Tekst
37 022
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2027)
Nr. 22
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 20 oktober 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
1
Artikel I wordt als volgt gewijzigd:
1. In de in onderdeel A opgenomen tabel wordt “€ 78.426” telkens vervangen door “€ 80.578” en wordt “€ 18.317” vervangen door “€ 19.138”.
2. In de in onderdeel B opgenomen tabel wordt “€ 78.426” telkens vervangen door “€ 80.578” en wordt “€ 17.610” vervangen door “€ 18.431”.
3. In onderdeel J, onder 1, 2 en 3, wordt “€ 173” vervangen door “€ 133”.
2
Artikel II, onderdeel A, komt te luiden:
A
In de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel wordt in de vierde kolom het als eerste vermelde percentage verlaagd met 0,09%-punt en wordt in die kolom het als tweede vermelde percentage verlaagd met 0,04%-punt.
3
Na artikel II, onderdeel H, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
I
Na artikel 10a.21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 10a.21a Overgangsbepaling teruggave van of nagekomen betaling
ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten
Artikel 3.139, aanhef en onderdeel b, zoals dat luidde op 31 december 2027 blijft van toepassing met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten die op grond van afdeling 6.5, zoals die afdeling op 31 december 2027 luidde in aanmerking zijn genomen.
4
Artikel X wordt als volgt gewijzigd:
1. In de in onderdeel C opgenomen tabel wordt “€ 78.426” telkens vervangen door “€ 80.578” en wordt “€ 18.317” vervangen door “€ 19.138”.
2. In de in onderdeel D opgenomen tabel wordt “€ 78.426” telkens vervangen door “€ 80.578” en wordt “€ 17.610” vervangen door “€ 18.431”.
3. In onderdeel E, onder 1, 2 en 3, wordt “€ 173” vervangen door “€ 133”.
5
Artikel XI, onderdeel B, komt te luiden:
B
In de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel wordt in de vierde kolom het als eerste vermelde percentage verlaagd met 0,09%-punt en wordt in die kolom het als tweede vermelde percentage verlaagd met 0,04%-punt.
6
Artikel XIX wordt als volgt gewijzigd:
Na onderdeel B wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ba
Aan artikel 15b wordt een lid toegevoegd, luidende:
8. Voor de toepassing van het eerste lid blijven ten aanzien van lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, buiten aanmerking het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst, voor zover zij toerekenbaar zijn aan de uitvoering van diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop voor de toepassing van het achtste lid het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst worden toegerekend aan de in het achtste lid bedoelde diensten.
10. Met betrekking tot het in aftrek brengen van de voort te wentelen saldi aan renten, bedoeld in het vijfde lid, ten aanzien van lichamen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, wordt het achtste lid, niet toegepast.
7
Artikel XXV, onderdeel C, komt te luiden:
C
Artikel 27, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt “€ 851,69” vervangen door “€ 946,73”.
2. In onderdeel b wordt “€ 552,29” vervangen door “€ 615,80”.
8
Na artikel XXV wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XXVA
In de Wet op de accijns wordt met ingang van 1 januari 2029 artikel 27, eerste lid, als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt “€ 946,73” vervangen door “€ 1.072,80”.
2. In onderdeel b wordt “€ 615,80” vervangen door “€ 700,52”.
9
Artikel XLII wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:
a. In subonderdeel 1 wordt “USD 31,86” vervangen door “USD 28,76”.
b. In subonderdeel 2 wordt “USD 24,27” vervangen door “USD 21,91”.
2. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
C
Artikel 4.8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt “USD 28,76” vervangen door “USD 31,86”.
2. In onderdeel b wordt “USD 21,91” vervangen door “USD 24,27”.
10
Artikel XLV, onderdeel B, komt te luiden:
B
Artikel XLIII wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel 1 wordt “€ 1002,07” vervangen door “€ 851,69”.
2. Onderdeel 2 vervalt.
11
Na artikel XLVI wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XLVIA
Artikel 3.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat luidde op 31 december 2028, blijft voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing met betrekking tot het boekjaar dat direct voorafgaat aan het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2029.
12
In artikel LVIII wordt “het kalenderjaar 2027” vervangen door “de kalenderjaren 2027, 2028 en 2029” en wordt “het in artikel 27, eerste lid, onderdeel a,” vervangen door “de in artikel 27, eerste lid, onderdelen a en b,”. Voorts wordt “bedrag” vervangen door “bedragen”.
13
Aan artikel LXIII worden twee leden toegevoegd, luidende:
5. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XLII, onderdeel C, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking met ingang van 1 januari 2029, 00:00 uur (lokale tijd), en in het Europese deel van Nederland met ingang van 1 januari 2029, 05:00 uur (lokale tijd).
6. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XIX, onderdeel Ba, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na dat tijdstip van inwerkingtreding.
14
Na artikel XLVIII wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XLVIIIA
Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt bij het begin van het kalenderjaar 2028 met betrekking tot de in de artikelen 2.10 en 2.10a van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen tabellen geen toepassing op het in de eerste kolom van die tabellen als laatste vermelde bedrag en op het in de tweede kolom van die tabellen als tweede vermelde bedrag.
15
Na artikel LXIII, eerste lid, onderdeel d, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
da. artikel XX voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2029;
TOELICHTING
1. Algemene toelichting
Met deze nota van wijziging worden verschillende voorgestelde maatregelen toegevoegd, onder meer naar aanleiding van de augustusbesluitvorming van het kabinet. Het betreffen de volgende maatregelen:
overgangsbepaling negatieve persoonsgebonden aftrek;
uitzondering woningcorporaties earningsstrippingmaatregel;
verlengen accijnskorting Europees Nederland;
verlengen accijnskorting BES eilanden;
koopkrachtmaatregelen; en
gebroken boekjaren bosbouwvrijstelling.
Koopkracht maatregelen
Het gaat om het terugdraaien van de bevriezing van het aanvangspunt toptarief en het minder verhogen van de arbeidskorting.
De arbeidskorting wordt met € 133 verhoogd. Dat is € 40 minder dan werd voorgesteld in het Belastingplan 2027.
Door het aanvangspunt van het toptarief niet te bevriezen voor het kalenderjaar 2027, komt dit aanvangspunt uit op een bedrag van € 80.578 in plaats van € 78.426 zoals werd voorgesteld in het Belastingplan 2027.
Tot slot wordt het aanvangspunt van het toptarief voor het kalenderjaar 2028 wel bevroren en blijft daarmee op het niveau van het kalenderjaar 2027.
Daarnaast bevat deze nota van wijziging enkele redactionele aanpassingen van het wetsvoorstel. Deze worden bij de onderdeelsgewijze toelichting nader toegelicht.
Overgangsbepaling negatieve persoonsgebonden aftrek
Met de afschaffing van de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 vervalt ook de mogelijkheid om teruggaven of nagekomen betalingen ter zake van dergelijke uitgaven als negatieve persoonsgebonden aftrek in aanmerking te nemen. Voor teruggaven of nagekomen betalingen die na 31 december 2027 worden ontvangen en betrekking hebben op uitgaven voor specifieke zorgkosten die vóór 1 januari 2028 in aanmerking zijn gekomen, blijft een correctie evenwel wenselijk. De ontvangen teruggave of nagekomen betaling leidt er immers toe dat achteraf bezien een te groot bedrag als uitgave voor specifieke zorgkosten in aanmerking is genomen.
Daarom wordt voorgesteld overgangsrecht op te nemen. Op grond daarvan blijft artikel 3.139, aanhef en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), zoals dat luidde op 31 december 2027, van toepassing op dergelijke teruggaven en nagekomen betalingen. Hierdoor worden deze bedragen in het jaar waarin zij worden ontvangen als negatieve persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen.
Uitzondering woningcorporaties earningsstrippingmaatregel
Het kabinet ziet voor woningcorporaties een belangrijke rol weggelegd bij het aanpakken van het woningtekort in Nederland. Woningcorporaties vervullen een essentiële maatschappelijke taak bij het waarborgen van voldoende, betaalbare en passende huisvesting in Nederland. Daarom heeft het kabinet zich gecommitteerd aan de ambitieuze afspraken uit de Nationale Prestatieafspraken 2025-2035 (NPA). De NPA bevatten afspraken met woningcorporaties over hun bijdrage aan de volkshuisvestelijke opgaven voor de komende jaren. In het regeerakkoord is een pakket aan maatregelen afgesproken dat een bijdrage levert aan een grotere financiële slagkracht van de corporatiesector om uitvoering te kunnen geven aan de NPA. Eén van deze maatregelen is een faciliteit in de vennootschapsbelasting (Vpb) voor woningcorporaties vanaf 2028. Met deze nota van wijziging wordt invulling gegeven aan deze faciliteit in de Vpb door woningcorporaties deels uit te zonderen van de generieke renteaftrekbeperking (de earningsstrippingmaatregel). Dit wordt gedaan door het deel van het saldo aan renten en het deel van de gecorrigeerde winst dat toerekenbaar is aan de uitvoering van diensten van algemeen economisch belang (DAEB) door woningcorporaties bij de toepassing van de earningsstrippingmaatregel buiten aanmerking te laten. Naast het reeds gereserveerde budget uit het regeerakkoord voor de Vpb-faciliteit voor woningcorporaties heeft het kabinet besloten circa € 100 miljoen extra uit te trekken voor deze uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel.
Door de voorgestelde maatregel op te nemen in het wetsvoorstel Belastingplan 2027, kunnen woningcorporaties hiermee rekening houden in hun meerjarenbegroting waardoor bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) meer ruimte ontstaat voor corporaties om geborgde financiering aan te trekken. Hierdoor kan de maatregel vanaf 1 januari 2027 al daadwerkelijk bijdragen aan het vergroten van de investeringscapaciteit van woningcorporaties. Woningcorporaties kunnen zich hierdoor in de aanstaande meerjarenbegroting, met de financiële ruimte die ontstaat vanaf inwerkingtreding van de maatregel, gaan voorbereiden op nieuwe projecten. Zoals hieronder is omschreven treedt de voorgestelde maatregel in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, nadat is vastgesteld dat geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun.
Woningcorporaties en DAEB-activiteiten
Woningcorporaties zijn een specifieke groep belastingplichtigen. Het gaat hierbij instellingen die op grond van de Woningwet zijn toegelaten en uitsluitend werkzaam zijn in het belang van de volkshuisvesting. De voorgestelde uitzondering in de earningsstrippingmaatregel sluit allereerst aan bij de hoedanigheid van toegelaten instelling in de zin van de Woningwet. In dat verband geldt dat een dergelijke instelling uitsluitend werkzaam is op het gebied van de volkshuisvesting. Ook mogen toegelaten instellingen de financiële middelen uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting inzetten. Van bijzonder belang is dat de financiële middelen van toegelaten instellingen daarmee wettelijk aan de volkshuisvesting zijn gebonden, en dat het maatschappelijk gebonden vermogen betreft dat in het stelsel blijft. Dit brengt ook mee dat de middelen die als gevolg van de voorgestelde uitzondering binnen toegelaten instellingen beschikbaar blijven, binnen die wettelijke bestemming moeten worden ingezet en niet vrij voor andere doeleinden kunnen worden aangewend. Daarnaast zijn de werkzaamheden die toegelaten instellingen mogen verrichten bij en krachtens de Woningwet begrensd en staan dergelijke instellingen onder financieel toezicht van de Autoriteit woningcorporaties (Aw).
Voorts is de voorgestelde maatregel inhoudelijk begrensd tot de uitvoering van DAEB als bedoeld in de Woningwet. Dit zijn de wettelijke taken van woningcorporaties die limitatief zijn omschreven in de Woningwet. Daarmee is de voorgestelde maatregel dus zowel gekoppeld aan de hoedanigheid van toegelaten instelling als aan de uitvoering van de in de Woningwet aangewezen DAEB. Hierbij is ook de voorgenomen aanpassing van de Woningwet van belang in het kader van de recente herziening van het DAEB-Vrijstellingsbesluit van de Europese Commissie van 16 december 2025. Op basis hiervan is er meer ruimte gekomen voor betaalbare huisvesting binnen de DAEB. De voorgestelde maatregel sluit voor de afbakening van de DAEB aan bij de Woningwet door middel van een verwijzing naar die wet. Dit heeft als gevolg dat een toekomstige uitbreiding van de DAEB in de Woningwet ook gevolgen heeft voor de toepassing van de voorgestelde maatregel voor zover die uitbreiding wordt opgenomen in de Woningwet, en vanaf de datum waarop die wijziging van de Woningwet in werking treedt.
In de NPA zijn afspraken gemaakt met woningcorporaties over hun bijdrage aan de volkshuisvestelijke opgaven voor de komende jaren. Omdat woningcorporaties uitvoering geven aan de NPA door het aangaan van (geborgde) leningen zal een uitzondering voor woningcorporaties ten aanzien van de DAEB-activiteiten in de earningsstrippingmaatregel de financiële slagkracht van woningcorporaties versterken. Hierdoor kunnen ze met de voorgestelde maatregel, beter uitvoering geven aan hun taken en de afspraken in de NPA.
Earningsstrippingmaatregel
Naar aanleiding van de EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD) heeft Nederland per 1 januari 2019 de earningsstrippingmaatregel ingevoerd. Nederland heeft destijds gekozen voor een robuuste implementatie van de earningsstrippingmaatregel die op onderdelen aanzienlijk verdergaat dan de in ATAD opgenomen minimumstandaard. Zo is de drempel, ten opzichte van de minimumnorm uit ATAD, verlaagd van € 3 miljoen naar € 1 miljoen. Daarnaast geldt er in Nederland geen zogenoemde groepsuitzondering of een uitzondering voor zogenoemde ‘stand alone’-entiteiten. De Nederlandse implementatie van deze earningsstrippingmaatregel heeft naast het bestrijden van grondslaguitholling door renteaftrek vooral ook als doel een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen, zodat fiscale renteaftrek de keuze tussen beide vormen van financiering minder verstoort. ATAD voorziet in de mogelijkheid om langlopende openbare-infrastructuurprojecten uit te zonderen van de earningsstrippingmaatregel, waarbij die uitzondering geen aanleiding mag vormen tot het verlenen van verboden staatssteun. Bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel is door het toenmalige kabinet beoordeeld dat activiteiten van woningcorporaties niet als openbare-infrastructuurprojecten kunnen worden beschouwd en dat bij dergelijke projecten in het bijzonder moet worden gedacht aan algemene openbare infrastructuur, zoals wegen, bruggen en tunnels.
Sindsdien is de Europese context voor betaalbare huisvesting gewijzigd. De Europese Commissie onderkent dat de betaalbaarheid van huisvesting van groot belang is. Het aanpakken van de wooncrisis vormt een van de prioriteiten van voorzitter Von der Leyen. Dit was dan ook mede de aanleiding voor de recente herziening van het DAEB-Vrijstellingsbesluit. Hierin wordt onder andere opgemerkt dat maatregelen moeten worden genomen om de beschikbaarheid van woningen tegen betaalbare prijzen te vergroten. Mede daarom zijn de Europese kaders voor betaalbare huisvesting aanzienlijk verruimd.
Nederland heeft bij de implementatie van de earningsstrippingmaatregel invulling gegeven aan het begrip ‘langlopende openbare-infrastructuurprojecten’ zonder dat met de invulling sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun. Toentertijd is beoordeeld dat een corporatiewoning niet onder dat begrip ‘langlopende openbare-infrastructuurprojecten’ kon worden gebracht. Gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen op Europees niveau, waaronder de recente herziening van het DAEB-vrijstellingsbesluit, ligt deze eerdere beperkte benadering niet meer voor de hand.
Daarnaast heeft de Europese Commissie op 24 juni 2026 het zogenoemde Omnibus-richtlijnvoorstel gepresenteerd. In het Omnibus-richtlijnvoorstel zijn verschillende voorstellen tot wijzigingen in diverse (fiscale) richtlijnen opgenomen met het oog op vereenvoudiging, lastenverlichting en versterking van de interne markt. In het Omnibus-richtlijnvoorstel wordt voorgesteld de bestaande uitzondering voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten aan te passen tot langlopende projecten van algemeen belang. Daarbij noemt de Europese Commissie uitdrukkelijk sociale en betaalbare huisvesting.
De hiervoor beschreven ontwikkelingen bieden ruimte voor een meer dynamische interpretatie van de uitzonderingsmogelijkheid voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten. Tegen deze gewijzigde Europese achtergrond kiest het kabinet er thans voor gebruik te maken van de uitzonderingsmogelijkheid voor woningcorporaties en hen gericht uit te zonderen van de earningsstrippingmaatregel op basis van twee cumulatieve voorwaarden. De werkzaamheden moeten enerzijds kwalificeren als DAEB en anderzijds moeten deze diensten op grond van de Woningwet aan toegelaten instellingen zijn opgedragen. Hiermee wordt gewaarborgd dat uitsluitend het gedeelte van de financiering en de winst die samenhangt met de desbetreffende DAEB-activiteiten buiten de werking van de earningsstrippingmaatregel blijft.
Bij het opnemen van een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel dient voorts rekening te worden gehouden met staatssteunaspecten. De voorgestelde maatregel treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking. Dit zal naar verwachting per 1 januari 2028 zijn, mits is vastgesteld dat er bij een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Voorafgaand aan de inwerkingtreding zal het kabinet hierover informeel in contact treden met de diensten van de Europese Commissie. Daarbij zal worden beoordeeld op welke staatssteunrechtelijke grondslag de maatregel kan worden toegepast en of aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan. De maatregel treedt niet in werking voordat is vastgesteld dat geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Ondanks dat deze maatregel op een nader te bepalen tijdstip in werking treedt, naar verwachting per 1 januari 2028, draagt deze maatregel zoals hierboven genoemd wel al vanaf 1 januari 2027 bij aan het vergroten van de investeringscapaciteit van woningcorporaties.
Voort te wentelen saldi aan renten De voorgestelde maatregel heeft tot gevolg dat de earningsstrippingmaatregel ten aanzien van het saldo aan renten van woningcorporaties dat toerekenbaar is aan de DAEB-activiteiten niet kan leiden tot een aftrekbeperking. Dit wordt gerealiseerd door het aan de hiervoor bedoelde DAEB toerekenbare deel van het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst buiten aanmerking te laten bij de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. Voor de voort te wentelen saldi aan renten blijft de thans geldende systematiek van toepassing. Dit betekent dat de voort te wentelen saldi aan renten in volgende jaren in aftrek kunnen worden gebracht voor zover dat ook mogelijk zou zijn geweest indien de voorgestelde maatregel niet van toepassing is. Dit geldt voor de voort te wentelen saldi aan renten die zijn ontstaan voor en na de aanvang van het eerste boekjaar waarin de maatregel toepassing vindt.
Verlengen accijnskorting Europees Nederland Met deze nota van wijziging wordt de in het wetsvoorstel opgenomen verlenging van de accijnskorting voor ongelode benzine aangepast en uitgebreid. Voorgesteld wordt om met ingang van 1 januari 2027 ook de accijnskorting voor gasolie (diesel) te verlengen. Daarnaast wordt voorgesteld de accijnskorting voor ongelode benzine en diesel met ingang van 1 januari 2028 gedeeltelijk af te bouwen. Met ingang van 1 januari 2029 wordt de accijnskorting volledig beëindigd en worden de tarieven vastgesteld op het niveau waarop zij bij ononderbroken indexering zouden zijn uitgekomen.
Tabel 1 – Overzicht accijnstarieven en accijnskorting benzine per liter
2026
2027
2028
2029
Accijnstarief benzine in basispad
€ 1,00207
€ 1,02812
€ 1,04868
€ 1,07280
Accijnstarief benzine
€ 0,84469
€ 0,85169
€ 0,94673
€ 1,07280
Accijnskorting
€ 0,15738
€ 0,17643
€ 0,10195
€ 0,00
Tabel 2 – Overzicht accijnstarieven en accijnskorting diesel per liter
2026
2027
2028
2029
Accijnstarief diesel in basispad
€ 0,65433
€ 0,67134
€ 0,68477
€ 0,70052
Accijnstarief diesel
€ 0,55229
€ 0,55229
€ 0,61580
€ 0,70052
Accijnskorting
€ 0,10204
€ 0,11905
€ 0,06897
€ 0,00
Verlengen accijnskorting BES eilanden
Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt de accijnskorting eveneens gefaseerd afgebouwd. Met ingang van 1 januari 2028 wordt de korting gedeeltelijk afgebouwd en met ingang van 1 januari 2029 volledig beëindigd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het fiscale stelsel van de BES eilanden wat betreft brandstoffen uitsluitend een accijns op benzine kent.
Tabel 3 – Overzicht accijnstarief per liter per jaar
2026
2027
2028
2029
Accijnstarief Bonaire
$ 0,3186
$ 0,2636
$ 0,2876
$ 0,3186
Accijnstarief Sint Eustatius en Saba
$ 0,2427
$ 0,2008
$ 0,2191
$ 0,2427
Budgettaire aspecten
De hierna opgenomen tabel laat de budgettaire gevolgen zien van de maatregelen in deze nota van wijziging.
Tabel 4 - Budgettaire gevolgen (in mln euro prijzen 2026, + is saldoverbeterend)
2027
2028
2029
2030
2031
Struc
Verhogen aanvangspunt toptarief (bevriezing terugdraaien)
-750
-750
-750
-750
-750
-750
Beperkter verhogen arbeidskorting
314
314
314
314
314
314
Bevriezen aanvangspunt toptarief in 2028
482
482
482
482
482
Overgangsbepaling negatieve persoonsgebonden aftrek
0
0
0
0
0
0
Uitzondering woningcorporaties earningsstrippingmaatregel
0
426
426
426
426
426
Accijnskorting op benzine en diesel Europees NL
-475
-749
0
0
0
0
Accijnskorting op Benzine BES eilanden
0
-1
0
0
0
0
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
Koopkrachtmaatregelen
Het kabinet heeft extra middelen vrijgemaakt om het koopkrachtpakket verder uit te breiden. Daarbij is gehoor gegeven aan de wens om de extra lastenverlichting niet door middel een verdere verhoging van de arbeidskorting te laten plaatsvinden. In plaats daarvan kiest het kabinet voor het verhogen van het aangrijpingspunt van het toptarief en daarmee ook het langzamer afbouwen van de algemene heffingskorting. De maatregelen zijn doeltreffend omdat dit de mediane koopkrachtontwikkeling van werkenden verbetert, zonder de arbeidskorting verder te verhogen. De maatregel is ook doelmatig.
Het kabinet is niet voornemens om deze maatregel te evalueren. De arbeidskorting is in 2024 geëvalueerd. Er is geen evaluatie voorzien van de voorgestelde wijzigingen, het betreft beperkte parameteraanpassingen.
Overgangsbepaling negatieve persoonsgebonden aftrek
Het doel van de overgangsbepaling is te voorkomen dat teruggaven of nagekomen betalingen die na afschaffing van de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten worden ontvangen, maar betrekking hebben op uitgaven die vóór de afschaffing in aftrek zijn gekomen, fiscaal buiten beschouwing blijven. De maatregel is doeltreffend, omdat door het van toepassing blijven van de regeling voor negatieve persoonsgebonden aftrek de eerder in aanmerking genomen aftrek in het jaar van ontvangst van de teruggave of nagekomen betaling kan worden gecorrigeerd.
De maatregel is doelmatig, omdat wordt aangesloten bij de bestaande systematiek van de negatieve persoonsgebonden aftrek en uitsluitend overgangsrecht wordt getroffen voor uitgaven die vóór 1 januari 2028 in aanmerking zijn genomen.
Uitzondering woningcorporaties earningsstrippingmaatregel
De voorgestelde uitzondering voor woningcorporaties ten aanzien van de DAEB-activiteiten in de earningsstrippingmaatregel heeft een gunstige doorwerking voor de investeringscapaciteit voor woningcorporaties en is daarmee doeltreffend. De voorgestelde maatregel past relatief eenvoudig in het wettelijk systeem van de Vpb, omdat het een gedeeltelijke uitzondering betreft op de bestaande systematiek van de earningsstrippingmaatregel. De voorgestelde gedeeltelijke uitzondering grijpt daarnaast direct aan bij de financieringsstructuur van woningcorporaties, waarin vreemd vermogen een belangrijke rol speelt, en draagt daardoor gericht bij aan de investeringscapaciteit van woningcorporaties. Om deze redenen is de voorgestelde maatregel doelmatig.
In het kader van de NPA wordt periodiek gemonitord in hoeverre de beschikbare financiële middelen van woningcorporaties toereikend zijn voor het realiseren van de volkshuisvestelijke opgaven. Daarnaast staan woningcorporaties onder financieel toezicht van de Autoriteit woningcorporaties (Aw). Eveneens stellen de Aw en het WSW grenzen in hun financieel beoordelingskader aan de hoeveelheid verplichtingen en schulden die woningcorporaties aan kunnen gaan. Tot slot wordt de maatregel voorts opgenomen in het reguliere evaluatieprogramma van fiscale regelingen.
Verlengen accijnskorting Europees Nederland
Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd de brandstofkosten voor benzine- en dieselvoertuigen tijdelijk te beperken en tegelijkertijd de accijnskorting gefaseerd af te bouwen. De maatregel is doeltreffend indien de lagere accijnstarieven ertoe leiden dat de prijzen aan de pomp lager zijn dan zonder de accijnskorting het geval zou zijn. De mate waarin dit doel wordt bereikt, is afhankelijk van de mate waarin verkopers de lagere accijns doorberekenen in hun verkoopprijzen. Zoals in de memorie van toelichting is beschreven, wijzen eerdere onderzoeken naar de grenseffecten van de accijnskorting erop dat het voordeel van de accijnskorting grotendeels wordt doorgegeven aan de consument.
Een accijnskorting is een doelmatige manier om gebruikers van benzine- en dieselvoertuigen rechtstreeks via de brandstofprijs te bereiken. Het betreft evenwel een generieke maatregel. Het financiële voordeel is groter naarmate meer brandstof wordt verbruikt. De maatregel vermindert bovendien de financiële prikkel om het brandstofverbruik te beperken.
Bij de in de memorie van toelichting aangekondigde monitoring van de grenseffecten wordt eveneens rekening gehouden met de in deze nota van wijziging voorgestelde tarieven en langere looptijd van de accijnskorting.
Verlengen accijnskorting BES eilanden
De verwachte effecten van de maatregel wat betreft doeltreffendheid en doelmatigheid zijn vergelijkbaar met de voorgestelde accijnskorting voor ongelode benzine in Europees Nederland. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het fiscale stelsel van de BES eilanden wat betreft brandstoffen uitsluitend een accijns op benzine kent.
Gevolgen voor burgers en het bedrijfsleven
Koopkrachtmaatregelen
De wijzigingen hebben geen noemenswaardige gevolgen voor de administratieve lasten. De hoogte van diverse parameters in de inkomstenbelasting wijzigt jaarlijks door inflatiecorrectie en nieuw beleid. De wijzigingen leiden enkel tot een andere hoogte dan zonder de wijzigingen het geval zou zijn geweest. Dit wordt verwerkt in de systemen van softwareleveranciers en de Belastingdienst waarna automatisch de hoogte van de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting wordt berekend.
Overgangsbepaling negatieve persoonsgebonden aftrek
Voor burgers die na 31 december 2027 een teruggave of nagekomen betaling ontvangen die betrekking heeft op uitgaven voor specifieke zorgkosten die vóór 1 januari 2028 in aftrek zijn gekomen, blijft gelden dat deze teruggave of nagekomen betaling in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar van ontvangst als negatieve persoonsgebonden aftrek in aanmerking wordt genomen. Hiermee wordt voor deze overgangssituaties aangesloten bij de huidige fiscale behandeling van dergelijke teruggaven en nagekomen betalingen. Voor het bedrijfsleven heeft de maatregel geen gevolgen.
Uitzondering woningcorporaties earningsstrippingmaatregel
Door de voorgestelde maatregel worden woningcorporaties ten aanzien van de DAEB-activiteiten uitgezonderd van het toepassingsbereik de earningsstrippingmaatregel. Wel blijven woningcorporaties ten aanzien van de niet-DAEB-activiteiten onder de earningsstrippingmaatregel vallen. Voort te wentelen saldi aan renten worden daarbij, ongeacht of zij vóór of na de inwerkingtreding van de maatregel zijn ontstaan, volgens de thans geldende systematiek in aanmerking genomen. Voor het bepalen van het in aftrek brengen van voort te wentelen saldi aan renten dient te worden gekeken naar het recht op aftrek van voort te wentelen saldi aan renten zoals dat zonder deze voorgestelde uitzondering zou bestaan. Per saldo zijn er geen noemenswaardige gevolgen voor de administratieve lasten omdat woningcorporaties dezelfde berekening blijven maken.
Verlengen accijnskorting Europees Nederland
Voor consumenten heeft de verlenging van de accijnskorting tot 1 januari 2029 op ongelode benzine en diesel geen administratieve gevolgen aangezien de accijnsverlaging direct aan de consument wordt doorberekend.
Verlengen accijnskorting BES eilanden
Voor consumenten heeft de verlenging van de accijnskorting tot 1 januari 2029 op ongelode benzine geen administratieve gevolgen aangezien de accijnsverlaging direct aan de consument wordt doorberekend.
Uitvoeringsgevolgen
Koopkrachtmaatregelen
De wijziging is beoordeeld met de uitvoeringstoets van de Belastingdienst. De dienaangaande eerder vastgestelde uitvoeringstoets is onverkort van kracht. Er is namelijk een bijzondere situatie voor de aanpassingen in de tarieftabellen en de arbeidskorting. Deze aanpassingen vergen meer werk dan de gemiddelde parameteraanpassing. Het is afhankelijk van de in zijn totaliteit verlangde aanpassingen als gevolg van nota’s van wijziging en eventuele aangenomen amendementen of deze nog tijdig kunnen worden verwerkt in de massaal opgelegde voorlopige aanslagen voor het inkomstenbelastingjaar 2027. Is dat niet het geval, dan gaat de Belastingdienst voor de massaal opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2027 voor deze parameters uit van de bedragen en percentages die met Prinsjesdag bekend waren. De wijzigingen worden sowieso wel verwerkt in het programma waarmee belastingplichtigen zelf een nieuwe voorlopige aanslag 2027 kunnen aanvragen. Belastingplichtigen die dat wensen kunnen daarmee zelf een nieuwe voorlopige aanslag aanvragen die met de nieuwe bedragen en percentages wordt berekend. Doen zij dat niet, dan past de Belastingdienst vanaf 2028 bij de definitieve aanslagregeling 2027 alsnog de juiste bedragen en percentages toe.
Overgangsbepaling negatieve persoonsgebonden aftrek
De maatregel is naar verwachting uitvoerbaar voor de Belastingdienst. Uit de uitvoeringstoets blijkt dat de maatregel geen uitvoeringskosten of personele gevolgen heeft en geen beslag legt op het IV-portfolio. De uitvoeringstoets wordt als bijlage bij deze nota van wijziging opgenomen.
Uitzondering woningcorporaties earningsstrippingmaatregel
De onderhavige nota van wijziging wordt door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoeringstoets. De inschatting is dat de noodzakelijke systeemaanpassingen tijdig kunnen worden gerealiseerd en dat invoering voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2028 mogelijk is. Wanneer de uitvoeringstoets beschikbaar is, zal deze worden nagestuurd.
Verlengen accijnskorting Europees Nederland
Douane is de uitvoerder van de accijns en daarmee ook de uitvoerder van deze maatregel. De nota van wijziging is beoordeeld met een uitvoeringstoets. Daaruit blijkt dat de wijzigingen met ingang van 1 januari 2027 uitvoerbaar zijn. Er zijn geen of beperkte uitvoeringsgevolgen. De tariefsaanpassingen betreffen voor de Douane een parameterwijziging. De wijzigingen worden via de reguliere kanalen gecommuniceerd. De noodzakelijke systeemaanpassingen kunnen tijdig worden gerealiseerd. De incidentele automatiseringskosten vallen binnen de jaaraanpassingen. Ten opzichte van de bestaande situatie treedt er nauwelijks een wijziging op van de handhaafbaarheid en fraudebestendigheid.
De uitvoeringstoets is als bijlage opgenomen.
Verlengen accijnskorting BES eilanden
De Belastingdienst Caribisch Nederland is de uitvoerder van deze maatregel. De voorgestelde maatregelen hebben geen of beperkte uitvoeringsgevolgen. De uitvoeringstoets is als bijlage opgenomen.
Onderdeelsgewijze toelichting
Onderdelen 1 en 4
Artikel I, onderdelen A, B en J, en artikel X, onderdelen C, D en E (de artikelen 2.10, 2.10a en 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a, 20b en 22d van de Wet op de loonbelasting 1964)
Met de in onderdeel 1, onder 1 en 2, en onderdeel 3, onder 1 en 2, opgenomen wijzigingen wordt geregeld dat de in de artikelen I, onderdelen A en B, en X, onderdelen C en D, van het wetsvoorstel voor het kalenderjaar 2027 voorgestelde bevriezing van het aanvangspunt van het toptarief in de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk loonbelasting, ongedaan wordt gemaakt. Met de voorgestelde aanpassing bedraagt het aanvangspunt van het toptarief voor het kalenderjaar 2027 € 80.578.
Met de in onderdeel 1, onder 3, en onderdeel 3, onder 3, opgenomen wijzigingen wordt geregeld dat de drie deelbedragen van de arbeidskorting voor het kalenderjaar 2027 minder worden verhoogd dan aanvankelijk is voorgesteld in de artikelen I, onderdeel J, en X, onderdeel E, van het wetsvoorstel. Per saldo blijft er bij alle deelbedragen een verhoging over van € 133.
Onderdelen 2 en 5
Artikel II, onderdeel A, en artikel XI, onderdeel B (de artikelen 2.10 en 2.10a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a en 20b van de Wet op de loonbelasting 1964)
Met de in de onderdelen 2 en 4 opgenomen wijzigingen wordt geregeld dat de in de artikelen II, onderdeel A, en XI, onderdeel B, van het wetsvoorstel voor het kalenderjaar 2028 voorgestelde beleidsmatige verhoging van het aangrijpingspunt van het toptarief in de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk loonbelasting, geen doorgang vindt. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de eveneens in de artikelen II, onderdeel A, en XI, onderdeel B, van het wetsvoorstel voorgestelde verlaging van de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk loonbelasting, behouden blijft.
Onderdeel 3
Artikel II, onderdeel I (artikel 10a.21a van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Voorgesteld wordt in artikel 10a.21a Wet IB 2001 te regelen dat artikel 3.139, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001, zoals dat luidde op 31 december 2027, van toepassing blijft met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten die op grond van afdeling 6.5 Wet IB 2001, zoals die afdeling luidde op 31 december 2027, in aanmerking zijn genomen.
Hiermee wordt geregeld dat ontvangen teruggaven of nabetalingen die betrekking hebben op in een van de jaren vóór 1 januari 2028 in aftrek gekomen uitgaven voor specifieke zorgkosten in het jaar van teruggaaf of nabetaling als negatieve persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen. De ontvangen teruggave of nabetaling leidt er immers toe dat achteraf bezien een te groot bedrag als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking is genomen. Met de overgangsbepaling wordt beoogd een dergelijke achteraf bezien te ruime aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten te kunnen corrigeren in het jaar dat de teruggave of nabetaling wordt ontvangen.
Onderdeel 6
Artikel XIX, onderdeel Ba (artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
Het voorgestelde artikel 15b, achtste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) voorziet in een gerichte uitzondering op de earningsstrippingmaatregel voor lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb 1969. Het gaat hierbij om toegelaten instellingen op grond van de Woningwet die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn (woningcorporaties). Woningcorporaties investeren nagenoeg uitsluitend in projecten met betrekking tot sociale en betaalbare huisvesting waarbij de uitvoerder, de financieringskosten, de activa en de inkomsten zich allemaal in de Europese Unie bevinden. Het voorgestelde artikel 15b, achtste lid, Wet Vpb 1969 regelt dat bij de toepassing van artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb 1969 het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst buiten aanmerking blijven, voor zover zij toerekenbaar zijn aan de uitvoering van diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet. Het effect hiervan laat zich illustreren aan de hand van het volgende voorbeeld.
Voorbeeld 1
Verondersteld wordt dat het voorgestelde artikel 15b, achtste lid, Wet Vpb 1969 voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2028.
Feiten en omstandigheden 2028
In het jaar 2028 is van de desbetreffende woningcorporatie het saldo aan renten € 4 miljoen en de gecorrigeerde winst € 24 miljoen. Verondersteld wordt dat 90% van het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst toerekenbaar zijn aan de DAEB-activiteiten van de woningcorporatie en 10% aan de niet-DAEB-activiteiten. Dit betekent dat het saldo aan renten dat betrekking heeft op de DAEB-activiteiten € 3,6 miljoen is en de gecorrigeerde winst € 21,6 miljoen. Het saldo aan renten dat toerekenbaar is aan de niet-DAEB-activiteiten bedraagt € 0,4 miljoen en de gecorrigeerde winst € 2,4 miljoen.
Uitwerking
Artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb 1969 bepaalt dat het saldo aan renten niet in aftrek komt voor zover dat saldo hoger is dan de hoogste van 24,5% van de gecorrigeerde winst of € 1 miljoen. Op grond van het voorgestelde artikel 15b, achtste lid, Wet Vpb 1969 blijven het saldo aan renten van € 3,6 miljoen en de gecorrigeerde winst van € 21,6 miljoen voor de toepassing van artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb 1969 buiten aanmerking, aangezien deze toerekenbaar zijn aan de uitvoering van de DAEB-activiteiten van de woningcorporatie. Het saldo aan renten van € 3,6 miljoen wordt in het jaar 2028 derhalve niet in aftrek beperkt op grond van de earningsstrippingmaatregel.
Het saldo aan renten dat toerekenbaar is aan de niet-DAEB-activiteiten bedraagt € 0,4 miljoen. Omdat dit bedrag lager is dan het hoogste van 24,5% van de gecorrigeerde winst (24,5% * € 2,4 miljoen = € 588.000) en € 1 miljoen, kan het volledige saldo aan renten in aftrek worden gebracht.
Het voorgestelde artikel 15b, negende lid, Wet Vpb 1969 bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld over de wijze waarop het saldo aan renten en de gecorrigeerde winst aan de diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet worden toegerekend.
Het voorgestelde artikel 15b, tiende lid, Wet Vpb 1969 regelt ten aanzien van woningcorporaties dat met betrekking tot het in aftrek brengen van het voort te wentelen saldi aan renten, artikel 15b, achtste lid, Wet Vpb 1969 niet wordt toegepast. Als gevolg van het voorgestelde artikel 15b, tiende lid, Wet Vpb 1969 komen de voort te wentelen saldi aan renten slechts in aftrek in een volgend jaar voor zover in dat jaar, zonder toepassing van artikel 15b, achtste lid, Wet Vpb 1969 ruimte voor aftrek resteert. Voor de voort te wentelen saldi aan renten wordt geen onderscheid gemaakt naar het tijdstip waarop deze zijn ontstaan. Zowel vóór als na de inwerkingtreding van de voorgestelde maatregel ontstane saldi worden volgens de thans geldende systematiek van artikel 15b, vijfde lid, Wet Vpb 1969 in aftrek gebracht voor zover daarvoor in het desbetreffende jaar ruimte bestaat. Deze ruimte wordt bepaald op basis van artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb 1969, zonder toepassing van het voorgestelde achtste lid. Daarbij geldt derhalve dat de voort te wentelen rente in aftrek komt, voor zover het saldo aan renten van dat jaar lager is dan het hoogste van 24,5% van de gecorrigeerde winst en de vaste drempel van € 1 miljoen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ook de bepalingen die verband houden met artikel 15b Wet Vpb 1969, zoals de artikelen 15ba, 15bb en 15bc, 15aha, 15ahb Wet Vpb 1969 en de relevante bepalingen inzake fusies en splitsingen in de Wet Vpb 1969 in dit kader van toepassing blijven op woningcorporaties.
De werking van het voorgestelde artikel 15b, tiende lid, Wet Vpb 1969 wordt aan de hand van het volgende voorbeeld geïllustreerd.
Voorbeeld 2
Verondersteld wordt dat het voorgestelde artikel 15b, achtste en tiende lid, Wet Vpb 1969 voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2028.
Feiten en omstandigheden 2027
Een woningcorporatie heeft in het jaar 2027 een saldo aan renten van € 8 miljoen en een gecorrigeerde winst van € 20 miljoen. Artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb 1969 bepaalt dat het saldo aan renten niet in aftrek komt voor zover dat saldo hoger is dan de hoogste van 24,5% van de gecorrigeerde winst of € 1 miljoen. Omdat 24,5% van de gecorrigeerde winst (24,5% * € 20 miljoen = € 4,9 miljoen) hoger is dan de drempel van € 1 miljoen, kan een bedrag van € 4,9 miljoen in aftrek worden gebracht. Van het totale saldo aan renten van € 8 miljoen wordt derhalve € 3,1 miljoen in het betreffende jaar in aftrek beperkt. Deze € 3,1 miljoen kan in het volgende jaar in aftrek worden gebracht voor zover daarvoor in dat jaar ruimte bestaat.
Feiten en omstandigheden 2028
In het jaar 2028 is van de desbetreffende woningcorporatie het saldo aan renten € 4 miljoen en de gecorrigeerde winst € 24 miljoen. Verondersteld wordt dat het saldo aan renten van € 4 miljoen en de gecorrigeerde winst van € 24 miljoen volledig toerekenbaar zijn aan de DAEB-activiteiten van de woningcorporatie.
Uitwerking
Op grond van het voorgestelde artikel 15b, achtste lid, Wet Vpb 1969 blijven het saldo aan renten van € 4 miljoen en de gecorrigeerde winst van € 24 miljoen voor de toepassing van artikel 15b, eerste lid, Wet Vpb 1969 buiten aanmerking, aangezien deze volledig toerekenbaar zijn aan de uitvoering van de DAEB-activiteiten van de woningcorporatie. Het saldo aan renten van € 4 miljoen wordt in het jaar 2028 derhalve niet in aftrek beperkt op grond van de earningsstrippingmaatregel.
Het voorgestelde artikel 15b, tiende lid, Wet Vpb 1969 regelt dat voor het bepalen van het in aftrek te brengen bedrag aan voort te wentelen renten door woningcorporaties die zijn ontstaan in het jaar 2027, artikel 15b, achtste lid, Wet Vpb 1969 niet wordt toegepast. Het voortgewentelde saldo aan renten uit het jaar 2027 kan in aftrek worden gebracht, voor zover in het jaar 2028 het saldo aan renten lager is dan het hoogste van 24,5% van de gecorrigeerde winst (in casu 24,5% * € 24 miljoen = € 5,88 miljoen) en de drempel van € 1 miljoen. Het saldo aan renten bedraagt in 2028 € 4 miljoen. Voor deze berekening worden derhalve het saldo aan renten van € 4 miljoen en de gecorrigeerde winst van € 24 miljoen overeenkomstig artikel 15b Wet Vpb 1969, zonder toepassing van het achtste lid, in aanmerking genomen. De ruimte voor het in aftrek brengen van het voortgewentelde saldo uit het jaar 2027 bedraagt € 1,88 miljoen (€ 5,88 miljoen -/- € 4 miljoen). Dit betekent dat € 1,88 miljoen van het saldo aan renten uit 2027 in het jaar 2028 in aftrek kan worden gebracht. Het voortgewentelde saldo aan renten uit 2027 dat resteert bedraagt € 1,22 miljoen (€ 3,1 miljoen -/- € 1,88 miljoen) en kan worden voortgewenteld naar een volgend jaar. Uit het voorgaande volgt dat het saldo aan rente van € 4 miljoen en de gecorrigeerde winst van € 24 miljoen uit 2028 voor de toepassing van het voorgestelde artikel 15b, tiende lid, Wet Vpb 1969 uitsluitend als rekengrootheden in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de aftrekruimte in 2028 voor het voortgewentelde saldo aan renten.
Voorgesteld wordt om deze maatregel op een bij koninklijk besluit te bepalen moment in werking te laten treden.
Onderdelen 7, 8 en 10
Artikel XXV, onderdeel C, artikel XXVA en artikel XLV, onderdeel B (artikel 27 van de Wet op de accijns en artikel XLIII van het Belastingplan 2025)
Deze wijzigingen hebben betrekking op de tarieven die op grond van de Wet op de accijns (WA) van toepassing zijn voor ongelode lichte olie (ongelode benzine) en gasolie (diesel). Op grond van het voorgestelde artikel XLV, onderdeel B, wordt een verlaging voorgesteld van het tarief voor ongelode benzine ten opzichte van het tarief dat op grond van artikel XLIII van het Belastingplan 2025 (BP 2025) per 1 januari 2027 van toepassing wordt., Met de wijziging van artikel XLV, onderdeel B, op grond van onderdeel 6 wordt voorts voorgesteld de verhoging van het tarief voor diesel per 1 januari 2027 op grond van artikel XLIII, onderdeel 2, BP 2025 niet toe te passen door genoemd onderdeel te laten vervallen. Hiermee blijft het huidige accijnstarief voor diesel in 2027 ongewijzigd.
Op grond van onderdeel 3 wordt artikel XXV, onderdeel C, van het wetsvoorstel gewijzigd. Voorgesteld wordt per 1 januari 2028 voor ongelode benzine de tijdelijke verlaging van het accijnstarief (de accijnskorting) niet te beëindigen, maar af te bouwen door dit accijnstarief geleidelijk te verhogen. Ook wordt voorgesteld de voorgestelde accijnskorting voor diesel geleidelijk af te bouwen. Daartoe wordt voorgesteld per 1 januari 2028 het accijnstarief voor ongelode benzine te verhogen van € 851,69 naar € 946,73 en het accijnstarief voor diesel van € 552,29 naar € 615,80.
Met onderdeel 4 wordt artikel XXVA ingevoegd in het wetsvoorstel. Hiermee wordt voorgesteld in artikel 27 WA de accijnstarieven voor ongelode benzine en diesel per 1 januari 2029 verder te verhogen en hiermee de accijnskorting volledig af te bouwen. Daartoe wordt voorgesteld het accijnstarief voor ongelode benzine te verhogen van € 946,73 naar € 1.072,80 en het accijnstarief voor diesel van € 615,80 naar € 700,52.
Onderdeel 9
Artikelen XLII, onderdelen B en C, en artikel LXIII (artikel 4.8 van de Douane en Accijnswet BES)
Onderdeel 5 ziet op een wijziging van artikel XLII, onderdeel B, en het toevoegen van onderdeel C aan genoemd artikel. Het voorgestelde artikel XLII heeft betrekking op wijziging van artikel 4.8 van de Douane- en Accijnswet BES, die ziet op een tijdelijke verlaging van de benzineaccijns in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba per 1 januari 2027, die per 1 januari 2028 zou vervallen. Met de wijziging van artikel XLII, onderdeel B, wordt voorgesteld de accijnskorting op grond van het voorgestelde artikel XLII, onderdeel A, met ingang van 1 januari 2028 gedeeltelijk af te bouwen. Het voorgestelde artikel XLII, onderdeel C, regelt dat deze accijnskorting met ingang van 1 januari 2029 vervalt. Daartoe wordt voorgesteld de in artikel 4.8, eerste lid, van de Douane- en Accijnswet BES opgenomen accijnstarieven per 1 januari 2028 in beperkte mate te verhogen en per 1 januari 2029 terug te brengen naar het niveau van vóór de voorgestelde accijnskorting.
Onderdelen 11 en 15
Artikel XLVIA en LXIII
In artikel 3.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is de bosbouwvrijstelling opgenomen. Door de verwijzing naar artikel 3.11 Wet IB 2001 in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) kan de bosbouwvrijstelling ook worden toegepast in de vennootschapsbelasting. In het voorgestelde artikel III, onderdeel B, is geregeld dat artikel 3.11 Wet IB 2001 met ingang van 1 januari 2029 komt te vervallen. Op grond van het voorgestelde artikel XX vervalt per 1 januari 2029 eveneens de in artikel 8 Wet Vpb 1969 opgenomen verwijzing naar artikel 3.11 Wet IB 2001.
Bij het voorgestelde artikel XX is abusievelijk geen rekening gehouden met belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting die de bosbouwvrijstelling toepassen en een boekjaar hebben dat niet gelijk is aan een kalenderjaar (gebroken boekjaar). De bosbouwvrijstelling zou voor deze belastingplichtigen namelijk een deel van het gebroken boekjaar (het deel van aanvang van het boekjaar tot en met 31 december 2028) wél van toepassing zijn en een deel van het boekjaar (het deel van 1 januari 2029 tot en met het einde van het boekjaar) niet van toepassing zijn. Dit kan voor deze belastingplichtigen leiden tot praktische problemen. Deze praktische problemen zien met name op de extra administratieve lasten voor deze belastingplichtigen. Ook zijn er uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst. Dit is niet beoogd en wordt hersteld met deze nota van wijziging.
Onderdeel 7 regelt dat het voorgestelde artikel LXIII wordt gewijzigd. Hiermee wordt in de voorgestelde inwerkingtredingsbepaling geregeld dat artikel XX voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2029. Hiermee wordt geregeld dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting die een gebroken boekjaar hebben, in de periode tussen 1 januari 2029 tot en met het einde van het dan lopende boekjaar artikel 8, eerste lid, Wet Vpb 1969 kunnen (blijven) toepassen met inbegrip van de verwijzing naar artikel 3.11 Wet IB 2001. Onderdeel 5 voegt het voorgestelde artikel XLVIA in het wetsvoorstel in. Het voorgestelde artikel XLVIA waarborgt dat de verwijzing naar (het op dat moment reeds vervallen) artikel 3.11 Wet IB 2001 voor de belastingplichtigen met een gebroken boekjaar betekenis heeft in de periode tussen 1 januari 2029 tot en met het einde van het dan lopende boekjaar. Hiertoe regelt het voorgestelde artikel XLVIA dat artikel 3.11 Wet IB 2001, zoals dat luidde op 31 december 2028, voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, Wet Vpb 1969 gedurende die periode van toepassing blijft.
De dienaangaande eerder vastgestelde uitvoeringstoets ging reeds uit van het van toepassing zijn van de voorgestelde maatregel bij boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2029 en is daarmee onverkort van kracht.
Onderdeel 12
Artikel LVIII (achterwege laten indexatie)
De accijnstarieven op minerale oliën worden op grond van artikel 27a WA jaarlijks geïndexeerd bij het begin van het kalenderjaar. Toepassing van die indexatie zou leiden tot hogere accijnstarieven voor ongelode benzine en diesel. Het huidige voorgestelde artikel LVIII regelt dat deze indexatie voor ongelode benzine en diesel bij het begin van het kalenderjaar 2027 achterwege blijft. Met de wijziging van artikel LVIII wordt voorgesteld dat deze indexatie ook voor diesel bij het begin van het kalenderjaar 2027 achterwege blijft. Om te voorkomen dat de accijnstarieven voor ongelode benzine en diesel bij het begin van de kalenderjaren 2028 en 2029 worden verhoogd wordt verder voorgesteld de wettelijke indexatie op grond van artikel 27a WA bij het begin van de kalenderjaren 2027, 2028 en 2029 niet toe te passen op de in artikel 27, eerste lid, onderdelen a en b, WA als tweede vermelde bedragen.
Voorgesteld wordt de gemiste indexaties over de jaren 2023 tot en met 2028 met ingang van 1 januari 2029 in te halen. Daartoe wordt op grond van het voorgestelde artikel XXVA, dat op grond van onderdeel 4 wordt ingevoegd, het accijnstarief voor ongelode benzine per 1 januari 2029 vastgesteld op € 1.072,80 per 1.000 liter en het accijnstarief voor diesel op € 700,52 per 1.000 liter. Daarmee worden deze tarieven vastgesteld op het niveau waarop zij bij ononderbroken indexering zouden zijn uitgekomen, wat correspondeert met de bij de toelichting op het voorgestelde artikel XXVA beschreven volledige afbouw van de accijnskorting voor ongelode benzine en diesel. De reguliere jaarlijkse indexatie vindt vervolgens bij het begin van het kalenderjaar 2030 plaats over de bedragen van € 1.072,80 onderscheidenlijk € 700,52 per 1.000 liter.
Onderdeel 13
Artikel LXIII (inwerkingtreding)
Artikel LXIII regelt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Voorgesteld wordt de wijzigingen op grond van het voorgestelde artikel XLII, onderdeel C, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking te laten treden met ingang van 1 januari 2029, 00.00 uur (lokale tijd), en, vanwege het tijdsverschil van vijf uur, in het Europese deel van Nederland met ingang van 1 januari 2029, 05.00 uur (lokale tijd).
In de voorgestelde inwerkingtredingsbepaling wordt daarnaast geregeld dat de voorgestelde bepalingen in artikel XIX, onderdeel Ba, in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vinden voor het eerst toepassing met ingang van boekjaren die aanvangen op of na dat tijdstip van inwerkingtreding. In het koninklijk besluit zal naar verwachting worden bepaald dat die maatregel inwerking treedt per 1 januari 2028, mits is vastgesteld dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Voor de achtergrond hiervan wordt verwezen naar het algemeen deel. Indien de voorgestelde bepalingen in werking treden per 1 januari 2028 dan geldt dat zij voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2028.
Onderdeel 14
Artikel XLVIIIA (artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Met het ingevolge onderdeel 5 in het wetsvoorstel in te voegen artikel XLVIIIA wordt geregeld dat de wettelijke indexatie die voortvloeit uit artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor de tarieftabellen in de loon- en inkomstenbelasting voor het kalenderjaar 2028 deels geen toepassing vindt, namelijk niet op het bedrag van het aanvangspunt van het toptarief. Voor het kalenderjaar 2028 blijft het aanvangspunt van het toptarief daardoor bevroren op het niveau van het kalenderjaar 2027, te weten € 80.578 (zie onderdelen 1 en 3).
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Kamerstukken II 2025/26, 29453 en 27962, nr. 583.
Artikel 19 Woningwet.
Artikel 47 e.v. Woningwet.
Kamerstukken II 2025/26, 29453, nr. 586.
Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016, tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt.
Europe’s Choice, Political Guidelines for the next European Commission 2024-2029, Ursula von der Leyen (18 July 2024), e6cd4328-673c-4e7a-8683-f63ffb2cf648_en.
Besluit (EU) 2025/2630 van de Commissie van 16 december 2025 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen en tot intrekking van Besluit 2012/21/EU.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2023/24, 35 286 en 29 453, nr. 16.
Proposal for a Council Directive amending Directives 2003/49/EC, 2009/133/EC, 2011/96/EU, (EU) 2016/1164, (EU)2017/1852, (EU) 2025/50 as regards the simplification of the Union framework on direct taxation and supporting growth and competitiveness of the EU, COM(2026) 560 final.
Accijnstarief per liter zonder korting en met jaarlijkse indexatie sinds 2022.
Het accijnstarief per liter ongelode benzine dat van toepassing is.
Accijnstarief per liter zonder korting en met jaarlijkse indexatie sinds 2022.
Het accijnstarief per liter gasolie (diesel) dat van toepassing is.
Dit volgt bijvoorbeeld uit het NPA-rekenmodel, waaruit blijkt dat dat een uitzondering op de earningsstrippingmaatregel voor woningcorporaties leidt tot aanzienlijk meer investeringsruimte voor woningcorporaties.
Bijlage 1269208 bij Kamerstukken II 37022, nr. 3.
Artikel 27, eerste lid, onderdeel a, Wet op de Accijns (WA).
Zoals dit artikel ingevolge artikel XXXVIII, onderdeel D, van het Belastingplan 2026 luidt.
Dit heeft betrekking op het in artikel 27, eerste lid, onderdeel b, WA als tweede vermelde bedrag.
Bijlage 1269208 bij Kamerstukken II 37022, nr. 3, p. 8.