Amendement (gewijzigd/nader/vervangend)Wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met het verhogen van het aandeel van gas uit hernieuwbare bronnen in de totale leveringen van gas aan afnemers (Wet bijmengverplichting groen gas)

Gewijzigd amendement van het lid Van den Berg ter vervanging van nr. 23 over een wettelijke bovengrens voor de hoeveelheid broeikasgasemissiereductie5 oktober 2026

2026D48508 · Kamerstuk 36947, nr. 45

Bekijk op officielebekendmakingen.nl Download (PDF)

Tekst

Vergaderjaar 2026-2027

Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Kamerstukken

36 947

Wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met het verhogen van het aandeel van gas uit hernieuwbare bronnen in de totale leveringen van gas aan afnemers (Wet bijmengverplichting groen gas)

Nr. 45

GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID VAN DEN BERG TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 23

Ontvangen 5 oktober 2026

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel B, worden aan het voorgestelde artikel 9.9.2.1 twee leden toegevoegd, luidende:

3.

De bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid broeikasgasemissiereductie in de keten tot afnemer per jaar, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in de hierna te noemen kalenderjaren in ieder geval niet meer CO2-equivalent-ketenemissiereductie in Mton dan:

a.

0,315 Mton in 2027;

b.

0,46 Mton in 2028;

c.

0,665 Mton in 2029;

d.

0,995 Mton in 2030;

4.

De CO2-equivalent-ketenemissiereductie in Mton, bedoeld in het derde lid, bedraagt vanaf 2031 in ieder geval niet meer dan 1,425 Mton per kalenderjaar.

Toelichting

Dit amendement legt een wettelijke bovengrens vast voor de hoeveelheid broeikasgasemissiereductie in de keten tot afnemer die op grond van artikel 9.9.2.1, eerste lid, bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. De maxima voor 2027 tot en met 2035 bedragen voor ieder kalenderjaar de helft van de jaarwaarden in tabel 1 van de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2025/26, 36 947, nr. 3, p. 13). Het gehele gepubliceerde groeipad wordt daarmee begrensd op vijftig procent. In 2030 bedraagt het maximum 0,955 Mton en vanaf 2031 1,425 Mton CO2-equivalent-ketenemissiereductie per kalenderjaar.

De bestaande systematiek van artikel 9.9.2.1 blijft ongewijzigd. De vastgestelde landelijke hoeveelheid wordt overeenkomstig dat artikel verdeeld aan de hand van het marktaandeel van de leverancier aan afnemers. Ook de bestaande bepalingen over het GGE-register, de bijschrijving van groengaseenheden, ontheffing en het sparen van groengaseenheden worden door dit amendement niet gewijzigd. Eén groengaseenheid blijft overeenkomstig artikel 9.9.4.4 staan voor één kilogram CO2-equivalent-ketenemissiereductie.

De regering behoudt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur een lagere hoeveelheid vast te stellen. Een hogere hoeveelheid dan het voor het betreffende kalenderjaar geldende maximum vergt wijziging van de wet. Voor kalenderjaren vanaf 2036 blijft het maximum van 1,425 Mton per kalenderjaar gelden. Daarmee wordt voor die jaren geen nieuw groeipad vastgesteld, maar wordt uitsluitend voorkomen dat de hoeveelheid zonder wetswijziging boven het niveau van 2031 tot en met 2035 kan worden verhoogd.

De maxima zijn gekoppeld aan het kalenderjaar waarop de op grond van artikel 9.9.2.1 vast te stellen hoeveelheid betrekking heeft. Artikel 9.9.7.2 blijft de eerste toepassing na inwerkingtreding regelen. Niet-benutte ruimte onder een maximum kan niet worden gebruikt om in een later kalenderjaar boven het voor dat latere kalenderjaar geldende maximum uit te komen. Dit staat los van het sparen van daadwerkelijk verkregen groengaseenheden op grond van artikel 9.9.5.6.

Dit amendement wijzigt de werkingssfeer van de bijmengverplichting niet. Indien op grond van een afzonderlijke wettelijke bepaling een evenredige vermindering van de landelijke hoeveelheid wordt toegepast wegens een beperking van de werkingssfeer, wordt die vermindering toegepast op de hoeveelheid die met inachtneming van de in dit artikel opgenomen maxima is vastgesteld. Een dergelijke afzonderlijke vermindering kan daardoor naast dit amendement worden uitgevoerd zonder dat gasleveringen in dit amendement opnieuw hoeven te worden afgebakend.

Door de maximale landelijke hoeveelheid te halveren, wordt ook de maximale omvang van de rechtstreeks aan de hoeveelheid groengaseenheden gekoppelde nalevingsverplichting gehalveerd ten opzichte van het gepubliceerde groeipad. De uiteindelijke financiële gevolgen voor afnemers zijn daarnaast afhankelijk van onder meer de prijs van groengaseenheden, het gasverbruik, uitvoeringskosten en de wijze waarop leveranciers kosten doorberekenen. Het amendement houdt daarom geen garantie in op een halvering van de totale energierekening. Een lagere verplichte vraag naar groengaseenheden kan tevens gevolgen hebben voor investeringen in de productie van groen gas en voor de met dit instrument gerealiseerde ketenemissiereductie.

Van den Berg