Tekst
36 997 Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van de verplichting tot het stellen van milieuprestatie-eisen in aanbestedingen voor grond-, weg- en waterbouwwerken
Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld 12 oktober 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I. Algemeen deel
1. Inleiding
Afbakening wetsvoorstel
Hoofdlijnen van het voorstel
2.1. Aanleiding en bredere beleidscontext
2.2. Probleembeschrijving
2.3. Probleemaanpak
3. Motivering instrumentkeuze
4. Verhouding tot hoger recht
4.1. Relevante EU-regelgeving
4.2. Waarborging vrij verkeer van goederen en diensten
5. Verhouding tot nationale wetgeving
6. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
6.1. Afstemming met belangengroepen’
6.2. MKB-toets
6.3. Milieueffectentoets
6.4. Gevolgen voor ICT
7. Uitvoering
7.1. Uitvoering door aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven
7.2. Uitvoerbaarheidstoets Decentrale overheden
8. Toezicht en handhaving
9. Financiële gevolgen
9.1. Gevolgen voor burgers en bedrijven
9.2. Bestuurlijke lasten
9.3 Gevolgen voor de rechtspraak
10. Monitoring en evaluatie
11. Advies en consultatie
11.1. Advisering door het Adviescollege Toetsing Regeldruk
11.2. Uitvoerbaarheidstoets RWS
11.3. Uitvoerbaarheidstoets ProRail
11.4. Internetconsultatie
12. Overgangsrecht en inwerkingtreding
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel I, onderdelen A–C
Artikel I, onderdeel C, artikel 9.6.2
Artikel I, onderdeel C, artikel 9.6.3
Artikel II
I. Algemeen deel
De leden van de PRO-fractie onderschrijven dat de overheid haar inkoopkracht veel sterker kan en moet inzetten voor de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie. Juist in de GWW-sector (grond-, weg- en waterbouwwerken), waar de overheid een zeer grote rol als opdrachtgever heeft, kan een aanpak zoals deze zorgen voor schaalvergroting van circulaire oplossingen en investeringszekerheid voor bedrijven. Deze leden vinden het daarom positief dat met dit wetsvoorstel een einde wordt gemaakt aan de huidige versnippering van milieuprestatie-eisen.
Tegelijkertijd constateren deze leden dat er meer inzet nodig is om de transitie naar een circulaire economie gestalte te laten krijgen en de doelen te halen. Het grondstofgebruik is afgelopen decennium nauwelijks afgenomen. Deze leden vragen de regering daarom hoe zij voorkomt dat de voorgestelde wettelijke ondergrens uiteindelijk slechts leidt tot het uniformeren van de huidige praktijk, in plaats van tot de noodzakelijke versnelling van de circulaire transitie.
Deze leden vragen de regering in het bijzonder hoe wordt gewaarborgd dat de milieuprestatie-eisen daadwerkelijk aansluiten bij de nationale klimaat- en circulariteitsdoelen voor 2030 en 2050. Kan de regering daarbij aangeven welke rol de wettelijke verplichting volgens haar speelt bij het behalen van deze doelen?
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het ingezonden wetsvoorstel en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij waarderen de inzet van het wetsvoorstel om via de inkoopkracht van publieke opdrachtgevers de milieuprestaties van de GWW-sector te verbeteren. Juist in deze sector worden grote hoeveelheden grondstoffen en materialen gebruikt. Een meer uniforme en voorspelbare vraag naar materialen met een lagere milieubelasting kan bijdragen aan de verduurzaming van de sector en aan de ontwikkeling van een circulaire economie en het reduceren van o.a. de CO2-uitstoot. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de daadwerkelijke uitwerking van de ambities in belangrijke mate afhankelijk is van de lagere regelgeving. Zij hebben daarom nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie zijn kritisch op het introduceren van nieuwe nationale milieuprestatieverplichtingen bovenop bestaande Europese regelgeving. Zij vragen waarom voor wettelijke verplichtingen wordt gekozen, terwijl uniformering van bestaande aanbestedingspraktijken ook zonder nieuwe lasten kan plaatsvinden. Voor deze leden staan betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en het voorkomen van vertraging bij noodzakelijke infrastructuurprojecten voorop.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden begrijpen de wens om meer eenduidigheid te creëren in de eisen die publieke opdrachtgevers stellen. Voor aannemers is het immers onwenselijk wanneer iedere gemeente, provincie, waterschap of andere opdrachtgever met eigen methoden en eisen werkt. Tegelijkertijd hebben deze leden nog enkele vragen over dit voorstel.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Aanbestedende diensten moeten het goede voorbeeld geven en kunnen als launching customer bijdragen aan onder meer de gewenste grondstoffentransitie. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de PvdD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden hebben een aantal vragen.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie verzoeken om een toelichting op de afbakening tot de GWW-sector). De toelichting stelt dat met het voorstel niet direct wordt gestuurd op emissiearm materieel, terwijl dit de milieuscore wel positief beïnvloedt. Deze leden vragen waarom hiervoor is gekozen en hoe het voorstel zich verhoudt tot het programma Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB).
De leden van de JA21-fractie onderschrijven dat versnipperde aanbestedingseisen ondernemers onnodig werk kunnen bezorgen. De memorie van toelichting beschrijft tevens een gewenste versnelling van verduurzaming. Kan de regering voor beide doelen afzonderlijk aangeven welk aantoonbaar tekort de wettelijke verplichtingen oplossen, welk resultaat wordt beoogd en hoe wordt vastgesteld dat dit resultaat aan deze verplichtingen is toe te schrijven?
Afbakening wetsvoorstel
De leden van de JA21-fractie onderscheiden de producteisen van het nadere gunningscriterium. De opdrachtwaardedrempel betreft uitsluitend het tweede instrument. De milieukostenindicator (MKI) wordt in lagere regelgeving uitgewerkt. Welke concrete waarborgen voorkomen dat kleine opdrachten en onderaannemers via producteisen alsnog met onevenredige bewijs- en nalevingskosten worden geconfronteerd?
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de D66-fractie verzoeken om een onderbouwing van de verwachte klimaatwinst, omdat de memorie van toelichting uiteenlopende getallen noemt. In paragraaf 3 wordt gesproken over een vermindering van ongeveer 0,8 megaton broeikasgasemissies in 2030, in hoofdstuk 6 over 1 megaton (600 kiloton door de materiaaleisen en 400 kiloton door het nader criterium, exclusief Rijkswaterstaat en ProRail) en in paragraaf 11.2 over 623 kiloton voor de materiaaleisen alleen. Deze leden vragen om één consistent overzicht, met de aannames over de drempelwaarde, het jaar van invoering en de aangewezen materialen.
De leden van de D66-fractie verzoeken om een toelichting op de verhouding tussen het beoogde "peloton-niveau" van de eisen en het verwachte effect. De regeldrukparagraaf stelt dat het overgrote merendeel van de leveranciers al aan deze eisen voldoet. Deze leden vragen hoe daarmee een reductie van 600 kiloton wordt bereikt en hoe de eisen, na de beoogde tweejaarlijkse aanpassing, daadwerkelijk zullen worden aangescherpt. Zij vragen tevens wie de onafhankelijke commissies zijn die hierover adviseren en waar hun rol wordt verankerd.
De leden van de D66-fractie verzoeken om duidelijkheid over de materialen die worden aangewezen. De memorie van toelichting noemt asfalt, staal en beton (samen circa 69 procent van de milieu-impact), maar de regeldrukberekening en de toelichting bij het vrij verkeer van diensten spreken alleen over asfalt en beton. Deze leden vragen of ook staal wordt aangewezen en zo ja, hoe de lasten daarvan zijn meegenomen.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast op welke wijze de regering borgt dat koplopers in de sector gestimuleerd blijven worden om verder te gaan dan de minimale wettelijke norm.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van uniforme milieuprestatie-eisen, die ondernemers duidelijkheid en voorspelbaarheid bieden. Deze leden constateren dat belangrijke keuzes over het toepassingsbereik en de verplichtingen in lagere regelgeving worden uitgewerkt. Waarom is ervoor gekozen om geen voorhangbepaling in de wet op te nemen? Is de regering bereid de ontwerp-AMvB voorafgaand aan de vaststelling aan de Kamer voor te leggen, zodat zij zich kunnen uitspreken over de proportionaliteit, uitvoerbaarheid en regeldrukgevolgen?
De leden van de VVD-fractie zijn daarnaast benieuwd naar de mate waarop maatwerk voor specialistische sectorbedrijven wordt geborgd in dit wetsvoorstel. Kan de regering nader toelichten hoe deze speciale sectorbedrijven de kans op maatwerk geboden krijgen binnen het wetsvoorstel? Heeft de regering verder nagedacht over minder belastende alternatieven? Zo ja, waarom is er niet voor deze alternatieven gekozen?
De leden van de VVD-fractie maken zich in brede zin zorgen om toenemende regeldruk(kosten) voor ondernemers en het midden- en kleinbedrijf (mkb). Kan de regering toelichten hoe dit wetsvoorstel borgt dat de regeldruk(kosten) voor ondernemers en mkb-bedrijven zo laag mogelijk worden gehouden? Welke regeldruk levert dit wetsvoorstel op voor lokale en provinciale overheden? Kan de regering nader kwantificeren welke vermindering van regeldruk en kosten wordt verwacht door de harmonisatie van milieuprestatie-eisen? In hoeverre blijven deze besparingen overeind wanneer individuele opdrachtgevers strengere of aanvullende eisen stellen?
De leden van de BBB-fractie vinden het van groot belang dat verduurzaming niet leidt tot onnodige vertraging of prijsstijgingen bij de aanleg en het onderhoud van wegen, bruggen, tunnels, sluizen en andere infrastructuur. Kan de regering garanderen dat noodzakelijke vervanging en onderhoud van infrastructuur niet worden uitgesteld doordat projecten door de nieuwe eisen duurder worden of aanbestedingen ingewikkelder worden?
De leden van de SGP-fractie constateren dat onder meer Rijkswaterstaat een grote opgave heeft voor de instandhouding van de infrastructuur. Er is sprake van grote financiële tekorten. Er is versnelling in plaats van vertraging nodig. Daarbij moet de productiecapaciteit omhoog. Het sturen op milieuprestatie-eisen kan mogelijk negatieve gevolgen hebben voor de kosten van aanleg en vervanging/renovatie van infrastructuur, voor de snelheid van procedures en voor de productiecapaciteit en maakbaarheid. Deze leden horen graag hoe de regering dit spanningsveld ziet. Hoe wordt voorkomen dat het sturen op milieuprestatie-eisen ten koste gaat van voortvarende uitvoering van de instandhoudingsopgave? Krijgen aanbestedende diensten als Rijkswaterstaat in de beoogde algemene maatregel van bestuur ruimte om zo nodig gemotiveerd af te wijken, zoals ook door Rijkswaterstaat in de uitvoeringstoets is gevraagd?
2.1. Aanleiding en bredere beleidscontext
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering ervoor kiest om wettelijke milieuprestatie-eisen te stellen bij GWW-aanbestedingen. Zij vragen de regering om duidelijker aan te geven welke doelen zij met dit instrument wil bereiken. Gaat het daarbij primair om het verminderen van de milieubelasting, of is ook het terugdringen van het gebruik van primaire grondstoffen en het stimuleren van hergebruik en recycling een expliciet doel van deze wet? Deze leden vragen daarbij hoe wordt voorkomen dat de systematiek vooral stuurt op een lagere Milieukostenindicator (MKI), zonder dat daarmee automatisch ook de transitie naar een circulaire economie wordt versneld door bijvoorbeeld het gebruik van primaire grondstoffen te verminderen en/of hergebruik en hoogwaardige recycling te stimuleren. Zij ontvangen graag een onderbouwde reactie van de regering op dit punt.
De leden van de CDA-fractie constateren dat een belangrijk deel van de concrete normstelling wordt vastgelegd in lagere regelgeving. Zij vragen de regering om aan te geven hoe ambitieus zij deze normen wil inzetten en welke ruimte er blijft om specifieke circulariteitseisen te stellen, bijvoorbeeld voor hergebruik en het gebruik van secundaire grondstoffen. Zij merken op dat de regering tevens inzet op periodieke aanscherping van de eisen. Deze leden onderschrijven het belang daarvan, maar vragen hoe dit zich verhoudt tot de investeringszekerheid voor bedrijven. Is de regering bereid om meerjarig inzicht te geven in de ontwikkeling van de normen, zodat marktpartijen tijdig kunnen investeren in nieuwe productieprocessen en circulaire oplossingen?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de regering de overheid bewuster wil inzetten als ‘launching customer’ voor innovatieve en circulaire oplossingen. Kan de regering aangeven welke mogelijkheden zij ziet om via publieke aanbestedingen niet alleen bestaande duurzame oplossingen uit te vragen, maar ook de markt te stimuleren om nieuwe circulaire technieken, materialen en productieprocessen te ontwikkelen en op te schalen?
Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe de regering de bijdrage van het wetsvoorstel aan de circulaire economie concreet wil meten. Kan de regering aangeven of en hoe er daarbij niet alleen zal worden gekeken naar de vermindering van broeikasgasemissies, maar ook naar bijvoorbeeld het gebruik van primaire grondstoffen, hergebruik en hoogwaardige recycling? Zij vragen de regering ook om aan te geven wanneer zij het wetsvoorstel vanuit het perspectief van het toewerken naar een volledig circulaire economie als succesvol beschouwt.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de voorgestelde verplichtingen voortbouwen op bestaande programma’s en inkooppraktijken. Kan de regering een overzicht geven van verplichtingen en financiële prikkels die dezelfde materialen en projecten al raken, met per maatregel de aanvullende werking van dit voorstel en de manier waarop overlap in kosten en milieubaten wordt voorkomen?
2.2. Probleembeschrijving
De leden van de PRO-fractie onderschrijven het feit dat vrijblijvendheid de gestelde doelen niet dichtbij zal brengen en deze wetgeving noodzakelijk is. Daarom vragen deze leden of de regering de voorgestelde verplichtingen nadrukkelijk beschouwt als een minimumvloer waarop de komende jaren verder moet worden voortgebouwd. Welke concrete mechanismen voorkomen dat de wettelijke eisen na invoering een statisch basisniveau worden?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering schrijft dat de milieuprestatie-eisen iedere twee jaar worden aangepast aan ontwikkelingen in de markt. Deze leden vragen de regering of daarbij ook daadwerkelijk sprake zal zijn van een periodieke aanscherping van de normen en niet uitsluitend van een actualisering aan de hand van de prestaties die de markt op dat moment al levert. Kan de regering toezeggen dat bij deze tweejaarlijkse herziening expliciet wordt bezien welke aanscherping noodzakelijk is om de klimaat- en circulariteitsdoelen te blijven halen?
De leden van de PRO-fractie vragen zich naast de milieueffecten af of de regering zicht heeft op de effecten op onze weerbaarheid. Deze leden zien circulariteit als een belangrijke maatregel om die te versterken. In dat kader vragen deze leden of de regering zicht heeft op de strategische materialen die gebruikt worden in de sector? Ziet de regering kans om meer terugwinning of circulair gebruik van strategische of kritieke materialen in deze sector te verbeteren? Hoe kan deze wet daarbij helpen?
De leden van de JA21-fractie lezen een bedrag van 51 miljoen euro aan milieukosten voor de sector in 2019, terwijl de bijbehorende voetnoot ongeveer 30 procent van 1,7 miljard euro vermeldt. Kan de regering deze bedragen met de oorspronkelijke gegevens en afbakening in overeenstemming brengen en verduidelijken dat een berekende milieuschaduwprijs geen daadwerkelijk betaalde compensatierekening is?
De leden van de BBB-fractie vragen de regering daarom concreet uiteen te zetten welk probleem met dit wetsvoorstel wordt opgelost dat niet kan worden opgelost door bestaande aanbestedingspraktijken, landelijke richtlijnen of afspraken met opdrachtgevers. Welke alternatieven zonder wettelijke verplichting zijn onderzocht? Waarom zijn deze volgens de regering onvoldoende?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de regering concreet en kwantitatief kan aangeven hoeveel milieuwinst zij van beide verplichtingen afzonderlijk verwacht? Welk deel van die milieuwinst zou naar verwachting ook zonder deze wet zijn gerealiseerd door ontwikkelingen die al plaatsvinden bij Rijkswaterstaat, ProRail en andere opdrachtgevers?
2.3. Probleemaanpak
De leden van de PRO-fractie vinden het logisch dat in eerste instantie wordt gestuurd op de meest impactvolle materiaalstromen. Tegelijkertijd constateren zij dat een aanzienlijk deel van de milieu-impact volgens de onderliggende analyse nog niet goed in beeld is. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat de focus op de nu bekende meest impactvolle productstromen ertoe leidt dat andere materiaalstromen onvoldoende aandacht krijgen? Kan de regering aangeven volgens welke criteria nieuwe productstromen aan de verplichting zullen worden toegevoegd wanneer blijkt dat deze een steeds groter aandeel van de milieu-impact vertegenwoordigen? Deze leden vragen de regering tevens hoe wordt voorkomen dat een verbetering op één milieufactor leidt tot verslechtering op een andere?
De leden van de PRO-fractie onderschrijven de keuze om naast minimumeisen op productniveau ook te kijken naar de milieuprestatie van het gehele GWW-werk. Hoe zwaar moet dit criterium in de praktijk moet wegen om daadwerkelijk effect te hebben? Waarom wordt een minimumgewicht niet als uitgangspunt in de regelgeving vastgelegd? Kan de regering aangeven welke waarborgen zij ziet om te voorkomen dat milieuprestatie in de praktijk weliswaar formeel wordt meegenomen, maar vanwege een zeer beperkte wegingsfactor nauwelijks invloed heeft op de gunningsbeslissing?
De leden van de PRO-fractie vragen de regering tevens hoe wordt voorkomen dat marktpartijen vooral gaan optimaliseren op de indicator die wettelijk wordt voorgeschreven, terwijl andere relevante milieueffecten buiten beeld blijven.
De leden van de CDA-fractie begrijpen, gezien de grote milieu-impact van deze materialen, dat de regering in eerste instantie inzet op de grootste materiaalstromen, waaronder asfalt, beton en staal. Zij vragen de regering wel om inzichtelijk te maken hoe wordt geborgd dat de focus in de toekomst kan worden verbreed wanneer andere materiaalstromen relevant blijken voor de circulaire transitie. Kan de regering daarnaast aangeven in hoeverre er bij de keuze van materiaalstromen niet alleen naar milieubelasting wordt gekeken, maar ook naar grondstoffenschaarste, hergebruikspotentieel en circulariteit?
De leden van de CDA-fractie leden steunen de inzet op één landelijke methodiek. Dit kan zorgen voor meer duidelijkheid voor opdrachtgevers en marktpartijen en voor een gelijker speelveld. Tegelijkertijd is het van belang dat de methodiek niet leidt tot onnodige administratieve lasten. Zij vragen de regering hoe ervoor wordt gezorgd dat de methodiek ook door verschillende aanbestedende diensten op dezelfde manier wordt toegepast, zodat bedrijven niet met uiteenlopende eisen en rekenmethodes worden geconfronteerd.
Deze leden vragen daarbij ook aandacht voor het risico dat steeds verder aangescherpte duurzaamheidseisen in de praktijk vooral grotere bedrijven bevoordelen, omdat zij doorgaans meer capaciteit en middelen hebben om aan nieuwe eisen en rapportageverplichtingen te voldoen. Hoe wordt geborgd dat ook het mkb en innovatieve kleinere marktpartijen daadwerkelijk kunnen blijven deelnemen aan aanbestedingen en dat de eisen geen onnodige toetredingsdrempels opwerpen? Deze leden vragen tevens hoe er wordt geanticipeerd op de aansluiting van Nederlandse regels op mogelijke toekomstige Europese regelgeving.
De leden van de JA21-fractie zien voordelen in één herkenbare basis voor bewijsvoering. Opdrachtgevers behouden echter ruimte voor strengere eisen en verschillende waarderingen. Welke verschillen in uitvraag, berekening en beoordeling verdwijnen daadwerkelijk, en welke bindende afspraken over herbruikbare bewijsstukken en beoordelingsprotocollen zorgen ervoor dat de totale aanbestedingslasten hierdoor aantoonbaar afnemen?
De leden van de PvdD-fractie vragen de of de regering de mening deelt dat circulaire economie niet mag betekenen dat we schadelijke stoffen laten circuleren in plaats van deze stoffen uit de markt en omgeving halen.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het verminderen van milieu-impact van GWW-werken ten koste kan gaan van onder andere het milieu elders. Zo wordt ter vervanging van andere materialen vaak (tropisch) hout gebruikt. Houtkap kan echter weer negatieve ecologische, economische en sociale gevolgen hebben voor de gebieden waaruit dat hout afkomstig is. Erkent de regering dit risico? In hoeverre worden deze gevolgen in een MKI-score meegenomen? Hoe borgt de regering, zowel in dit wetsvoorstel, in onderliggende regelgeving als in flankerend beleid, dat de gebruikte grondstoffen op verantwoorde wijze zijn gewonnen en dat de herkomst van de grondstoffen traceerbaar is?
3. Motivering instrumentkeuze
De leden van de PRO-fractie constateren dat er verschillende alternatieven zijn onderzocht, waaronder een rekenverplichting voor alle GWW-werken en een grenswaarde op bouwwerkniveau. Zij vragen de regering waarom uiteindelijk is gekozen voor het voorgestelde basisniveau en niet voor een systeem waarbij voor het gehele GWW-werk een maximale milieubelasting wordt voorgeschreven.?
De leden van de JA21-fractie lezen waarom een generieke grenswaarde voor ieder type bouwwerk minder geschikt wordt geacht. Daarmee is nog geen vergelijkbare afweging van alle lichtere alternatieven gegeven. Kan de regering landelijke standaardbestekken, herbruikbare productverklaringen en gerichte ondersteuning zonder nieuwe wettelijke plicht vergelijken met beide voorgestelde instrumenten op milieuwinst, kosten en bereik?
De leden van de BBB-fractie zien een opvallende tegenstelling in de stukken. Het wetsvoorstel wordt mede gemotiveerd vanuit de wens om aanbestedingen eenvoudiger en uniformer te maken, terwijl tegelijkertijd essentiële normen later worden vastgesteld, opdrachtgevers aanvullende eisen mogen blijven stellen, afwijking mogelijk blijft op basis van een open proportionaliteitsnorm en de regering zelf erkent dat sommige leveranciers mogelijk zullen afhaken.
Deze leden vragen de regering daarom om vóór de verdere behandeling van het wetsvoorstel helder uiteen te zetten wat er voor een kleine gemeente én voor een regionale aannemer onderaan de streep daadwerkelijk eenvoudiger wordt, en daarbij niet alleen naar de milieuambitie van het voorstel te kijken, maar ook naar betaalbaarheid, markttoegang, concurrentie, uitvoeringscapaciteit en de snelheid waarmee Nederland zijn infrastructuur kan onderhouden en vernieuwen.
4. Verhouding tot hoger recht
De leden van de D66-fractie verzoeken om duidelijkheid over de verhouding tot Verordening (EU) 2024/3110 (Europese Bouwproductenverordening). De memorie van toelichting meldt dat het Europese proces naar geharmoniseerde technische specificaties minimaal tien jaar duurt. Deze leden vragen wat er gebeurt als de Europese Commissie rekenregels vaststelt die afwijken van de Nederlandse methodiek en of de genoemde alternatieven, zoals een maximaal klinkergehalte in beton of een maximale productietemperatuur voor asfalt, binnen de grondslag van het voorgestelde artikel 9.6.2 passen.
4.1. Relevante EU-regelgeving
De leden van de PRO-fractie vragen hoe de regering de relatie tussen deze wet, en de aanpassing van bouwproducten verordeningen op Europees niveau ziet. Kan de regering aangeven hoe wordt voorkomen dat Europese harmonisatie in de toekomst leidt tot een verlaging van de Nederlandse ambities? Welke ruimte houdt Nederland om via aanbestedingen hogere milieuprestaties te verlangen wanneer Europese productnormen minder ambitieus zijn?
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de aangevulde Europese onderbouwing na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. Welke nationale verplichtingen worden toegevoegd aan de regels van de Europese Unie (EU), en kan de regering per verplichting de juridische ruimte, de relevante toepassingsdata van Verordening (EU) 2024/3110 en het aanpassingspad bij verdere Europese harmonisatie aangeven?
4.2. Waarborging vrij verkeer van goederen en diensten
De leden van de JA21-fractie vragen hoe buitenlandse leveranciers gelijkwaardig kunnen deelnemen. Kan de regering beschrijven wanneer buitenlandse milieuverklaringen en gelijkwaardige bewijzen worden geaccepteerd, welke aanvullende Nederlandse berekeningen noodzakelijk kunnen blijven en wie de kosten daarvan draagt, mede voor spoorspecifieke producten waarvoor Nederlandse milieugegevens beperkt beschikbaar zijn?
5. Verhouding tot nationale wetgeving
De leden van de CDA-fractie constateren dat de uitvoerbaarheid voor Rijkswaterstaat en ProRail in belangrijke mate afhangt van de nog uit te werken lagere regelgeving. Deze leden vragen de regering of zij deze regelgeving vóór inwerkingtreding opnieuw op uitvoerbaarheid laat toetsen door Rijkswaterstaat en ProRail en geconstateerde knelpunten zo nodig verwerkt. ProRail heeft erop gewezen dat een verplicht milieuprestatiecriterium niet bij iedere contractvorm vanzelfsprekend passend is. Deze leden vragen op grond van welke criteria wordt bepaald wanneer toepassing van dit criterium passend is en wanneer ruimte voor afwijking nodig is.
De leden van de CDA-fractie wijzen op de grote vervangings- en instandhoudingsopgave voor de infrastructuur. Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat de nieuwe eisen leiden tot vertraging door extra benodigde capaciteit, expertise of voorbereidingstijd? Welke mogelijkheid bestaat tot bijsturing als dit in de praktijk toch gebeurt?
De leden van de JA21-fractie vragen om verduidelijking van de koppeling aan artikel 2.115 van de Aanbestedingswet 2012. Hoe werkt het voorstel bij gunning op de beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV), op levenscycluskosten of op de laagste prijs, en hoe blijven gemotiveerd toegestane alternatieven en de samenloop van milieuprestatie en levenscycluskosten juridisch en praktisch toepasbaar?
De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat dit wetsvoorstel onbedoeld leidt tot gebruik van circulaire materialen die schadelijk voor milieu en gezondheid. Meer specifiek zijn deze leden benieuwd, als secundaire bouwstoffen, zoals staalslakken en bodemassen, als vulstof in beton worden gebruikt, hoe dan wordt gegarandeerd dat deze stoffen niet alsnog op een onverantwoorde manier in het milieu terechtkomen als die GWW-werken worden afgebroken of vervangen. Tot slot vragen deze leden hoe de afstemming tussen Klimaat en Groene Groei (dit wetsvoorstel) en het ministerie van Infrastuctuur en Waterstaat (bodem en staalslak) wordt geborgd, zodat de AMvB en de toekomstige staalslakregeling elkaar niet tegenspreken.
6. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
De leden van de PRO-fractie vinden het opvallend dat de concrete evalueerbare doelstelling pas bij de uitwerking van de AMvB wordt vastgesteld. Zij vragen de regering waarom de wet zelf geen duidelijke richtinggevende doelstelling bevat voor de te realiseren milieuwinst. Aan welke doelstellingen of concrete Kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s) denkt de regering nu? Waarom is hier er niet voor gekozen om een afgeleide te nemen van de circulaire economie en klimaatdoelen? Kan de regeringtoezeggen dat in de AMvB alsnog te doen?
6.1. Afstemming met belangengroepen’
De leden van de PvdD-factie zijn benieuwd hoe partijen als ProRail, Vewin, natuur- en milieuorganisaties betrokken zullen worden bij de verdere uitwerking.
6.2. MKB-toets
De leden van de JA21-fractie lezen dat twee individuele mkb-ondernemers deelnamen aan het panelgesprek. Ook berusten financiële aannames op ervaring met MKI. Hoe worden bedrijven zonder die ervaring, kleine producenten en nieuwe toetreders betrokken bij een aanvullende toets op opleidingskosten, bewijsvoering en eventuele terugtrekking uit aanbestedingen, uitgesplitst naar bedrijfsgrootte?
6.3. Milieueffectentoets
De leden van de D66-fractie verzoeken om een toelichting hoe de MKI hoogwaardig hergebruik aan het einde van de levensduur beloont, zoals ProRail als aandachtspunt meegeeft. Deze leden vragen of de MKI de genoemde neveneffecten, zoals extra transport en ruimtegebruik voor ‘biobased’ gewassen, voldoende meeneemt en hoe de regering voorkomt dat het voorstel circulaire oplossingen onbedoeld benadeelt.
De leden van de PRO-fractie vragen hoe nieuwe inzichten in de wetenschap meegenomen worden in het doen van LCA- en MKI-toetsen. Is de regering bereid om bij de periodieke actualisering van de methodiek expliciet te beoordelen of nieuwe wetenschappelijke inzichten over biodiversiteit, water, landgebruik, of toxiciteit aanleiding geven tot aanpassing van de systematiek? Als de milieuprestatie-eisen leiden tot een toenemende toepassing van ‘biobased’ materialen, hoe borgt de regering dat de daarvoor benodigde natuurlijke grondstoffen op een verantwoorde wijze worden geproduceerd, zo vragen de leden van de PRO-fractie. Is de regering bereid om voor hout en andere bosproducten eisen aan verantwoorde en traceerbare herkomst onderdeel te maken van de verdere uitwerking? Kan de regering bij de verdere ontwikkeling van de milieuprestatie-eisen naast de MKI ook criteria voor biodiversiteit, natuurinclusiviteit en verantwoorde grondstoffen meenemen?
De leden van de JA21-fractie lezen ramingen van ongeveer 0,8 megaton en 1 megaton broeikasgasreductie in 2030, met aanvullende effecten voor Rijkswaterstaat en ProRail. Kan de regering in één controleerbare tabel de varianten, nulscenario’s, geografische afbakening en onzekerheidsmarges weergeven, met onderscheid tussen jaarlijkse en cumulatieve effecten en zonder overlappende reducties op te tellen?
De leden van de JA21-fractie lezen dat een effectberekening uitgaat van invoering in 2024, terwijl invoering inmiddels later wordt voorzien. Welke extra reductie resteert bij de actuele planning, na aftrek van reeds bestaand beleid, en kan de regering de kosteneffectiviteit daarvan ramen met zowel administratieve en bestuurlijke lasten als materiële nalevingskosten?
De leden van de PvdD-factie zijn benieuwd of het risico van gebruik van voor milieu en gezondheid schadelijke circulaire materialen bij de voorbereiding van het wetsvoorstel wetenschappelijk is onderzocht, en zo ja, met welke uitkomst. Ook vragen zij op welke manier vooraf wordt getoetst op milieurisico's van secundaire bouwstoffen bij afbraak of vervanging, zodat schade aan gezondheid en milieu uitgesloten kan worden? Tot slot vragen deze leden hoe er getoetst wordt met wetenschappers op het gebied van gezondheid en milieu bij het tot stand komen van de minimum duurzaamheidseisen in de AMvB.
6.4. Gevolgen voor ICT
De leden van de JA21-fractie vragen om praktische waarborgen voor toegang tot milieugegevens en rekensoftware. Hoe worden betaalbare licenties, hergebruik van gevalideerde gegevens en gelijke toegang tot bewijsvoering verzekerd, en hoe wordt voorkomen dat wijzigingen van de rekenmethode tijdens een aanbesteding of contractduur tot herberekening en onvergelijkbare inschrijvingen leiden?
7. Uitvoering
De leden van de PRO-fractie zijn verheugd dat zowel Rijkswaterstaat als ProRail het wetsvoorstel uitvoerbaar achten. Tegelijkertijd wijzen beide uitvoeringsorganisaties op het belang van een zorgvuldige uitwerking in de lagere regelgeving en voldoende ruimte voor gemotiveerde afwijkingen en alternatieve benaderingen. Deze leden vragen de regering hoe zij voorkomt dat deze ruimte voor maatwerk uiteindelijk wordt gebruikt om de milieuprestatie-eisen op grote schaal buiten toepassing te laten? Welke voorwaarden zullen gelden voor een gemotiveerde afwijking en wordt hierover centraal gerapporteerd?
De leden van de PvdD-fractie vragen of aanbestedende diensten materialen om gezondheids- of milieuredenen kunnen blijven uitsluiten, ook als dat hun MKI-score verslechtert. Gezien Rijkswaterstaat in contracten eist dat infrastructuur vrij van IBC-bouwstoffen, staalslakken en thermisch gereinigde grond is.
7.1. Uitvoering door aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven
De leden van de CDA-fractie merken op dat de financiële gevolgen van het verplichte gunningscriterium nog niet volledig zijn te kwantificeren. Deze leden vragen welke gevolgen voor proceskosten, materiaalkosten en totale projectkosten in beeld moeten zijn voordat de lagere regelgeving wordt vastgesteld. Hoe wordt voorkomen dat hogere kosten ertoe leiden dat binnen bestaande infrastructuurbudgetten minder onderhoud, vervanging of aanleg kan worden uitgevoerd?
De leden van de CDA-fractie vragen welke gevolgen de nieuwe eisen kunnen hebben voor GWW-werkzaamheden binnen woningbouw en gebiedsontwikkeling. Worden de effecten op kosten, doorlooptijd, gemeentelijke grondexploitaties en het bouw- en woonrijp maken van woningbouwlocaties afzonderlijk in beeld gebracht? Hoe wordt voorkomen dat deze eisen woningbouw vertragen of duurder maken?
De leden van de CDA-fractie constateren dat het wetsvoorstel meer eenduidigheid beoogt, terwijl opdrachtgevers strengere of aanvullende eisen mogen blijven stellen. Deze leden vragen welke onderdelen voor alle opdrachtgevers daadwerkelijk gelijk worden en hoe wordt voorkomen dat voor marktpartijen alsnog grote verschillen tussen aanbestedingen blijven bestaan. Welke mogelijkheden bestaan om de landelijke standaard aan te scherpen als de beoogde uniformiteit in de praktijk onvoldoende wordt bereikt?
De leden van de JA21-fractie achten veiligheid en een lange gebruiksduur van infrastructuur essentieel. Welke uniforme afspraken begrenzen de levenscyclusberekening, waaronder onderhoud en materieelinzet, en borgen dat een lagere MKI geen verslechtering van constructieve veiligheid, levensduur of waterkwaliteit beloont? Deze leden vragen daarbij de afbakening in het kostenonderzoek expliciet te laten aansluiten op de uiteindelijk voorgeschreven berekening.
De leden van de JA21-fractie zien dat het ontwerpbesluit alternatieve beoordelingen mogelijk maakt wanneer het werk bij inschrijving onvoldoende vaststaat. Hoe worden raamovereenkomsten, bouwteams en portfoliocontracten beoordeeld met een gemeenschappelijke grondslag en controleerbare prestaties, zonder dat een kwalitatief plan van aanpak nieuwe interpretatieverschillen en onvoorspelbare gunningsuitkomsten veroorzaakt?
De leden van de JA21-fractie vragen welke werkzaamheden voor netuitbreiding en andere energie-infrastructuur onder de aangewezen speciale-sectoractiviteiten en het begrip grond-, weg- en waterbouwwerk vallen. Kan de regering daarvoor een concrete uitvoeringstoets leveren op beschikbare materialen, expertise, kosten en doorlooptijden, met maatregelen om noodzakelijke netuitbreiding tijdig te kunnen realiseren?
7.2. Uitvoerbaarheidstoets Decentrale overheden
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de uitvoerbaarheid bij gemeenten, provincies en waterschappen is vastgesteld nu de uitwerking concreter wordt. Kan de regering een geactualiseerde toets op het ontwerpbesluit en de normen geven, inclusief capaciteit voor uitvraag en controle, ondersteuning voor kleine opdrachtgevers en gevolgen voor de voortgang van vervanging, renovatie en onderhoud?
De leden van de BBB-fractie constateren dat juist gemeenten veel GWW-opdrachten aanbesteden en dat zij momenteel minder vaak structureel gebruikmaken van milieuprestatie-eisen dan bijvoorbeeld Rijkswaterstaat.
Deze leden vragen daarom hoeveel extra capaciteit gemeenten naar verwachting nodig hebben om aan deze verplichtingen te voldoen. Hoeveel extra medewerkers, expertise en administratieve capaciteit is hiervoor nodig en wat zijn daarvan de geraamde kosten? Hoe wordt voorkomen dat vooral kleine gemeenten, die niet beschikken over grote gespecialiseerde inkoopafdelingen, worden geconfronteerd met regels die in Den Haag relatief eenvoudig kunnen worden bedacht maar lokaal moeilijk uitvoerbaar zijn?
De leden van de PvdD-fractie vragen of er een goede mogelijkheid blijft voor lokale overheden om, ter bescherming van het milieu en de gezondheid, het gebruik van die materialen juist te beperken in aanbestedingen. Zo ja, op welke manier precies?
8. Toezicht en handhaving
De leden van de D66-fractie vragen welke instantie belast wordt met het toezicht op de naleving van de materiaaleisen en welke sancties opgelegd kunnen worden bij het aanleveren van foutieve milieudata.
De leden van de JA21-fractie lezen dat rechtsbescherming bij de aanbesteding en contractuele controle centraal staan. Wie controleert de daadwerkelijk geleverde milieuprestatie, ook wanneer geen marktpartij procedeert, en welke uniforme, proportionele contractvoorwaarden zorgen ervoor dat een inschrijver geen blijvend gunningsvoordeel behoudt wanneer de beloofde prestaties bij uitvoering niet worden gehaald?
9. Financiële gevolgen
9.1. Gevolgen voor burgers en bedrijven
De leden van de JA21-fractie vragen om één geactualiseerd kostenoverzicht voor beide instrumenten. Kan de regering eenmalige investeringen, jaarlijks terugkerende lasten en kosten over de volledige projectduur afzonderlijk ramen, inclusief gegevens, verificatie, software, advies en wijzigingen van materialen en uitvoering, met een zichtbaar nulscenario en eventuele besparingen door uniforme bewijsvoering?
De leden van de JA21-fractie vragen of de sectorraming inschrijvingskosten van alle bieders omvat of uitsluitend die van één bedrijf per project. Kan de regering het gehanteerde aantal inschrijvers en de behandeling van niet-winnende bieders tonen en verklaren hoe doorloopkosten over de hele projectduur zich verhouden tot de aanduiding van kosten per jaar?
De leden van de JA21-fractie constateren dat 5.500 euro bij een projectwaarde van 11,3 miljoen euro ongeveer 0,049 procent bedraagt, terwijl de toelichting 0,01 procent vermeldt. Kan de regering dit percentage corrigeren en aangeven of vergelijkbare reken- of afrondingsverschillen doorwerken in de overige financiële tabellen, zonder het reeds genoemde kostenbedrag hierdoor te verhogen?
De leden van de JA21-fractie lezen in het SIRA-rapport van 2026 een eenmalige raming van 17.600 euro op basis van 44 productcategorieën. Waarom volstaat één berekening per categorie voor de sector, gelet op verschillende producenten en samenstellingen, en kan de regering het verschil met de miljoenenraming voor initiële proceskosten in het onderzoek van Witteveen+Bos en het Economisch Instituut voor de Bouw verklaren?
De leden van de JA21-fractie vragen om kosten- en beschikbaarheidsscenario’s bij de daadwerkelijk voorgenomen normhoogtes voor asfalt en beton. Hoe worden prijs- en leveringsrisico’s voor verschillende toepassingen vastgesteld, inclusief kwaliteitsvereisten en het aantal geschikte leveranciers, en welke bijsturing volgt wanneer de keuze voor een lagere MKI leidt tot onvoldoende concurrentie of hogere totale levensduurkosten?
De leden van de BBB-fractie vinden een passage in de memorie van toelichting bijzonder relevant voor de marktwerking. De regering schrijft dat het overgrote deel van de leveranciers naar verwachting aan de beoogde eisen kan voldoen, maar stelt vervolgens expliciet dat het “aannemelijk” is dat partijen die hier niet aan kunnen voldoen, zullen afhaken bij dit type aanbestedingen. Hoeveel bedrijven verwacht de regering dat hierdoor niet langer kunnen of willen inschrijven? Is onderzocht of dit vooral kleinere of regionale leveranciers betreft? Wat betekent het afhaken van deze bedrijven voor het aantal inschrijvers, de concurrentie en uiteindelijk de prijs van overheidsprojecten?
9.2. Bestuurlijke lasten
De leden van de JA21-fractie zien zowel interne als externe kosten voor referentieberekeningen in de bestuurlijke lasten. Kan de regering aangeven welke werkzaamheden gezamenlijk noodzakelijk zijn, welke elkaar kunnen vervangen en waarom de bedragen worden opgeteld, met afzonderlijke vermelding van controlekosten en een aansluiting tussen de detailtabellen en de totalen?
De leden van de JA21-fractie lezen dat uitvoering binnen bestaande budgetten moet plaatsvinden. Kan de regering per type opdrachtgever aangeven hoeveel middelen en personeel beschikbaar zijn voor voorbereiding, ondersteuning en controle en welke gevolgen extra lasten hebben voor infrastructuurprogramma’s, waaronder het aantal uitvoerbare onderhouds- en renovatieprojecten?
9.3 Gevolgen voor de rechtspraak
De leden van de JA21-fractie lezen dat geen gevolgen voor de rechtspraak worden verwacht omdat het bestaande stelsel wordt gebruikt. Kan de regering deze verwachting ook onderbouwen voor het aantal en de complexiteit van geschillen over milieugegevens, gelijkwaardige bewijzen en disproportionaliteit, en aangeven hoe kleine ondernemingen tijdig en betaalbaar hun rechtspositie kunnen beschermen?
10. Monitoring en evaluatie
De leden van de PRO-fractie achten een stevige monitoring- en evaluatiesystematiek essentieel. Het succes van dit wetsvoorstel moet immers niet alleen worden afgemeten aan de vraag of aanbestedende diensten de regels toepassen, maar vooral aan de vraag of de milieubelasting van GWW-werken daadwerkelijk afneemt. Kan de regering daarom toezeggen dat periodiek wordt gerapporteerd over ten minste de gerealiseerde CO₂-reductie, de ontwikkeling van de MKI, het gebruik van secundaire grondstoffen en hergebruik, en de ontwikkeling van de milieuprestaties van de belangrijkste materiaalstromen?
De leden van de PRO-fractie vragen de regering ook binnen welke termijn voor het eerst wordt geëvalueerd of de wettelijke verplichtingen daadwerkelijk de beoogde milieuwinst opleveren? Welke consequenties verbindt de regering aan een evaluatie waaruit blijkt dat de milieuwinst achterblijft bij de doelstelling? Kan de regering toezeggen dat de uitkomsten van de monitoring en evaluatie niet alleen worden gebruikt om de uitvoerbaarheid van de wet te verbeteren, maar nadrukkelijk ook om de milieuambitie stapsgewijs te verhogen?
De leden van de JA21-fractie vragen om een nulmeting en een vaste evaluatie binnen drie jaar na inwerkingtreding. Is de regering bereid daarvoor een wettelijke waarborg op te nemen en jaarlijks te rapporteren over aanvullende milieuwinst, volledige kosten, projectvertraging, aantallen inschrijvers, mkb-deelname en hergebruik van bewijsstukken, met vooraf vastgelegde criteria voor vereenvoudiging of bijstelling?
11. Advies en consultatie
11.1. Advisering door het Adviescollege Toetsing Regeldruk
De leden van de JA21-fractie erkennen dat de aanvullende zienswijze van het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) verbetering van de onderbouwing constateert. Kan de regering per aandachtspunt over uniformiteit, werkbaarheid en regeldruk aangeven hoe de actuele lagere regelgeving daarin voorziet en de concrete normen, uitbreidingen en aanscherpingen opnieuw op hun lasten laten toetsen?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het wetsvoorstel wordt onderbouwd vanuit de milieu-impact van de GWW-sector en het ontbreken van uniforme milieueisen bij aanbestedingen. Het ATR constateerde aanvankelijk echter tekortkomingen in de probleemanalyse en het ontbreken van een evalueerbare doelstelling. Het ATR adviseerde daarom aanvankelijk het voorstel niet in te dienen tenzij met de adviespunten rekening werd gehouden.
11.2. Uitvoerbaarheidstoets RWS
De leden van de JA21-fractie lezen dat Rijkswaterstaat (RWS) uitvoerbaarheid afhankelijk stelt van ruimte om waar nodig met minimumeisen te werken en een praktische projectgrens van 20 miljoen euro noemt. Waarom kiest het ontwerp voor de Europese drempel, momenteel 5.404.000 euro exclusief omzetbelasting, en kan de regering beide varianten vergelijken op milieuwinst, capaciteit en kosten, inclusief installaties en basisonderhoud?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de benoemde aspecten mee worden genomen in de verdere uitwerking van het wetsvoorstel in de onderliggende regelgeving. Deze leden vragen of dit betekent dat de regering de benoemde aspecten daadwerkelijk overneemt. Kan de regering per aandachtspunt nader toelichten in hoeverre deze daadwerkelijk wordt overgenomen en zo nee, waarom niet?
11.3. Uitvoerbaarheidstoets ProRail
De leden van de JA21-fractie lezen de positieve grondhouding van ProRail naast zorgen over beschikbare deskundigen en productgegevens. Hoe wordt voldoende onafhankelijke expertise voor berekening en verificatie verzekerd, en welke bruikbare route krijgen innovatieve of hergebruikte materialen en gecontroleerde pilots wanneer gevalideerde gegevens nog ontbreken?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de benoemde aspecten mee worden genomen in de verdere uitwerking van het wetsvoorstel in de onderliggende regelgeving. Deze leden vragen of dit betekent dat de regering de benoemde aspecten daadwerkelijk overneemt. Kan de regering per aandachtspunt nader toelichten in hoeverre deze daadwerkelijk wordt overgenomen en zo nee, waarom niet?
11.4. Internetconsultatie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de consultatie van het ontwerpbesluit die op 24 augustus 2026 is gesloten. Kan de regering vóór de verdere wetsbehandeling het consultatieverslag, de bijgewerkte ontwerpteksten en de voorgenomen ministeriële regeling beschikbaar stellen, met de gevolgen van wijzigingen voor kosten, uitvoerbaarheid en milieuwinst?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de precieze minimum duurzaamheidseisen bij GWW-aanbestedingen in een AMvB komen te staan. Op welke manier zal dit tot stand komen en wie zijn daarbij betrokken? Op welke manier wordt dit ter goedkeuring voorgelegd aan de Kamer en hoeveel tijd en invloed krijgt de Kamer dan?
12. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de JA21-fractie achten een bruikbare voorbereidingstermijn nodig na publicatie van de definitieve regels, normen en rekenmethode. Welke termijn wordt gegarandeerd, welke objectieve gereedheidscriteria worden gebruikt en hoe wordt voorkomen dat aangescherpte normen via wijzigingen of verlengingen onverwacht op lopende contracten worden toegepast?
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel I, onderdelen A–C
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de uit de Aanbestedingswet 2012 overgenomen begrippen en de aangepaste titel zich verhouden tot de niet nader gedefinieerde afbakening van grond-, weg- en waterbouwwerken. Welke objectieve criteria bepalen de toepasselijkheid bij gemengde opdrachten voor werken, leveringen en diensten, zonder dat opdrachtgevers of ondernemers zelf verschillende grenzen moeten trekken?
Artikel I, onderdeel C, artikel 9.6.2
De leden van de JA21-fractie vragen welke parlementaire betrokkenheid geldt voor de algemene maatregel van bestuur (AMvB) en de ministeriële regeling, mede gelet op artikel 21.6 van de Wet milieubeheer. Welke wettelijke begrenzing waarborgt dat uitbreiding naar andere materialen, waaronder staal, wijziging van de methode en periodieke normaanscherping vooraf worden getoetst op kosten, proportionaliteit, beschikbaarheid en uitvoerbaarheid?
Artikel I, onderdeel C, artikel 9.6.3
De leden van de JA21-fractie vragen om een afgebakend overzicht van de afwijking wegens disproportionaliteit in het derde lid, algemene uitzonderingen op grond van het vierde lid en alternatieve beoordelingsvormen. Welke route is juridisch bruikbaar bij urgente herstelwerkzaamheden, materiaaltekorten, ontbrekende gegevens of beperkte capaciteit, en welke motivering en controle zijn daarbij vereist?
Artikel II
De leden van de JA21-fractie lezen dat het ontwerpbesluit aanknoopt bij publicatie van de aankondiging. Hoe wordt het toepasselijke regime ondubbelzinnig bepaald voor opdrachten zonder openbare aankondiging en voor nadere opdrachten binnen bestaande raamovereenkomsten, zodat de inwerkingtreding voor iedere betrokken partij vooraf kenbaar en rechtszeker is?
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
Adjunct-griffier van de commissie, Teske