziging niet zou bijdragen aan de opschaling van capaciteit van de krijgsmacht. Mede hierom is het dan ook niet wenselijk.

Art. 57, 58 en 62 van de Politiewet bieden juridische grondslagen om zowel militairen van de Koninklijke Marechaussee als militairen van andere onderdelen van de krijgsmacht in te zetten in bijstand aan het civiele gezag. Voornoemde bijstandsbepalingen bieden voldoende ruimte om de benodigde expertise, personele capaciteiten en materiele capaciteiten in te zetten in de uitoefening van de politietaak. Een wetswijziging lijkt dus niet aangewezen.

16

De Koninklijke Marechaussee voert onder andere de grenspolitietaak uit voor het civiel gezag. Van de andere taken van de Koninklijke Marechaussee die daar ook worden genoemd (bescherming van luchthavens, bescherming van vitale objecten, personen en transporten) bestaan naast taken voor het civiele gezag ook varianten voor Defensie zelf: bescherming van militaire luchthavens, andere objecten, personen en transporten). Grensbewaking werd in het verleden door de Koninklijke Marechaussee ook onder gezag van Defensie uitgevoerd. Heeft Defensie nu geen belangen bij grenscontroles? Kan het houden van grenscontroles tegen militaire en hybride dreigingen als (permanente) militaire taak aan de Koninklijke Marechaussee worden opgedragen en indien juridisch noodzakelijk in de wet worden opgenomen?

De Koninklijke Marechaussee (KMar) draagt in al haar taakvelden actief bij aan de bestrijding van hybride dreigingen. Door middel van grensbewaking- en toezicht houdt de KMar onder civiel gezag onze lucht- water- en landgrenzen veilig. Dit doet zij onder andere door illegale migratie en vormen van grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden. Hybride dreigingen doen zich ook voor in het grensgebied en kunnen een grensoverschrijdend karakter hebben. Deze taken worden uitgevoerd binnen het civiele domein en onder civiel gezag omdat de nadruk van grenstaken in de kern ligt op handhaving van de orde en veiligheid binnen het civiele domein en de KMar deze taak en haar bevoegdheden heeft toebedeeld gekregen op basis van de Politiewet 2012. Er is ruimte om binnen de huidige gezagsstructuur en wettelijke kaders te verkennen of de nadruk van grensbewaking meer op hybride dreigingen kan komen te liggen. Indien de KMar in militaire context en uit hoofde van de in artikel 97 Grondwet genoemde taken grenstaken uit dient te voeren, zal daartoe een regeringsbesluit genomen moeten worden.

Omdat de KMar onder verschillende gezagen taken uitvoert, is haar rol en informatiepositie ten aanzien van militaire en hybride dreigingen sterk. Informatie over dreigingen uit zowel het militaire als het civiele domein komen samen – en hier kan in beginsel binnen de bestaande juridische kaders op worden geacteerd. Binnen de governance en gezagsstructuur van de KMar wordt door de diverse betrokken gezagen, waaronder vertegenwoordigers namens de korpsbeheerder, continu afgestemd en informatie uitgewisseld over haar inzet, onder ander ter identificatie en bestrijding van potentiele militaire en hybride dreigingen. Binnen deze beheer- en gezagsstructuur werken onder andere het ministerie van Defensie en het ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen.

17

Wat wilt u doen om het draagvlak voor de krijgsmacht in Nederlandse regio’s, alsook de binding met regio’s, te versterken? Denkt hij daarbij aan het (her)instellen van regionale eenheden van de Nationale Reserve, maar ook doelbewuste spreiding van Defensieorganisaties over het hele land? Met de groei van de krijgsmacht en de komst van nieuwe eenheden (zoals de inzet van cargo-drones op regionale locaties zoals Vliegbasis Deelen) dreigt opnieuw eenzijdige druk op de lokale leefomgeving te ontstaan. Hoe kijkt u naar een eerlijke, evenwichtige spreiding van kazernes en oefenterreinen over alle provincies, zodat de lasten en de lusten (werkgelegenheid en regionale economische impulsen) eerlijk worden verdeeld?

Nationale veiligheid is een taak van de hele overheid en de hele samenleving. Defensie staat daarom midden in de samenleving met haar mensen, haar fysieke aanwezigheid en de actieve bijdrage die zij vanzelfsprekend levert aan de maatschappij. Zonder een samenleving die vertrouwd is met Defensie, haar missie omarmt, en bereid is daar ook in te investeren, is de krijgsmacht lang niet zo effectief en afschrikkend als ze moet zijn. Defensie is daarom actief aan het onderzoeken hoe de verbinding met de samenleving kan worden versterkt, onder andere met lokale gemeenschappen rondom kazernes. Tevens draagt het instellen van regioteams bij Defensie bij aan het gericht met medeoverheden en organisaties werken aan koppelingen van defensieopgaven met de omgevings- en gebiedsprocessen.

Voor defensiebehoeften, zoals de groei van het reservistenbestand waar voorzieningen voor nodig zijn, zoekt Defensie naar locaties in heel Nederland. Bij de besluitvorming over de uitbreidingslocaties en -gebieden in het kader van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) is een afweging gemaakt waarbij de spreiding van deze locaties over Nederland is meegenomen. In het planMER is geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige spreiding over het land. Wel is het zo dat de meeste NPRD-behoeften in Noord-Brabant en Gelderland worden gesitueerd. Daarnaast is specifiek gekeken naar cumulatie van effecten op de Veluwe waarbij de conclusie was dat hier in beperkte mate sprake van is. Hier is sprake van rondom het Artillerie Schietkamp (ASK) in relatie met de daar nabijgelegen helikopterlandingsplaatsen en rondom Deelen waar cumulatie van helikopters, drones en landingsbaan (dirt strip) tot beperkte cumulatie leiden. Er zullen diverse mitigerende maatregelen in het vervolgproces worden genomen. Daarnaast vindt over de spreiding en de locaties van de defensiebehoeften afstemming plaats met het ministerie van BZK/VRO met betrekking tot de verdeling van de Rijkswerkgelegenheid en de vitale regio’s.

18

Zoals ook weer in deze nota staat beschreven, moet de krijgsmacht fors groeien qua personeel en reservisten. Hoe wil Defensie voorkomen dat de werving mislukt in de toch al krappe regionale arbeidsmarkten? Worden kazernes en oefenterreinen zo gespreid dat ze juist bijdragen aan de economische impuls en werkgelegenheid in krimp- of grensregio's? Blijkens de nota is er ook meer medisch personeel nodig voor Defensie. Hoe gaat Defensie dit vormgeven gezien de krapte op de arbeidsmarkt en het feit dat het nu al een van de knelpuntcategorieën is? Defensie wil ook meer vrouwen werven. Welke personeelsbehoudsmaatregelen specifiek gericht op vrouwen in de gezondheidszorg neemt Defensie? Zijn er medische maatregelen die zich richten op gezondheidszorg voor vrouwen?

Defensie onderkent dat de personele groei plaatsvindt in een krappe arbeidsmarkt. Daarom wordt naast reguliere werving ingezet op nieuwe instroomroutes, regionale samenwerking, samenwerking met onderwijs en bedrijfsleven en gedeeld werkgeverschap. Voor moeilijk te werven functies wordt daarnaast ingezet op gerichtere matching van kandidaten. Daarnaast werkt Defensie aan een Aanvullende Flexibele Schil Burgercapaciteit (AFBC) om tijdelijke capaciteitstekorten in de Defensieorganisatie op te vangen bij een (aanloop naar) escalatie of conflict. Daarbij wordt onder meer bezien hoe externe deskundigheid en capaciteit uit de samenleving sneller en flexibeler voor Defensie beschikbaar kunnen worden gemaakt. Defensie heeft hierover contact met verschillende partijen, waaronder Stichting Extra Samen (SES), die onder meer werkt met de Nationale Zorgreserve. Naar verwachting wordt in 2027 een operationeel concept uitgerold. Dan zal duidelijk worden welke partijen een rol gaan spelen binnen de AFBC.

Bij de locatiekeuzes wordt niet expliciet gekeken naar krimp- of grensregio’s. Defensie onderkent wel het belang van aansluiting bij de regionale arbeidsmarkt. Bij de ruimtelijke plannen zoekt Defensie wel naar koppelkansen met lokale (economische) opgaven. Daarmee kan de groei van Defensie ook bijdragen aan werkgelegenheid en economische ontwikkeling in de regio. Deze activiteiten versterken de regionaal-economische vitaliteit en werkgelegenheid in diverse regio's, waaronder in krimp- en grensregio’s.

Defensie zet gericht in op het aantrekken en behouden van vrouwen. Defensie heeft voor de groei al het beschikbare talent nodig. Een divers samengesteld personeelsbestand draagt bij aan sterkere teams en een slagvaardige krijgsmacht. Defensie blijft daarom gecommitteerd aan de doelstelling van minimaal 30% vrouwen in 2030. Om de instroom, het behoud en de doorstroom van vrouwen te vergroten, wordt binnen de veranderopgave Voorwaarts! een specifiek programma ingericht. Daarbij wordt onder meer ingezet op passende kleding en uitrusting, loopbaanontwikkeling, inclusief leiderschap, sociale veiligheid en een betere combinatie van werk en gezin. Voor de genderspecifieke gezondheidsbehoeften zorgt Defensie voor een betere informatievoorziening voor zwangere vrouwen en jonge militaire moeders en meer passende medische zorg en ondersteuning zoals ook bij de overgang. Daarnaast is op het Defensie-intranet een platform voor vrouwengezondheid ingericht om de kennis en informatie over vrouwspecifieke gezondheid te verbeteren. Indien de militaire gezondheidszorg niet in specifieke gezondheidsbehoeften kan voorzien, wordt verwezen naar de civiele gezondheidszorg.

19

Op pagina 73 van de nota wordt het ‘Framework for Western Hemisphere Allied Cooperation’ genoemd. Welke financiële of operationele middelen stelt u hiervoor (extra) ter beschikking? In de nota schrijft u ook dat een extra marinierseenheid permanent op de Nederlandse Antillen aanwezig zal zijn. Heeft u ook plannen om de eigen militaire eenheid van de Nederlandse Antillen, de Antilliaanse militie, uit te gaan breiden? Wat gaat u nog meer doen om de veiligheid van de Antillen te vergroten, zoals (meer) permanente aanwezigheid van drones, de luchtmacht, vloot en Kustwacht?

Het Framework for the Western Hemisphere Allied Collaboration (F-WHAC) is een strategisch samenwerkingsverband tussen Nederland, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Canada. Het doel is de coördinatie en synchronisatie van geallieerde inspanningen te verbeteren om samen de regionale stabiliteit in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied te bevorderen.

Het raamwerk is specifiek ontworpen om de effectiviteit van de al in de regio aanwezige capaciteiten van de deelnemende geallieerde landen te maximaliseren. Dit gebeurt bijvoorbeeld door gezamenlijke deelname aan (al) geplande oefeningen. Hoewel het F-WHAC beschikt over een formele overlegstructuur om deze afstemming te faciliteren, worden geen nieuwe organisatorische structuren opgetuigd die een eigen budget vereisen. Er wordt evenmin aanvullende operationele capaciteit ingebracht. De Nederlandse operationele bijdrage en de reguliere overleg- en reiskosten worden volledig opgevangen binnen de bestaande operationele inzet en de reeds gealloceerde budgettaire kaders.

Defensie investeert op dit moment vooral kwalitatief in de Caribische militairen (CARMIL) door hen verder te professionaliseren, zodat zij te allen tijde volledig paraat kunnen staan voor inzet en bijstand. Om dit te bereiken wordt als onderdeel van deze Defensienota verder geïnvesteerd in benodigde standaarduitrusting, bewapening en infrastructuur. Vanaf 2029 vindt daarbij een kleine uitbreiding in fte plaats, die ook bijdraagt aan de verbetering van de loopbaanmogelijkheden en loopbaanperspectief van de CARMIL-militairen.

De Nederlandse Krijgsmacht wordt in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, zoals de vernieuwing van de marinevloot. Ook investeert Defensie specifiek in de krijgsmacht in het Caribisch deel van het Koninkrijk, door onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen en aanvullende Defensie-vlieguren voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Met deze Defensienota investeert Defensie nog verder in het Caribisch gebied, zoals met de permanente Marinierseenheid en de aanschaf van anti-scheepsraketten.

De Kustwacht Caribisch Gebied is een samenwerkingsorganisatie tussen verschillende ministeries van de vier Landen binnen het Koninkrijk. De inzet, prioritering en investering van de Kustwacht wordt dan ook bepaald door deze partijen samen. De Kustwacht Caribisch gebied bevindt zich midden in een personele transitie, met een groei van bijna 80 fte. Deze uitbreiding wordt de komende jaren gevuld.

Om ook in de toekomst te kunnen beschikken over adequaat materieel investeert de Kustwacht Caribisch Gebied in nieuw materieel en vervangt haar huidige materieel conform het Lange Termijn Plan Materieel. Voor de periode na 2028 zal dit beschreven gaan worden in het nieuwe Lange Termijn Plan 2029-2038. Projecten van het huidige materieelplan die nog in uitvoering zijn, zijn onder andere de vervanging van de cuttercapaciteit, de kleine varende capaciteit en de verwerving van waldetectiecapaciteit voor de Bovenwindse eilanden.

20

De leden van de BBB-fractie hebben zich nooit een groot voorstander van de herinvoering van de opkomst-/dienstplicht getoond. Met de Defensienota schetst u een groeipad voor de komende jaren voor het personeelsbestand en reservistencapaciteit voor de komende (tien) jaren. Ook u en de regering zien nu blijkbaar niet de noodzaak voor herinvoering van de opkomstplicht. Gezien het grote belang van deze kwestie, is het echter verstandig dit open en realistisch te blijven benaderen. Wat moet er gebeuren, in welke omstandigheden zou de regering zich gedwongen voelen om toch de opkomstplicht weer in te stellen? Kunt u redelijkerwijze aannemelijk maken dan niet te laat te zijn, omdat het jaren zal kosten voordat grote aantallen voldoende getrainde dienstplichtigen en als dienstplichtige getrainde reservisten voor daadwerkelijke (oorlogen)inzet beschikbaar te hebben? Waarom bent u van mening vanuit deze redenering nu al niet te laat te zijn met herinvoering?

In de Kamerbrief Inrichting Opkomstplicht d.d. 11 september 2026 is reeds gemeld:

De mogelijke selectieve opkomstplicht is onderdeel van de ontwikkeling van een integraal Dienmodel waarin de balans tussen vrijwilligheid en verplichting wordt gewaarborgd. Uitgangspunt van dat Dienmodel blijft een beroepskrijgsmacht met aanvulling door reservisten, en dus zo lang mogelijk dienen op basis van vrijwilligheid. Het reactiveren van de selectieve opkomstplicht betreft de laatste stap op de escalatieladder. Zoals ik uw Kamer heb laten weten in onder andere de Kamerbrief ‘Groei van de krijgsmacht’ valt voor de uitwerking van de selectieve opkomstplicht te denken aan de volgende gradueel verplichte treden op de escalatieladder:

de enquête vrijwillig invullen en vrijwillig reageren op een uitnodiging tot gesprek;

de enquête verplicht invullen en vrijwillig reageren op een uitnodiging tot gesprek;

de enquête verplicht invullen en verplicht reageren op een uitnodiging tot gesprek;

de enquête verplicht invullen, een verplicht gesprek en verplichte deelname aan selectie en keuring, opkomst vrijwillig;

de enquête verplicht invullen, een verplicht gesprek en verplichte deelname aan selectie en keuring, opkomst verplicht.

Hoewel we er dus naar streven zo lang mogelijk in een vrijwillig model te blijven, groeit tegelijkertijd het besef dat zich scenario’s kunnen voordoen waarin een vrijwillig model onvoldoende schaalbaarheid en voortzettingsvermogen biedt. De krijgsmacht moet de optie hebben om gebruik te kunnen maken van een aanvullend personeelsinstrument als laatste trede op de escalatieladder.

Er zijn drie ontwikkelingen die in samenhang aanleiding kunnen geven tot het reactiveren van de selectieve opkomstplicht.

Een dusdanige verslechtering van de internationale veiligheidssituatie dat versnelde groei van de krijgsmacht noodzakelijk wordt.

Uitbreiding van het operationele takenpakket waardoor aanvullende personele capaciteit is benodigd.

Structurele ondervulling van de krijgsmacht waardoor op basis van vullingsprognoses en militair advies de vereiste gereedheid, schaalbaarheid of het voortzettingsvermogen onvoldoende kan worden gegarandeerd.

Hierbij geldt dat minstens sprake moet zijn van een van de eerste twee elementen: een verslechtering van de internationale veiligheidssituatie en een uitbreiding van het operationele takenpakket. Structurele ondervulling van de krijgsmacht kan alleenstaand geen reden zijn tot het reactiveren van de selectieve opkomstplicht.

De escalatieladder, die nog verder wordt uitgewerkt, maakt het mogelijk om stapsgewijs op te schalen voordat het reactiveren van de opkomstplicht noodzakelijk is. Daarbij wordt de ontwikkeling van de veiligheidssituatie, het operationele takenpakket en de personele vulling van de krijgsmacht gevolgd. Hierdoor kan tijdig worden besloten tot een volgende trede op de escalatieladder. Tegelijkertijd wordt de benodigde juridische en organisatorische voorbereiding voor een eventuele selectieve opkomstplicht nu al getroffen.

21

Wat wilt u doen om vanuit uw werkgeversverantwoordelijkheid de (financiële) nazorg en ondersteuning voor de Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers te waarborgen?

In de Veteranenwet is beschreven dat Defensie een bijzondere zorgplicht voor veteranen en voor Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (MOD’ers) zonder veteranenstatus. Defensie biedt hen langdurige ondersteuning op het gebied van zorg, begeleiding, re-integratie en financiële voorzieningen. Daarbij wordt ondersteuning afgestemd op de persoonlijke situatie en de gevolgen van het letsel of de aandoening voor het functioneren en de inkomenspositie van de betrokkene.

Voor de financiële nazorg bestaan verschillende regelingen en voorzieningen. Zo kunnen MOD’ers, afhankelijk van hun situatie, in aanmerking komen voor een Militair Invaliditeitspensioen (MIP), een inkomensvoorziening, de Regeling Volledige Schadevergoeding (RVS), een bijzonder nabestaandenpensioen en voorzieningen voor bijvoorbeeld woningaanpassingen, vervoer, hulpmiddelen en huishoudelijke ondersteuning. De materiële zorg en financiële regelingen worden voor Defensie uitgevoerd door ABP/Bijzondere Regelingen Defensie. Voor zorg en ondersteuning kunnen MOD’ers terecht bij het Veteranenloket.

Defensie hecht er aan dat de belangen van alle MOD’ers behartigd worden en dat deze belangen worden betrokken bij de ontwikkeling van beleid. Defensie heeft per 22 september jl. dan ook een senior strategisch adviseur Veteranen en Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (MOD’ers) aangesteld om te adviseren bij de doorontwikkeling van de Bond voor Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO) tot een belangenorganisatie voor alle MOD’ers en hun relaties.

22

In het Eindrapport beleidsdoorlichting militaire gezondheidszorg (MGZ) 2011-2021 staat dat op dit moment de realiteit is dat het grootschalig optreden in het hoogste geweldsspectrum (hoofdtaak 1) nog niet volledig geneeskundig ondersteund kan worden. Wanneer is te verwachten dat Defensie beschikt over een operationeel gezondheidszorgsysteem dat in staat is om met eigen middelen de verwachte verliezen van eigen troepen te kunnen beoordelen en prioriteren (triëren), behandelen en transporteren naar Nederland?

Defensie is zich bewust van de bevindingen uit de beleidsdoorlichting en werkt integraal aan de versterking van de militaire gezondheidszorg om de inzetbaarheid in het hoogste geweldsspectrum (hoofdtaak 1) te waarborgen. Hierbij wordt ingezet op de volledige geneeskundige behandel- en afvoerketen: van triage en behandeling in het veld tot de medische evacuatie naar Nederland.

Het streven is om deze geneeskundige keten uiterlijk in 2028 zodanig te hebben ingericht dat Defensie, samen met bondgenoten en civiele partners, de verwachte aantallen gewonden bij grootschalig optreden kan opvangen, prioriteren, behandelen en evacueren. Daarbij wordt gewerkt aan voldoende geneeskundig personeel, materieel, behandel- en transportcapaciteit en samenwerking met de civiele zorg.

23

Deze leden lezen dat de Defensienota 2026 voorziet in een forse verdere groei van de defensie-uitgaven, terwijl de Algemene Rekenkamer over 2025 €4,4 miljard aan fouten en onzekerheden bij Defensie constateerde. Welke concrete wijzigingen heeft het ministerie doorgevoerd om de controle op de besteding van deze sterk stijgende middelen te verbeteren, en hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de effectiviteit daarvan?

De constateringen van de Algemene Rekenkamer hebben voornamelijk betrekking op de onderbouwing van de inkoopdossiers. Als reactie op de constatering van de Algemene Rekenkamer is een plan van aanpak en het beoordelingskader voor de onderbouwing van het gebruik van een uitzonderingsbepaling opgesteld tijdens de zomerperiode en vastgesteld door de secretaris-generaal van Defensie. Het beoordelingskader is inmiddels in de praktijk getoetst door Defensie, de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer en is verwerkt in werkinstructies. Begin november 2026 is hierover weer een gesprek tussen Defensie, de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer.

In de rapportages van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk worden de resultaten hiervan met de Kamer gedeeld. Mocht daar aanleiding toe zijn, dan zullen wij de Kamer tussentijds eerder informeren.

24

Hoe voorkomt u dat de snelle uitbreiding van de krijgsmacht leidt tot structurele overbelasting van defensiepersoneel, en bent u bereid de groei van Defensie te koppelen aan aantoonbaar voldoende personele capaciteit? Deelt u de zorg van deze leden en van militaire vakbonden dat de combinatie van de Defensienota 2026 en de Wet op de defensiegereedheid (Wodg) ertoe kan leiden dat militairen minder inspraak krijgen in arbeidsuren, overwerk en veilige arbeidsomstandigheden? Hoe rechtvaardigt u het beperken van deze rechten, en welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat de verhoging van de militaire gereedheid wordt afgewenteld op de gezondheid, veiligheid en rechtspositie van defensiepersoneel?

Defensie heeft fors ingezet op uitbreiding van de personele capaciteit. De personele groei mag niet ten koste gaan van de inzetbaarheid, veiligheid en gezondheid van het personeel. Groei moet juist worden ervaren als een steun in de rug bij het uitvoeren van de taken en mag zeker niet leiden tot structurele overbelasting. Defensie zet daarom naast instroom in op behoud, opleiding, arbeidsvoorwaarden, goed werkgeverschap en het beheersen van de personele belasting. De groei van de krijgsmacht, de beschikbare personele capaciteit, de opleidingscapaciteit en het vermogen van de organisatie om nieuwe medewerkers verantwoord op te nemen en inzetbaar te maken worden zo goed als mogelijk op elkaar afgestemd.

De Wet op de defensiegereedheid (Wodg) neemt de verantwoordelijkheid van Defensie voor de veiligheid en gezondheid van het personeel niet weg. De Wodg biedt de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van onderdelen van de rechtspositionele regelgeving wanneer de voortgang van de gereedstelling in het geding komt en dit noodzakelijk is. Het kabinet heeft daarbij benadrukt dat het gaat om acute, spoedeisende omstandigheden en niet om een vorm van reguliere personeelsvoorziening. Een afwijking moet noodzakelijk, proportioneel, gericht en tijdelijk zijn. Het besluit motiveert welke belemmering en regels het betreft en voor welke doelgroep en duur de maatregel geldt. Overleg met de centrales van overheidspersoneel blijft zoveel mogelijk het uitgangspunt. In urgente situaties kan dit overleg zo nodig plaatsvinden nadat een tijdelijke maatregel is ingevoerd. De Arbeidstijdenwet, de regels voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en de bestaande rechtsbescherming blijven gelden. Structurele aanpassingen verlopen via het reguliere overleg en de normale wet- en regelgevingsprocedure.

25

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers onderschrijft de steun aan Oekraïne, en begrijpt dat Nederland en Europa zichzelf moeten kunnen verdedigen, maar maakt zich zorgen over de eenzijdige aandacht die uitgaat naar militaire verdediging, en de weinige aandacht die brede veiligheid krijgt. Dit lid vindt ook dat een genuanceerd debat over wat daadwerkelijk nodig is voor een adequate verdediging steeds moeilijker wordt. Dit terwijl dit debat van groot belang is, ook gezien de steeds grotere bedragen die het kabinet wil investeren in defensie. Graag uw reactie op deze twee inleidende opmerkingen.

De eerste opmerking gaat over brede veiligheid. Defensie onderschrijft dat veiligheid een breed begrip is, met meer aspecten dan alleen militaire verdediging. Defensie werkt daarom nauw samen met andere ministeries en partners binnen de (Rijks)overheid en de samenleving aan bescherming en bevordering van veiligheid. Het eerste hoofdstuk van de Defensienota 2026 gaat over de veiligheidsomgeving, met een dreigingsanalyse die onder meer ingaat op technologie als geopolitieke factor, hybride conflict, terrorisme, criminaliteit en klimaatverandering als katalysator van onveiligheid. Het derde hoofdstuk beschrijft onder andere de nauwe samenwerking samen met civiele partners om zich voor te bereiden op militaire en hybride dreigingen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid om Nederland als geheel veilig te houden. Het vierde hoofdstuk gaat in op brede veiligheidssamenwerking, waaronder samenwerking met de samenleving.

De tweede opmerking gaat over debat over wat er nodig is voor verdediging. Defensie onderschrijft het belang van debat over veiligheid en verdediging. Defensie draagt op diverse manieren bij aan debat over veiligheid en defensie, door zelf dialoog te zoeken en te organiseren met partners, belanghebbenden en maatschappelijke organisaties, door initiatieven met ruimte voor verschillende perspectieven te financieren en door defensievertegenwoordigers hun verhaal te laten vertellen en te laten deelnemen aan bijeenkomsten voor informatie-uitwisseling, gedachtevorming en debat (Kamerstuk 36 975, nr. 1, 2026Z19453, 21 september 2026).

26

Hoe en in welke mate werkt Defensie aan brede veiligheid (zie onder meer de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale veiligheid uit van het RIVM uit 2022 en de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden 2023-2029) waarin veiligheid niet alleen wordt gezien als militaire dreigingen maar ook klimaat- en natuurrampen, cyberdreigingen, bedreiging van vitale infrastructuur?

Defensie draagt bij aan Rijksbrede analyse, strategie, beleid, uitvoering en (operationele) inzet op het gebied van veiligheid. Zo was Defensie nauw betrokken bij de totstandkoming van de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (2023). De Defensienota 2026 bevat, evenals de Defensienota 2024, een dreigingsanalyse die onder meer ingaat op klimaatverandering, cyberdreigingen, hybride conflict en technologie als geopolitieke factor. De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) heeft aandacht voor onder meer cyberdreigingen en dreigingen voor vitale infrastructuur, zoals blijkt uit het openbaar jaarverslag (Kamerstuk 29 924, nr. 295, 21 april 2026). De MIVD draagt tevens bij aan het Analistennetwerk Nationale Veiligheid in opdracht van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). De Defensienota beschrijft de nauwe samenwerking tussen Defensie en civiele partners om Nederland voor te bereiden op niet alleen militaire, maar ook hybride dreigingen en bijvoorbeeld vitale infrastructuur te beschermen. Zo coördineren Defensie en de NCTV gezamenlijk de Rijksbrede aanpak weerbaarheid en werken zij momenteel samen met medeoverheden en civiele partners aan de uitvoeringsstrategie. Onderdeel hiervan is de Top Nationale Weerbaarheid op 23 november 2026. Op het gebied van cyber zet Defensie zich in voor de eigen cyberveiligheid en de cyberweerbaarheid van het Koninkrijk en bondgenoten (Defensie Cyber Strategie 2025, Kamerstuk 26 643, nr. 1422). Tot slot wordt de krijgsmacht ingezet voor militaire bijstand bij bijvoorbeeld klimaat- en natuurrampen, zoals overstromingen en bosbranden.

27

Hoeveel van het defensiebudget wordt besteed aan de andere, niet-militaire, aspecten van brede veiligheid?

Tijdens de NAVO-top in Den Haag in 2025 hebben de bondgenoten afgesproken om uiterlijk in 2035 5% van het bruto binnenlands product (bbp) aan defensie en veiligheid te besteden. Daarvan is 3,5% bedoeld voor de krijgsmacht en 1,5% voor bredere veiligheids- en defensiegerelateerde uitgaven, zoals infrastructuur, maatschappelijke weerbaarheid, innovatie, strategische voorraden en de defensie-industrie. De uitgaven op de defensiebegrotingen zijn onderdeel van de 3,5% NAVO-norm en daarmee bestemd voor de krijgsmacht.

28

Hoeveel van de rijksbegroting wordt besteed aan de andere aspecten van brede veiligheid?

Zie ook de vorige vraag. Bij de NAVO-top in Den Haag (2025) hebben NAVO-bondgenoten afgesproken voortaan 3,5% van het BBP te besteden aan Defensie. Daarbij is overeengekomen nog eens 1,5% te besteden aan bredere veiligheid- en defensie-gerelateerde maatregelen.

Onder bredere veiligheids- en defensie-gerelateerde uitgaven vallen uitgaven die bijdragen aan de weerbaarheid van de maatschappij en uitgaven die bijdragen aan de ondersteuning van de krijgsmacht, zoals infrastructuur, industriële capaciteiten, weerbaarheid, innovatie en het aanleggen van strategische voorraden.

Dit jaar heeft het kabinet voor het eerst een inventarisatie gedaan van de Nederlandse uitgaven aan bredere veiligheids- en defensie gerelateerde uitgaven. Deze inventarisatie telt op tot 17,45 miljard in 2026 en een percentage van ruwweg 1,4%. De NAVO en de Kamer zijn op 28 mei jl. hierover ingelicht.

29

De Defensienota spreekt van afschrikking. Hoe zorgt u ervoor dat zorgen voor een adequate Nederlandse en Europese verdediging niet bijdraagt aan een wapenwedloop?

De Russische oorlog in Oekraïne heeft de veiligheidssituatie in Europa fundamenteel veranderd en de NAVO – als defensieve alliantie - ziet zich daarom genoodzaakt om NAVO’s afschrikking te versterken door de eigen capaciteiten en industrieën te versterken en vergroten. Geloofwaardige afschrikking moet de vijand ontmoedigen ons aan te vallen. Het versterken van de capaciteit om daadwerkelijk een grootschalig conflict te kunnen uitvechten draagt bij aan deze afschrikking. Dit heeft als doel de calculatie van Rusland te beïnvloeden om af te zien van agressie.

Het is aan de vijand, Rusland, om het vertrouwen van Europa terug te winnen. Hoewel verschillende landen inclusief Oekraïne handreikingen hebben gedaan om hierover te spreken, zijn gesprekken met Rusland over Oekraïne en wapenbeheersing echter tot op heden zonder resultaat.

30

Hoe werkt de regering aan het voorkomen van gewapende conflicten?

Defensie investeert met de verhoging van de begroting vooral in capaciteiten die zorgen voor de noodzakelijke afschrikking om Rusland en andere tegenstanders op afstand te houden en daarmee een gewapend conflict te voorkomen. De afschrikking slaagt enkel als deze geloofwaardig is en Nederland samen met bondgenoten bereid en in staat is om het eigen grondgebied en dat van bondgenoten bij een gewapend conflict te verdedigen.

Internationale defensiesamenwerking is een voorwaarde voor effectieve en geloofwaardige afschrikking, verdediging en inzetbaarheid van de krijgsmacht. In de Defensienota staat dan ook benoemd dat Defensie bestaande bilaterale en multilaterale samenwerking met haar belangrijkste partners bekrachtigt, en haar samenwerking uitbreidt met nieuwe partners zoals in West-Afrika, Indo-Pacific (Japan, Australië en Zuid-Korea) en het Midden-Oosten.

Daarnaast blijft Defensie voorbereid op inzet voor stabiliteit op andere plekken in de wereld. Defensie zet het gehele instrumentarium voor internationale samenwerking geïntegreerd in, inclusief defensiediplomatie en capaciteitsopbouw. In bredere zin draagt ook diplomatie bij aan het voorkomen van gewapende conflicten. Hierin speelt het ministerie van Buitenlandse Zaken een voortrekkersrol. De visie hierachter is vastgelegd in de internationale veiligheidsstrategie die uw Kamer 16 juni jl. toekwam.

31

Hoeveel van de defensiebegroting wordt besteed aan het voorkomen van gewapende conflicten?

De middelen op de Defensiebegroting hebben tot doel om Defensie in staat te stellen de drie hoofdtaken uit te kunnen voeren: (1) bescherming van het eigen grondgebied en dat van bondgenoten, (2) bescherming en bevordering van internationale rechtsorde en stabiliteit, (3) leveren van militaire bijstand aan civiele autoriteiten. Door het uitvoeren van met name de eerste en tweede hoofdtaak draagt Defensie bij aan het voorkomen van gewapende conflicten. Er is geen verdeling binnen de Defensiebegroting waardoor er specifiek financiële middelen gealloceerd worden aan het voorkomen van gewapende conflicten.

32

Hoeveel van de rijksbegroting wordt besteed aan het voorkomen van gewapende conflicten?

Er is geen specifieke post binnen de Rijksbegroting aangewezen voor het voorkomen van gewapende conflicten. Door de uitvoering van de eerste en tweede hoofdtaak draagt Defensie bij aan het voorkomende van gewapende conflicten zie hiervoor ook de antwoorden op de vragen 30 en 31. Binnen de Rijksoverheid zijn hiervoor ook belangrijke taken weggelegd voor de ministeries van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.

33

In de nota wordt klimaatverandering als katalysator genoemd – dus als een gegeven. Bent u het met het lid van de Visseren-Hamakers-fractie eens dat het werken aan klimaatmitigatie werken aan veiligheid is? Zo ja, hoe werkt Defensie, en de regering, vanuit veiligheidsperspectief aan klimaatmitigatie?

Defensie onderschrijft dat klimaatmitigatie vanuit veiligheidsperspectief relevant is. Binnen de Defensiestrategie voor Klimaatverandering is mitigatie als een van de vier sporen uitgewerkt, naast anticipatie, adaptatie en samenwerking.

Klimaatverandering is een ‘threat multiplier’ (een katalysator): in combinatie met andere factoren (demografisch, economisch, politiek, sociaal, religieus) kan het bestaande spanningen aanwakkeren en het risico op nieuwe crises vergroten. Het beperken van klimaatverandering en het verminderen van de eigen uitstoot draagt indirect bij aan het verminderen van toekomstige veiligheidsrisico’s.

Een belangrijk aspect van mitigatie is voor Defensie vooral het versterken van de energiezekerheid en het autonoom voortzettingsvermogen. Het verminderen van afhankelijkheden van fossiele energie en het efficiënter omgaan met schaarse grondstoffen zijn hierbij relevant. Minder afhankelijkheid van kwetsbare aanvoerlijnen, omdat Defensie meer zelfvoorzienend en energiezeker is, vergroot immers de operationele inzetbaarheid en de weerbaarheid van de krijgsmacht.

Nieuwe technologieën en energieketens brengen ook nieuwe afhankelijkheden en risico’s met zich mee. De energietransitie biedt tegelijkertijd vooral een strategische kans om de afhankelijkheden te verminderen en de eigen voetafdruk te verkleinen en de weerbaarheid te versterken.

34

Wat zijn, wat u betreft, de belangrijkste zwakke plekken in de Europese en Nederlandse defensie (die in een niet-vertrouwelijke setting kunnen worden besproken)?

De Defensienota 2026 adresseert verschillende prioriteiten waarop investeringen noodzakelijk zijn. Dit betreft onder andere een versterking in personeel, inzetvoorraden, gevechtskracht en voortzettingsvermogen. Hiermee kiest Defensie voor een pakket aan maatregelen dat het meest bijdraagt aan het militaire vermogen dat de krijgsmacht, zowel nationaal als internationaal, nodig heeft en de huidige belangrijkste tekortkomingen mitigeert. Op specifieke tekorten gaat Defensie niet in, omdat openbaarmaking inzicht geeft in militaire kwetsbaarheden en daarmee de operationele veiligheid en de veiligheidsbelangen van Nederland en zijn bondgenoten kan schaden.

35

Volgens openbare analyses zijn dat met name luchtafweer, gebrek aan Europese coördinatie en gebrek aan ervaring in het leiden van grootschalige internationale operaties. Deelt u deze analyse? Zo ja, welke maatregelen neemt de regering om deze zwakke plekken aan te pakken?

Defensie herkent de huidige tekortkomingen op het gebied van lucht- en raketverdediging. Met de voorgenomen maatregelen uit de Defensienota 2026 investeert Defensie onder andere in lucht- en raketverdediging voor korte en middellange afstand, inclusief zogenoemde hoog energie wapens en counter drone expertise.

Defensie herkent zich niet in een beperkte ervaring met het leiden van grootschalige internationale operaties. Nederland beschikt bijvoorbeeld met het 1ste Duits-Nederlandse legerkorps (1GNC) over aantoonbare ervaring met het aansturen van grote multinationale operaties.

36

Hoe wordt in Europa samengewerkt om kosten te besparen en overlap in investeringen te voorkomen?

Nederland en haar Europese partners hebben de afgelopen jaren in toenemende mate ervaring opgedaan met het gezamenlijk opstellen van behoeftestellingen (common requirements) en het harmoniseren van internationale programma’s en projecten. Het Europees Defensieagentschap (EDA) en de Permanent Structured Cooperation (PESCO) fungeren daarbij als overkoepelende governance kaders, waarbinnen lidstaten capaciteitsbehoeften op elkaar afstemmen en samenkomen rond gemeenschappelijke projecten. Met betrekking tot Europese samenwerking stellen de Coordinated Annual Review on Defence (CARD) en het Capability Development Plan (CDP) het planningskader om samenwerkingskansen tijdig te identificeren en duplicatie te voorkomen.

37

Hoe zorgt de regering ervoor dat militaire defensie niet ten koste gaat van andere aspecten van brede veiligheid zoals klimaat of een robuuste natuur?

De regering onderschrijft dat nationale veiligheid breder is dan alleen militaire veiligheid. De Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden kijkt daarom in samenhang naar de verschillende veiligheidsbelangen: 1) territoriale veiligheid, 2) fysieke veiligheid, 3) economische veiligheid, 4) ecologische veiligheid, 5) sociale en politieke stabiliteit en 6) internationale rechtsorde en stabiliteit. Klimaatverandering wordt daarbij expliciet als veiligheidsrisico benoemd.

Om de veiligheidsbelangen te beschermen, moet de overheid samenwerken. En de versterking van de krijgsmacht moet in samenhang met deze veiligheidsbelangen worden gezien. Defensie houdt hier bij beleid, investeringen en het gebruik van defensieterreinen rekening mee. Zo wordt ingezet op energiezekerheid, het vergroten van het autonoom voortzettingsvermogen en het verminderen van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Ook wordt bij het gebruik en beheer van defensieterreinen rekening gehouden met natuurwaarden; ongeveer twee derde van deze terreinen heeft de status van beschermd natuurgebied. Tegelijkertijd is een sterke krijgsmacht belangrijk voor de nationale veiligheid. De regering zoekt daarom naar een zorgvuldige samenhang tussen militaire gereedheid en andere veiligheidsbelangen, waaronder klimaat, natuur en de leefomgeving. Waar mogelijk worden deze belangen gecombineerd.

38

Energiezekerheid, klimaat en duurzaamheid worden in de Defensienota alleen betrokken op defensie zelf, maar worden in bredere zin niet als onderdeel van brede veiligheid gezien. Waarom worden deze aspecten van brede veiligheid niet als zodanig meengenomen in de defensienota?

De Defensienota gaat specifiek over de taken en verantwoordelijkheden van Defensie, vanuit de verantwoordelijkheid voor het militaire machtsinstrument. Dat betekent niet dat energiezekerheid, klimaat en duurzaamheid alleen betrekking hebben op Defensie zelf. Deze thema’s kunnen ook raken aan de nationale veiligheidsbelangen en de brede veiligheid. Zo kan klimaatverandering gevolgen hebben voor de fysieke en ecologische veiligheid van het Koninkrijk en kan energieafhankelijkheid raken aan de economische en territoriale veiligheid.

Om de nationale veiligheidsbelangen, zoals uiteengezet in de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk (zie vraag 37), te beschermen is het belangrijk dat de overheid samenwerkt. Defensie is namelijk niet de enige die de belangen van het Koninkrijk beschermt: verschillende ministeries hebben verschillende verantwoordelijkheden om de verschillende soorten veiligheid te beschermen en bevorderen.

39

Bent u ervan op de hoogte dat in Nederland en elders dierproeven worden gedaan voor defensie en de defensie-industrie?

Bij de ontwikkeling van defensiematerieel wordt altijd rekening gehouden met de impact op de ecologie en de leefomgeving van mens en dier, en wordt dit ook als producteis opgenomen in de contracten met leveranciers. Doel is leed te voorkomen.

Defensie is op de hoogte van dierproeven bij onderzoek dat TNO in opdracht van Defensie verricht, evenals dierproeven uitgevoerd in het kader van training en opleiding van de geneeskundige keten. Hierbij wordt conform de EU-richtlijn voor dierproeven gehandeld waarbij het principe van de 3 V’s (vervangen, verminderen en verfijnen) wordt gehanteerd en continue toetsing plaatsvindt op deze principes. Het beleid van de 3 V’s draait om alternatieve methoden zoeken (vervangen), minder dieren gebruiken (verminderen) en pijn en leed beperken (verfijnen).

40

Bent u bereid bij aankoop van defensiematerieel na te gaan of er dierproeven zijn gedaan voor dit materieel en de kamers hierover te informeren (over de aantallen dieren en de aard van het onderzoek)?

Zie antwoord op vraag 39.

41

Als blijkt dat er dierproeven zijn gedaan voor aan te kopen defensiematerieel, bent u bereid te onderzoeken of er alternatieven beschikbaar zijn zonder dierproeven, en te kiezen voor dit dierproefvrije alternatief?

Zie antwoord op vraag 39.

42

Bent u bereid om in gesprek te gaan met defensieleveranciers en collega’s in partnerlanden, bijvoorbeeld in Europees verband, over de transitie naar een proefdiervrije defensie, en de Kamers over de voortgang te informeren?

Zie antwoord op vraag 39.

43

Is het juist dat de nieuwe Defensiewet (Wodg) regelt dat bijzondere persoonsgegevens worden verzameld, zoals etnische afkomst of seksuele gerichtheid? Zo ja, waarom denkt u deze gegevens nodig te hebben, en bent u bereid de verzameling van deze gegevens te heroverwegen?

De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een goed voorbereide krijgsmacht. De Wet op de defensiegereedheid (Wodg) helpt Defensie om de krijgsmacht gereed te stellen. Om zo effectief mogelijk te kunnen optreden is het cruciaal om daarbij over relevante informatie te beschikken en daarvoor is het noodzakelijk om de bepaling in de Wodg die ziet op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens in stand te houden. Dat betekent niet dat Defensie onbeperkt informatie mag verzamelen of gebruiken.

In beginsel is de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens onder de Wodg niet toegestaan. Het gericht verzamelen van dergelijke persoonsgegevens is dan ook niet aan de orde en geen doel op zich. Het is echter voorstelbaar dat bij de verschillende gereedstellingsactiviteiten persoonsgegevens worden verzameld waaruit ook ras of etnische afkomst, politieke opvattingen of religieuze overtuigingen blijken. Of dat uit de context blijkt dat er gegevens zijn die iets zeggen over de gezondheid, het seksuele leven of de seksuele gerichtheid van een persoon. Ook kan het bijvoorbeeld gaan om biometrische gegevens ter identificatie.

Als deze gegevens geen onderdeel uit mogen maken van de gegevensverzameling, dan kan bijvoorbeeld een Non-combattant Evacuation Operation niet goed worden voorbereid. Met het oog op de bescherming van de evacués kan het nodig zijn om relevante gezondheidsgegevens te kennen om passende zorg, zoals medische hulpmiddelen en medicijngebruik, te kunnen bieden. Ook kunnen genetische of biometrische gegevens nodig zijn om deze personen te identificeren met het oog op het veilig verloop van de evacuatie. Dit kunnen ook gegevens betreffen van eigen defensiepersoneel. Bij de voorbereiding van zo’n operatie kan het ook gaan om informatie over religieuze of politieke overtuigingen of etnische afkomst van de evacués.

Daarnaast zal in het kader van persoonsgerichte kennisvergaring ter voorbereiding van militair optreden in een focusgebied een pattern of life van de opponent in kaart worden gebracht. Daarbij kan het gaan om gegevens over het gezinsleven, schoolbezoek, sportclubs, kerk- of moskeebezoek, partijbijeenkomsten, ziekenhuisbezoek etc. Het is onvermijdelijk dat daarbij ook persoonsgegevens worden verzameld waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen of religieuze overtuigingen blijken. Net als gegevens over de gezondheid, seksuele leven of gerichtheid.

Met artikel 4.5 van de Wodg is aangesloten bij vergelijkbare bepalingen in de Wet politiegegevens en de Wiv 2017. Deze bepalingen brengen een zwaarder criterium en extra waarborgen met zich mee. Zo mogen de bijzondere persoonsgegevens alleen worden verwerkt als dat gelet op het doel van de verwerking onvermijdelijk is, en in aanvulling op andere persoonsgegevens. Ook moeten de gegevens afdoende worden beveiligd, waaronder versleuteling en het beperken van toegang tot deze gegevens.

Gelet op het bovenstaande is de minister van oordeel dat het in voorkomende gevallen niet zo kan zijn dat de krijgsmacht zich onvoldoende kan voorbereiden, en operaties in gevaar komen vanwege het enkele feit dat bepaalde persoonsgegevens blijk geven van etnische afkomst of seksuele gerichtheid en daarom niet verwerkt zouden mogen worden. Er is gekozen voor een evenwichtige regeling die recht doet aan de operationele noodzaak van defensie om bijzondere persoonsgegevens te kunnen verwerken en tegelijkertijd voldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hier gaat de minister graag bij gelegenheid van behandeling van het wetsvoorstel verder op in.

44

De Defensienota stelt dat Rusland in het slechtste geval binnen één jaar na het einde van de gevechten in Oekraïne een beperkte oorlog tegen de NAVO kan voeren maar de personele groei naar 122.000 loopt door tot ver na 2030. Op welk moment loopt het dreigingstempo vooruit op het opbouwtempo, en wat is het plan voor dat gat?

Defensie houdt er rekening mee dat de veiligheidssituatie sneller kan verslechteren dan de structurele personele groei kan worden gerealiseerd. Daarom wordt naast reguliere groei van beroepsmilitairen, reservisten en burgermedewerkers gewerkt aan een schaalbare krijgsmacht met aanvullende instroom- en opschalingsmogelijkheden. Het gaat daarbij onder meer om het Dienjaar, de Nationale Weerbaarheidstraining (NWT), de Defensie-enquête en verdere versterking van het reservistenbestand.

Daarnaast worden aanvullende instrumenten voorbereid waarmee Defensie sneller kan opschalen. Dit betreft bijvoorbeeld de juridische verankering van de vrijwillige enquête aan jongeren in de WODG die op dit moment voorligt bij de Kamer. Daarnaast bevat dit de steeds verplichtender elementen die eventueel kunnen leiden tot een selectieve opkomstplicht. Over dit laatste traject is de Kamer geïnformeerd door de staatssecretaris van Defensie met zijn Kamerbrief ‘’Selectieve opkomstplicht’’ van 11 september 2026. wetgeving daartoe wordt op dit moment voorbereid..

45

Defensie erkent zelf "overprogrammeren" te gebruiken om onderrealisatie te compenseren. Wat is de huidige realisatiegraad van eerdere Defensienota's, en waarom zou dat patroon nu doorbroken worden?

Binnen het Defensiematerieelbegrotingsfonds (DMF) hanteert Defensie sinds 2021 overprogrammering om onderrealisatie te voorkomen. Overprogrammering wordt bijvoorbeeld ook ingezet op het Deltafonds. Als gevolg van interne en/of externe factoren kunnen investeringsprojecten vertragen ten opzichte van de raming. Defensie hanteert het instrument overprogrammering om het toegewezen totaalbudget in het DMF per jaar te realiseren, ondanks dat de realisatie van individuele projecten kan vertragen. Op voorhand is namelijk niet te voorspellen welke projecten vertragen en welke niet. Vanwege deze vertragingen wordt bij overprogrammering in de eerste jaren meer plannen ter hand genomen dan passen binnen het budgettaire kader van deze jaren. Over de gehele planperiode van 15 jaar sluit de programmering aan op het totaal beschikbare budget. De overprogrammering wordt vastgesteld op basis van het toegewezen DMF-budget per jaar en mag in beginsel in elk begrotingsjaar maximaal 30% van het toegewezen budget zijn. In het kader van de noodzaak van een versnelde gereedheid, heeft het kabinet (zoals met uw Kamer gecommuniceerd in de ontwerpbegroting 2026) besloten dat in 2026 en 2027 de overprogrammering tijdelijk 40% mag bedragen. Deze hogere overprogrammering maakt het mogelijk om nieuwe en bestaande investeringen die bijdragen aan een versnelde gereedstelling te realiseren.

In onderstaande tabel zijn de oorspronkelijk geraamde uitgaven uit de ontwerpbegroting op het DMF afgezet tegen de realisatie conform de jaarverslagen van deze jaren. Een percentage boven de 100% hoeft niet te leiden tot een uitgavenoverschrijding omdat er gedurende het lopende jaar budgetten kunnen worden toegevoegd aan het DMF of kunnen worden doorgeschoven naar latere jaren. De verwerking daarvan vindt bijvoorbeeld plaats met de eerste suppletoire begroting. Defensienota 2022 en 2024 zijn waar van toepassing in de begrotingsstanden verwerkt.

(bedragen x€ 1.000)

2021

2022

2023

2024

2025

Begroot

4.610.299

5.387.062

6.678.776

10.923.657

9.775.495

Gerealiseerd

4.606.984

4.953.813

5.613.920

7.605.825

10.169.192

Percentage gerealiseerd

100%

92%

84%

70%

104%

46

De vastgoedrealisatie moet van gemiddeld €425-635 miljoen naar €2 miljard per jaar. Is er een precedent waarin de Rijksoverheid een dergelijke versnelling daadwerkelijk heeft gehaald, gegeven stikstof- en netcongestieproblematiek die in de nota zelf als beperkend wordt erkend?

Een scenario waarin de jaarlijkse vastgoedrealisatie door de overheid werd opgeschaald van ongeveer 400 miljoen euro per jaar naar 2 miljard euro per jaar, is in de Nederlandse naoorlogse geschiedenis niet in deze ordergrootte uitgevoerd. Iedere periode kent specifieke uitdagingen die de realisatie kunnen beperken waardoor een precedent beperkte voorspellende waarde heeft, zoals dat nu vooral stikstof en netcongestie zijn. Defensie realiseert die versnelling door een fundamenteel andere manier van werken, waarvoor vorig jaar in samenwerking met het Rijksvastgoedbedrijf en marktpartijen de Commandopost Vastgoed is opgericht. Er wordt ingezet op onder andere verdergaande standaardisatie van verschillende soorten gebouwen, intensievere samenwerking met marktpartijen en in de planning van vastgoedprojecten rekening te houden met belemmerende factoren zoals stikstof en netcongestie.

47

Het uitgangspunt blijft vrijwilligheid, met een escalatieladder naar selectieve opkomstplicht als terugvaloptie. Bij welke concrete drempelwaarde — aantal reservisten, vullingspercentage wordt die knop omgezet, en is dat besluit aan het kabinet of aan Defensie zelf?

Dienen op basis van vrijwilligheid blijft het uitgangspunt. Defensie onderkent de schaarste op de arbeidsmarkt en zet daarom ook in op samenwerking en gedeeld werkgeverschap om verdringing met andere vitale sectoren zoveel mogelijk te beperken. In de Kamerbrief Inrichting Opkomstplicht is hier verder antwoord op gegeven Zie ook het antwoord op vraag 20.

48

Defensie wil doorgroeien naar 102.000 in 2030 en "uiteindelijk" 122.000, maar de arbeidsmarkt is nu al krap en de defensie-industrie concurreert om dezelfde technici, zo constateert het lid van de Fractie-Van de Sanden. Welk deel van de instroom komt ten koste van andere vitale sectoren die ook moeten groeien (energie, digitale infrastructuur)?

Defensie is zich ervan bewust dat de personele groei plaatsvindt in een krappe arbeidsmarkt en dat ook andere vitale sectoren behoefte hebben aan schaars personeel.

Defensie wil het beroep op de arbeidsmarkt daarom zoveel mogelijk beperken. Uitgangspunt van de schaalbare krijgsmacht is dat op ieder moment niet meer personeel werkzaam is dan noodzakelijk. Een belangrijk deel van de groei wordt ingevuld met reservisten, die hun civiele baan behouden. Daarnaast zet Defensie in op het delen van personeel met andere sectoren, onder meer via gedeeld werkgeverschap en samenwerking met werkgevers, en op arbeidsextensivering door technologie en innovatie. Zo wordt de beschikbare schaarse arbeidscapaciteit zo efficiënt mogelijk benut.

49

Reservisten moeten een steeds groter deel van de schaalbare krijgsmacht vormen (van 10.225 in 2026 naar 20.000 in 2030), primair vanuit hun civiele baan. Is er onderzoek gedaan naar de bereidheid van civiele werkgevers om dat daadwerkelijk te faciliteren, buiten de wettelijke verankering die pas nog moet worden uitgewerkt?

Er is geen afzonderlijk onderzoek gedaan naar de bereidheid van civiele werkgevers om de inzet van reservisten te faciliteren. In de praktijk ziet Defensie een grote en groeiende bereidheid bij civiele werkgevers om hieraan bij te dragen. Dit blijkt onder meer uit het groeiende samenwerkingsnetwerk met werkgevers en de belangstelling voor samenwerking met Defensie.

Tegelijkertijd leven bij werkgevers vragen over onder meer verlof, arbeidsongeschiktheid en loondoorbetaling bij ziekte. Defensie werkt daarom aan verdere ontwikkeling van gedeeld werkgeverschap en de rechtspositie van reservisten en versterkt de samenwerking met werkgevers via onder meer convenanten en regionale defensieloketten. Daarmee wordt beoogd de praktische randvoorwaarden voor werkgevers verder te verbeteren en de inzet van reservisten vanuit een civiele baan te faciliteren.

50

Defensie wil minimaal 50% inkopen bij Nederlandse en Europese bedrijven. Wat is het huidige percentage, en welk deel van de "Europese" leveranciers is in de praktijk afhankelijk van Amerikaanse of Aziatische onderdelen en zeldzame aardmetalen — het risico dat de nota zelf bij China signaleert?

In de eerste helft van 2026 kocht Defensie 59,0% van het totale inkoopvolume (in financiële omvang) voor militaire gereedheid en gevechtskracht in Nederland en Europa. In de Stand van Defensie Najaar 2026 bent u hierover nader geïnformeerd. Defensie doet om operationele- en veiligheidsredenen geen uitspraken over specifieke kritieke afhankelijkheden. Per aanschaf wordt bekeken of en zo ja, welke veiligheidsmaatregelen nodig zijn ten aanzien van het te leveren product, de leverancier, en de inkoopprocedure. Indien een inkoopopdracht de nationale veiligheid raakt, wordt voor die opdracht de Algemene Beveiligingseisen Rijks Opdrachten (ABRO) ingezet. Het kabinet zet in op een versnelling van de inzet op leveringszekerheid van kritieke grondstoffen en gerelateerde halffabricaten en componenten, als onderdeel van de Europese inzet op dit terrein .

51

De nota noemt drie beoogde "toonaangevende militaire capaciteiten" en vijf "hoogwaardige componenten" tegen 2035. Dit lid vraagt u waarom zo weinig, gegeven de ambitie om tot de wereldtop te behoren, en welke landen worden als benchmark gebruikt?

De getallen genoemd in de Defensienota 2026 zijn minimale aantallen die gehaald moeten worden. Meer militaire capaciteiten en componenten in Nederland ontwikkelen is wenselijk, gezien het belang ervan voor de strategische autonomie. Echter, de Nederlandse defensie-industrie is relatief klein ten opzichte van andere landen, daarom zal ook een groot deel van de militaire capaciteiten elders, bij voorkeur in Europa, worden aangeschaft.

52

Munitie- en materieelproductie moeten fors opschalen, maar de nota erkent dat de Nederlandse industrie "nog niet" in de urgente behoefte kan voorzien. Wat gebeurt er in de overbruggingsperiode — wordt daarvoor buiten Europa ingekocht, en van wie?

Defensie koopt bij voorkeur materieel en munitie in Europa in. Voor verschillende kritieke capaciteiten en munitie bestaan er geen Nederlandse en Europese mogelijkheden. In die gevallen verwerft Nederland bij niet-Europese NAVO bondgenoten of elders. Op dit moment wordt er nog geen munitie in Nederland geproduceerd. Het is belangrijk dat Nederland zich positioneert in het Europese en mondiale speelveld van munitieproductie. Defensie en Economische Zaken hebben stappen gezet en een drietal opties binnen het munitiedomein geïdentificeerd waar de krijgsmacht behoefte aan heeft én Nederland op basis van de kennis en kunde van de Nederlandse industrie een stevige positie kan pakken in het speelveld van (schaarse) munitie, zoals (co)productie van kapitale munitie, dronemunitie en hergebruik, demilitarisatie en alternatieve grondstofproductie.

53

De 3,5%-norm wordt wettelijk vastgelegd, maar pas vanaf 2035; tot 2030 geldt 2,8%. Wat gebeurt er met de ambities in deze nota als een volgend kabinet de tussenliggende jaren niet volledig invult — is er een wettelijke ondergrens voor het groeipad, of alleen voor het eindpunt?

In de Wet financiële defensieverplichtingen is opgenomen dat de defensie-uitgaven jaarlijks minimaal 2% bedragen van het bruto binnenlands product (bbp). In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten is afgesproken dat de defensie-uitgaven in 2030 2,8% van het bbp bedragen en in 2035 3,5% van het bbp. Het NAVO-percentage van 3,5% wordt per 2035 wettelijk vastgelegd. Daar werkt dit kabinet nu aan.

54

Defensie-uitgaven concurreren met andere departementen in een tijd van bredere begrotingsdruk. Welke bezuinigingen of belastingmaatregelen elders zijn nodig om het pad naar 3,5% vol te houden, en zijn die politiek al belegd buiten het coalitieakkoord?

Dagelijks hebben we in Nederland al te maken met hybride dreigingen zoals cyberaanvallen, spionage en desinformatiecampagnes, die erop gericht zijn onze samenleving te ontwrichten. De aanhoudende nietsontziende Russische agressie in Oekraïne is al ruim vier jaar bezig op ons eigen continent, een steeds assertiever China, onrust in het Caribisch gebied en conflicten in het Midden-Oosten maken dreigingen direct voelbaar, voor ons Koninkrijk en onze belangen. We moeten zelf in staat zijn om, samen met bondgenoten, ons eigen land en het bondgenootschappelijk verdragsgebied te beschermen. De investeringen uit het coalitieakkoord zijn daarvoor benodigd. Dit is verder uitgewerkt in de Defensienota 2026.

In het coalitieakkoord en vervolgens de Miljoenennota heeft het kabinet integrale keuzes gemaakt en hierover is het debat met uw Kamer gevoerd. Het totaal aan investeringen in de Miljoenennota is voorzien van een totale optelsom van budgettaire dekking. In het totaalpakket aan maatregelen zitten diverse investeringen waaronder ook in Defensie. Het totaal aan investeringen in onze krijgsmacht telt op tot 3,5% van het bbp in 2035. Het kabinet heeft hiervoor een integraal plan opgesteld met beleidsvoornemens en investeringen tot en met 2035; de Defensienota 2026.

55

De financiële bijlage is grotendeels vertrouwelijk vanwege operationele veiligheid. Hoe kan de Kamer - en de belastingbetaler - de doelmatigheid van €19,3 miljard extra per jaar (2035) beoordelen zonder zicht op de onderliggende keuzes?

Het is inmiddels niet langer ondenkbaar dat Nederland betrokken raakt bij een grootschalig militair conflict. Daarnaast zien we dat de hybride dreigingen en aanvallen tegen Nederland en onze bondgenoten toenemen. In deze nieuwe realiteit in de grijze zone onder de grens van gewapend conflict kan het delen van informatie niet alleen de belangen van Defensie, onze bondgenoten en partners schaden, maar ook levens in gevaar brengen. Bij het openbaar delen en/of maken van Defensie informatie, zoals alle onderliggende plannen uit de Defensienota 2026 - moet daarom altijd een afweging gemaakt worden tussen operationele veiligheid en het belang van transparantie. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door te kijken naar juridische of andere externe beperkingen voor het openbaar maken van de informatie, bijvoorbeeld door internationale verdragen of leverancierscontracten. Ook wordt er gecontroleerd of de informatie inzicht geeft in militaire capaciteit of activiteiten; van Nederland en/of bondgenoten. Informatie zal daarom in voorkomende gevallen vertrouwelijk met uw Kamer worden gedeeld, zoals ook bij de onderliggende plannen uit de Defensienota 2026. Dit biedt uw Kamer de mogelijkheid om de plannen te beoordelen op onder andere doelmatigheid en met het kabinet voorgestelde keuzes het gesprek te voeren.

56

De nota erkent dat Nederland zich al jaren in de grijze zone bevindt en dagelijks wordt geraakt door cyberaanvallen, sabotage en spionage. Welke concrete drempel voor eigen respons — buiten afschrikking en attributie — wordt voorgesteld, gegeven dat attributie zelf al "complex en tijdrovend" wordt genoemd?

Het kabinet weegt op een case-by-case basis, en waar mogelijk samen met internationale partners, de Nederlandse response tegen hybride activiteiten. Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over wanneer het komt tot responses tegen hybride dreigingen. Het kabinet ontneemt tegenstanders hiermee de mogelijkheid hun aanvallen zodanig vorm te geven dat dergelijke responses worden voorkomen.

57

Cyberweerbaarheid wordt primair als civiele aangelegenheid bestempeld, met Defensie in een aanvullende rol. Is die taakverdeling nog houdbaar gezien de schaal van de dreiging die de nota zelf beschrijft, of is dit een verantwoordelijkheid die tussen ministeries blijft hangen?

Cyberweerbaarheid is een primair civiele aangelegenheid, waarbij de minister van Justitie en Veiligheid als coördinerend bewindspersoon de regie voert en de vakdepartementen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid bijdragen. Defensie vervult hierin een significante rol vanuit de inlichtingen- en veiligheidstaak. Het kabinet hecht waarde aan een nauwe samenwerking tussen de departementen. Hierin blijft het kabinet de aansluiting tussen het civiele en het militaire domein door ontwikkelen, en informeert het uw Kamer hierover langs de reguliere weg.

58

Defensie zet in op offensieve cybercapaciteiten "om tegenstanders te beïnvloeden en, indien nodig, aan te vallen". Onder welk juridisch mandaat en welke parlementaire controle vindt die inzet plaats, gegeven dat dit buiten het gebruikelijke kader van artikel 100-brieven valt?

De Wiv 2017 stelt de inlichtingendiensten onder meer in staat tot het verrichten van attributieonderzoek en tot handelend optreden. Een voorbeeld van het laatste is het offline (laten) halen van ICT-infrastructuur die onderdeel is van aanvalsinfrastructuur of misbruikt wordt voor digitale spionage of sabotage. De Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) is bevoegd op dergelijke activiteiten toezicht te houden om te toetsen of de bevoegdheid door de MIVD rechtmatig wordt uitgevoerd. Zo zal iedere verstorende cyberactiviteit moeten voldoen aan de wettelijke vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.

Naast het optreden door de inlichtingendiensten kan Nederland ook met de krijgsmacht offensieve cyberactiviteiten uitvoeren (Kamerstukken II 2021/22, 26 643, nr. 785). Zo kan het Defensie Cyber Commando (DCC) in laatste instantie een (tegen)aanval uitvoeren om een vijandelijke actie af te wenden of om een essentieel belang van de staat te beschermen. De parlementaire controle op inzet van cybercapaciteiten is niet anders dan bij andere militaire inzet die binnen of buiten de reikwijdte van artikel 100 plaatsvindt.

59

Nederland wil een "voortrekkersrol" spelen in een sterker Europa binnen de NAVO, maar erkent tegelijk dat de Verenigde Staten zich steeds meer op belangen buiten Europa richten. Wat is het concrete Nederlandse antwoord als de burden shift van VS naar Europa trager verloopt dan gepland — is er een nationaal fall-back scenario?

Nederland ziet de noodzaak voor een sterker Europa binnen de NAVO, en zet concrete stappen om dat te realiseren (zie ook het antwoord op vraag 1). Daarmee vergroten we onze eigen slagkracht.

Onderdeel van een bondgenootschap is dat iedere bondgenoot zijn eerlijke deel bijdraagt aan de collectieve afschrikking en verdediging. Deze overtuiging draagt Nederland continu uit naar bondgenoten, en Nederland zal ook eventueel achterblijvende bondgenoten hierop aanspreken. Daarnaast zet Nederland in op meer Europese defensiesamenwerking, om de gezamenlijke slagkracht en daarmee de geloofwaardigheid van de afschrikking van Europese landen te bevorderen.

60

De EU-defensieomnibus, mede op initiatief van Nederland, moet aanbestedings- en vergunningsprocedures versnellen. Loopt dit instrument het risico dezelfde procedurele en juridische bezwaren op te roepen als de Omnibus AI en Digitaal — waar het ontbreken van effectbeoordelingen al tot juridische en politieke kritiek heeft geleid?

Het kabinet hecht er waarde aan dat Commissievoorstellen gepaard gaan met een degelijke impact assessment. Zonder impact assessment ontbreekt een grondige analyse van de gevolgen van de wijzigingen in wetgeving. Het kabinet verwelkomt dan ook dat de Commissie in november 2025 wel een Staff Working Document heeft gepubliceerd om de voorstellen uit de defensie omnibus gedetailleerd te motiveren en de geschiktheid ervan toe te lichten om de vastgestelde beleidsdoelstellingen te bereiken, in overeenstemming met de relevante regels voor betere regelgeving. Gelet op de geopolitieke situatie kan het kabinet de Commissie volgen in haar keuze om in dit specifieke geval geen formele impact assessment op te stellen.

61

De Wet op de Defensiegereedheid geeft Defensie de bevoegdheid tijdelijk af te wijken van regels die gereedstelling belemmeren. De Raad van State heeft hier kritiek op geuit vanwege gevolgen voor rechtsbescherming en zorgvuldigheid. Hoe verhoudt "tijdelijke" afwijking zich tot de eigen erkenning in de nota dat de dreiging structureel, niet tijdelijk is?

Vanwege de internationale veiligheidssituatie dient de krijgsmacht gereed te zijn voor het geval inzet vereist wordt. Om gereed te stellen moet de krijgsmacht kunnen opleiden, trainen en oefenen. Op dit moment worden elementaire oefenactiviteiten, zoals vliegen, schieten en het oefenen met drones belemmerd. Dit is een gevolg van wetgeving die stamt uit en geschreven is voor vredestijd. Daarom stelt de regering met de Wodg een passend juridisch kader voor waarbinnen de krijgsmacht snel en flexibel op haar taak kan voorbereiden.

De Raad van State heeft in haar advies steun uitgesproken voor de doelen, urgentie en gekozen benadering van de Wodg. Onderdeel daarvan zijn tijdelijke afwijkingen in de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld hiervan betreft het oefenen met drones. Op dit moment kan dat niet voldoende beoefend worden, ook niet op eigen terreinen. Nieuwe ontwikkelingen, zoals het schieten op drones, of het gebruik van nieuwe type wapens en munitie, kunnen op dit moment pas uitgevoerd worden zodra reguliere vergunningstrajecten zijn doorlopen die veel tijd in beslag nemen. Hoofdstuk 3 van de Wodg maakt het mogelijk om gericht afwijkingen te treffen voor de meest urgente activiteiten, genoemd in Bijlage I.

De tijdelijke afwijkingen geven geen vrijbrief. De activiteit wordt specifiek omschreven, en begrensd in duur, locatie en omvang. Dit wordt verder uitgewerkt in een AMvB die ook voorgehangen zal worden bij uw Kamer en waarover de Raad van State zal adviseren. Buiten de tijdelijke afwijkingen om blijft Defensie gebonden aan regelgeving, en ook in het systeem van toezicht en handhaving wordt geen verandering aangebracht.

Verder wordt opgemerkt dat de Afdeling advisering van de Raad van State in haar advies over de tijdelijke afwijkingen van het omgevingsrecht niet op de rechtsbescherming en de zorgvuldigheid ingaat. Wel heeft het advies over andere punten geleid tot aanpassingen van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting.

Zoals in de toelichting en het nader rapport bij de Wodg is aangegeven, blijft de regering zich inspannen om de positie van Defensie in het omgevingsrecht structureel te verbeteren. Waar deze verbetering is bereikt, kunnen afwijkingen op basis van de Wodg vervallen. Naast de Wodg, die zich op bestaande terreinen richt, werkt Defensie ook aan het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) waarmee meer ruimte voor Defensie ontstaat. Om die redenen acht de regering, evenals de Raad van State, de in de Wodg opgenomen balans tussen urgentie van de gereedstelling en weging van publieke waarden en belangen gerechtvaardigd.

62

De nota belooft "meer toezicht" ondanks versnelling en schaalvergroting, onder meer via kortcyclisch, signalerend toezicht. Is onafhankelijk toezicht realistisch te combineren met een organisatie die zichzelf tegelijkertijd machtigt om standaardprocedures te omzeilen — en wie toetst of ‘normalisation of deviance’ wordt voorkomen, als de eigen organisatie zowel uitvoerder als eerste toezichthouder is?

Defensie acht dit goed met elkaar te combineren. De ruimte om standaardprocedures aan te passen of daarvan af te wijken, staat onafhankelijk toezicht niet in de weg. Het toezicht is onafhankelijk van de uitvoering binnen de krijgsmacht gepositioneerd en sluit daarbij aan bij de rijksbrede kaders voor goed toezicht.

Toezichthouders kunnen beleid en uitvoering waar nodig kritisch tegen het licht houden, onafhankelijk onderzoek doen en aanbevelingen en adviezen geven. Daarmee kunnen zij ook toetsen of het aanpassen of niet naleven van procedures leidt tot een ongewenste normalisering van afwijkingen (normalisation of deviance). Dit vereist van de toezichthouders een goed begrip van de operatie, de relatieve nabijheid tot die operatie bevordert dat zonder aan onafhankelijkheid in te boeten.

63

De nota erkent dat de Verenigde Staten "steeds meer belangen buiten Europa" prioriteren, maar de afschrikking blijft rusten op Amerikaanse nucleaire garanties en een NAVO-planning (NATO Force Model) waarin de VS leidend zijn. Welke concrete, tijdgebonden stappen zijn er om het scenario dat de nota zelf noemt — Europa dat "tijdelijk zonder de Verenigde Staten" het eigen grondgebied verdedigt — daadwerkelijk uitvoerbaar te maken, en binnen welke termijn moet dat kunnen?

In de huidige Europese veiligheidscontext is geloofwaardige en effectieve (nucleaire) afschrikking door de NAVO voor Nederland van essentieel belang. De Amerikaanse nucleaire paraplu via de NAVO blijft het fundament van de nucleaire missie van de NAVO. Nederland neemt zijn verantwoordelijkheid voor de afschrikking en verdediging in Europa door aan de nucleaire taak binnen de NAVO bij te dragen. Nederland onderzoekt met Europese partners op welke manier de Europese dimensie van nucleaire afschrikking verder versterkt kan worden. Dit is een aanvulling op, en geen vervanging van, de NAVO’s nucleaire missie en de Amerikaanse afschrikkingscapaciteiten. Vanuit deze fundamentele overwegingen is besloten om in te gaan op het Franse aanbod om een strategische dialoog aan te gaan over strategische Europese nucleaire en conventionele afschrikking. Deze samenwerking bevindt zich in een verkennende fase. Vanwege operationele veiligheid doen we over concrete tijdspaden geen uitspraken.

64

Cruciale enablers — satellietcommunicatie, langeafstandsinlichtingen, luchttransport, delen van de raketverdediging — zijn deels of grotendeels Amerikaans. Welk deel van de "unieke eigenstandige inlichtingenpositie" is in de praktijk afhankelijk van Amerikaanse systemen of data, en welk tijdpad hanteert Defensie om die afhankelijkheid te verminderen?

Er worden in het openbaar geen uitspraken gedaan over de specifieke inlichtingenpositie van de MIVD. Hiertoe wordt de Kamer via de geëigende kanalen geïnformeerd.

65

Nederland investeert in het Amerikaanse Collaborative Combat Aircraft-project en zoekt "wederzijds voordelige toegang" tot de Amerikaanse defensiemarkt. Hoe verhoudt die bilaterale afhankelijkheid zich tot de gelijktijdige ambitie van Europese strategische autonomie, gegeven eerdere precedenten van eenzijdige Amerikaanse exportrestricties op bijvoorbeeld F-35-onderdelen?

De deelname aan het Amerikaanse CCA-programma is een strategische keuze om de Nederlandse technologische regie te versterken. In tegenstelling tot gesloten systemen, is de ontwikkeling van CCA gebaseerd op de Modular Open Systems Approach (MOSA). Deze open architectuur is essentieel om de strategische autonomie te waarborgen; het stelt de Nederlandse industrie en kennisinstellingen in staat om vitale, autonome subsystemen en software zelf te ontwikkelen en te onderhouden.

Door deze technologische expertise op te bouwen binnen een internationale, open standaard, voorkomt Nederland een 'vendor lock-in' en behoudt het de controle over het intellectueel eigendom. Deze kennis en de ontwikkelde modulaire componenten zijn inherent platform-agnostisch, wat betekent dat ze ook bijdragen aan de toekomstige Europese strategische autonomie en de inzetbaarheid van technologie in diverse internationale samenwerkingsverbanden.

66

De veronderstelling dat de NAVO een "nucleair bondgenootschap" blijft, steunt impliciet op blijvend vertrouwen in de Amerikaanse nucleaire garantie. Welk Europees alternatief is uitgewerkt voor het scenario waarin die garantie geloofwaardig verwatert, en op welke termijn zou dat operationeel kunnen zijn?

Zie antwoord op vraag 63. Hierover heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer op 21 september geïnformeerd met de brief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie (Kamerstuk 2026Z19445) en de beantwoording van de schriftelijke vragen over de aanschaf van Israëlische scherfvesten met Chinese componenten (Kamerstuk 2026D45106).

67

De nota kondigt aan minstens 50% bij Nederlandse en Europese bedrijven te willen inkopen, maar zwijgt over het gebruik van artikel 346 VWEU, dat lidstaten toestaat wezenlijke veiligheidsbelangen te laten prevaleren boven de reguliere Europese aanbestedingsplicht. In welke mate maakt Defensie nu gebruik van deze uitzonderingsgrond, hoe verhoudt dat zich tot Frankrijk en Duitsland, en welke drempel wordt gehanteerd om die vaker toe te passen ten gunste van de Nederlandse industrie?

Defensie benut bij verwervingstrajecten de maximaal beschikbare ruimte binnen de aanbestedingswetgeving. Deze strategie leidt ertoe dat in het overgrote deel van de gevallen Defensie voor militaire producten en diensten geen reguliere Europese aanbestedingsprocedure toepast en dat geeft Defensie de mogelijkheid om opdrachten rechtstreeks te gunnen. Een voorbeeld van een getroffen maatregel is het sneller gebruikmaken van uitzonderingsbepalingen in de aanbestedingswetgeving voor inkoopbehoeftes die bedoeld zijn voor de gereedstelling voor hoofdtaak 1. Deze maatregel omvat, naast militaire, ook civiele producten en diensten. De daardoor geboekte tijdwinst verschilt per traject. Defensie gaat grofweg uit van een tijdwinst van 2-12 maanden bij rechtstreeks gunnen ten opzichte van het doorlopen van een Europese aanbestedingsprocedure.

Defensie doet geen uitspraken over de mate van het gebruik van artikel 346 VWEU. Gegevens over het gebruik daarvan door andere landen zijn niet beschikbaar. Dat maakt het onmogelijk om het gebruik daarvan door Defensie af te zetten tegen het gebruik van andere landen. Daarbij merk ik op dat artikel 346 VWEU niet de enige mogelijkheid is om af te zien van een reguliere Europese aanbestedingsprocedure. Ook binnen de aanbestedingswetgeving bestaan diverse mogelijkheden om opdrachten rechtstreeks te gunnen.

In het uitzonderlijke geval dat (operationele) noodzaak vereist dat rechtstreeks gegund moet worden, omdat het vereiste tijdpad voor een reguliere Europese aanbestedingsprocedure te kort is of de aanbestedingswetgeving het anderszins niet toestaat, kan Defensie alsnog buiten de aanbestedingswetgeving om gunnen. Defensie rapporteert over die gevallen in de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag. Deze procedure neemt de onrechtmatigheid van dat handelen niet weg en Defensie beschouwt dit als een laatste redmiddel.

In de Stand van Defensie rapporteert Defensie twee keer per jaar over het deel dat Defensie inkoopt bij Nederlandse of Europese bedrijven. In de recentste rapportage behaalt Defensie dit streefpercentage door bijna 80% van haar budget uit te geven bij Nederlandse en Europese bedrijven. Na correctie van dit percentage voor de herkomst van de betreffende moederbedrijven en voor uitgaven aan materieel of IT ten behoeve van de gereedheid en gevechtskracht van Defensie, bedraagt het percentage 59%. Daarbij merk ik op dat dit een momentopname betreft (eerste half jaar van 2026), trends kunnen over een langere periode worden waargenomen.

Defensie heeft, in goede afstemming met de ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken. Verder bepleit Defensie internationaal in Europees-, NAVO- en bilateraal verband de capaciteiten van de Nederlandse supervezelindustrie ten behoeve van het voortzettingsvermogen van krijgsmachten. Dit draagt bij aan de internationale positionering van deze industrie.

68

De "ladder van eenvoud" en de EU-defensieomnibus versnellen de administratieve procedure, maar raken niet de onderliggende vraag of Defensie bij urgente, strategisch gevoelige verwervingen consequent kiest voor onderhandse gunning op veiligheidsgronden in plaats van openbare Europese aanbesteding. Hoeveel van de aangekondigde verwervingstrajecten lopen nu via een reguliere aanbesteding in plaats van via de veiligheidsuitzondering, en wat is het effect op de doorlooptijd?

Zie antwoord op vraag 67.

69

Terughoudendheid met de veiligheidsuitzondering betekent internationale concurrentie en langere doorlooptijden voor orders aan de Nederlandse industrie — terwijl de nota zelf stelt dat attritie en snelheid van opschaling bepalend zijn voor het moderne slagveld. Is die terughoudendheid een bewuste juridische keuze, en welke afweging tussen snelheid en Europese aanbestedingsdiscipline ligt daaraan ten grondslag?

Zie antwoord op vraag 67.

70

De ambitie is dat over vijf jaar meer dan de helft van de operationele effecten met onbemenste systemen wordt bereikt, terwijl de jaarlijkse investering in de Defensie innovatie- en opschalingsautoriteit circa €350 miljoen bedraagt (beide sporen samen) tegenover een totaalbudget dat oploopt tot tientallen miljarden. Is dit bedrag realistisch om die ambitie te halen, en met welke investeringsniveaus van bondgenoten of tegenstanders is dit vergeleken?

Een operationeel effect is het beoogde of feitelijke resultaat van een militaire actie of operatie dat vervolgens weer bijdraagt aan een hoger strategisch doel. De wijze waarop Defensie operationele effecten bereikt is over vijf jaar anders dan nu het geval is. Defensie zet zich daarom stevig in voor het versterken van de operationele slagkracht, door de inzet van onbemenste systemen structureel te integreren in de militaire operaties. Daardoor zullen deze onbemenste systemen de komende jaren steeds meer gaan bijdragen aan de gewenste operationele effecten.

De investering in de Defensie innovatie- en opschalingsautoriteit is gericht op de innovatie en doorontwikkeling van onder andere onbemenste systemen. Echter, dit is niet het enige budget dat bijdraagt aan het bereiken van de genoemde ambitie. Bij nieuwe investeringen wordt continu overwogen om (delen van) het operationele effecten te behalen met onbemenste systemen.

71

Autonome systemen worden gekoppeld aan het uitgangspunt dat de mens de effecten "redelijkerwijs moet kunnen voorspellen". Sluit dit volledig autonome doelidentificatie zonder mens-in-the-loop categorisch uit, en hoe verhoudt die zelfopgelegde beperking zich tot tegenstanders die volgens de nota zelf met minder scrupules opereren op dit vlak?

Defensie zet al tientallen jaren wapensystemen in, zoals de Goalkeeper, die doelwitten in volledig automatische modus kunnen identificeren, selecteren en aanvallen. Defensie sluit dergelijke wapensystemen dus niet categorisch uit. Het uitgangspunt van Defensie is dat een wapensysteem met dergelijke capaciteiten alleen wordt ingezet als mensen de effecten van het inzetten kunnen controleren en limiteren, zodat men voorafgaand aan inzet kan beoordelen of het wapensysteem conform het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, ingezet kan worden. ‘Controleren’ betekent dus nadrukkelijk niet dat altijd directe menselijke aansturing van het wapensysteem nodig is. Controle over de effecten van het inzetten van het wapensysteem kan bijvoorbeeld ook plaatsvinden in de ontwikkel- of planningsfase. Welke controlemaatregelen nodig zijn, is in hoge mate contextafhankelijk. Hiermee is geen sprake van een zelfopgelegde beperking, maar van een concretisering van hetgeen nodig is om aan bestaande verplichtingen te voldoen. Begin september 2026 zijn de 128 Verdragspartijen bij het Conventionele Wapenverdrag, waaronder alle militaire grootmachten, het eens geworden over tekst waarin het uitgangspunt van controle en menselijk oordeelsvermogen wordt beschreven.

72

De nota citeert dat in Oekraïne het merendeel van de slachtoffers nu door drones valt en dat goedkope, schaalbare middelen bepalend zijn voor doorzettingsvermogen. Waarom wordt de AI- en autonome-systemeninvestering dan grotendeels via een aparte, relatief beperkte innovatieautoriteit gestructureerd, in plaats van als dominant onderdeel van de hoofdinvesteringsprogramma's in alle domeinen?

Het klopt dat onbemenste systemen en AI door alle andere programma’s heen lopen en daar integraal onderdeel van zijn. De financiering van AI en autonome systemen is niet gescheiden omdat ze minder belangrijk zijn, maar juist omdat ze een fundamenteel andere levenscyclus en een ander risicoprofiel hebben dan traditionele platforms. Door deze structuur kunnen we de snelheid en schaalbaarheid van innovatie combineren met de robuustheid en integratie van de hoofdinvesteringsprogramma's.

Kamerstuk 28676, nr. 551.

Kamerstukken I, 2025-2026, 36800 X, E.

Kamerstuk 36800-X-118.

Kamerstuk 27830, nr. 511.

Ministerie van Defensie, Defensienota 2026. Samen voorwaarts!, blz 106-107. Bijlage bij: Kamerstukken I, 2025-2026, 36975, A.

Kamerstuk Z 2026Z18685.

Kamerstuk 33763, nr. 176.

Ministerie van Defensie, Beleidsdoorlichting Militaire Gezondheidszorg 2011-2021. Eindrapport, 14 maart 2023.

Algemene Rekenkamer, Ministerie van Defensie (X) en Defensiematerieelbegrotingsfonds (K). Rapport bij het Jaarverslag 2025, mei 2026, https://www.rekenkamer.nl/documenten/2026/05/20/vo-2025-def

RIVM, Rijksbrede Risicoanalyse nationale veiligheid 2022, https://www.rivm.nl/documenten/rijksbrede-risicoanalyse-nationale-veiligheid-2022.

Rijksoverheid, De Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2023/04/03/veiligheidsstrategie-voor-het-koninkrijk-der-nederlanden.

Kamerstuk 28676 nr. 560.

Kamerstuk 2026D30121.

Ministerie van Defensie, Defensienota 2026. Samen voorwaarts!, blz 6. Bijlage bij: Kamerstukken I, 2025-2026, 36975, A.

Idem, blz 107.

Idem, blz 92.

Kamerstuk Z 2026Z18685.

Idem, blz 83.

Kamerstuk 32852 nr. 426.

Kamerstuk 36800X, nr 11.

Kamerstukken II, 2025-2025, 36970, nr. 4.

Ministerie van Defensie, Defensienota 2026. Samen voorwaarts!, blz. 101.

Idem, blz. 24.

Idem.